Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10452

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
20-09-2017
Zaaknummer
C-09-518696-HA ZA 16-1099
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Directe actie. Onrechtmatige daad. Aansprakelijkheid verzekeraar jegens nabestaande voor gevolgen van blootstelling aan asbest van moeder van werknemer van verzekerde. Risicoberoep. Thuisbesmetting. Uitkloppen en wassen kleding zoon. Tevens mogelijkheid blootstelling aan asbest door uitkloppen en wassen kleding eerder overleden echtgenoot. Artikel 6:99 BW. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0748

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/518696 / HA ZA 16-1099

Vonnis van 13 september 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. J.A.H. Matthijssen te Tilburg,

tegen

de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zoetermeer,

gedaagde,

advocaat mr. M.R. Lauxtermann te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Reaal genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 13 september 2016 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 28 december 2016 waarbij een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 mei 2017 en de daarin genoemde stukken;

  • -

    de brief van 12 juni 2017 van de zijde van Reaal.

1.2.

Het proces-verbaal van comparitie is buiten aanwezigheid van partijen opgemaakt. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld correcties van feitelijke aard per brief aan de rechtbank kenbaar te maken. Partijen hebben van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.3.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is de zoon en enig erfgenaam van [X] (hierna: [X] ). [X] is geboren op [geboortedatum] . In maart 2013 is bij [X] de ziekte maligne mesothelioom vastgesteld. Naar de huidige stand van de wetenschap is de oorzaak hiervan gelegen in blootstelling aan asbestvezels. [X] is op 7 november 2013 overleden.

2.2.

[eiser] heeft van 1989 tot 2012 gewerkt bij Installatiebedrijf [BV I] B.V. (hierna: [BV I] ). [BV I] heeft een verzekering met betrekking tot de werkgeversaansprakelijkheid afgesloten bij Reaal. Tot 2009 waren de heren [A] en [B] eigenaar van [BV I] . In 2009 is [BV I] van eigenaar gewisseld.

2.3.

Bij brief van 26 april 2013 heeft [X] aan Installatiebedrijf [BV I] (hierna: [BV I] ) het volgende bericht:

‘(…)

Van 1989 tot 2012 is mijn zoon, de heer [eiser] , bij Installatiebedrijf [BV I] in dienst geweest. Tijdens zijn werkzaamheden heeft hij regelmatig blootgestaan aan asbest. In de betreffende periode heb ik (…) zijn bedrijfskleding gewassen.

In maart 2013 is bij mij de diagnose maligne mesothelioom gesteld. Deze ziekte is veroorzaakt door de blootstelling aan asbest. Gelet op het feit dat ik, door de werkzaamheden van mijn zoon bij Installatiebedrijf [BV I] aan asbest ben blootgesteld door het wassen van zijn bedrijfskleding, stel ik Installatiebedrijf [BV I] hierbij formeel aansprakelijk voor de door mij als gevolg van deze ziekte geleden en te lijden materiële en immateriële schade.

(…)’

2.4.

Bij brief van 29 mei 2013 heeft [BV I] aan het Instituut Asbestslachtoffers (hierna: IAS) in reactie op een niet in dit geding gebrachte brief van het IAS van 3 mei 2013 het volgende bericht:

‘(…)

Wij aanvaarden geen aansprakelijkheid.

De heer [eiser] is in 1989 in dienst getreden bij installatiebedrijf [BV II] Vanaf 1996 is hij afgekeurd en heeft hij (tot op heden) een volledige WAO uitkering ontvangen. We praten dus over een volledig dienstverband van 7 jaar. Na 1996 heeft hij gedeeltelijk gewerkt. Daarbij moet u denken aan periodes van halve dagen, periodes van drie dagen per week, periodes van volledige afwezigheid. De periodes dat hij wel werkzaam was, was in aangepast werk. Dit betekent dat hij zich is gaan richten en specialiseren in het zinkwerk binnen ons bedrijf en niet meer als loodgieter werkzaam is geweest.

In 2009 is Installatiebedrijf [BV II] overgenomen. Voor het inwinnen van informatie hebben wij contact gezocht met beide oud eigenaren van Installatiebedrijf [BV II] In deze gesprekken geven beide oud eigenaren aan dat er door eigen monteurs nooit geen asbestwerkzaamheden werden verricht, maar door de daarvoor erkende saneringsbedrijven.

Gezien het feit dat de heer [eiser] maar een relatief korte periode werkzaam is geweest als loodgieter, waarbij de oud eigenaren aangeven nooit geen asbestwerkzaamheden te hebben verricht en het feit dat de heer [eiser] zelf geen ziekteverschijnselen vertoond, is Installatiebedrijf [BV II] dan ook in geen geval verantwoordelijk voor de opgelopen ziekte.

Wij zijn dan ook van mening dat de oorsprong van de ziekte niet ligt bij het wassen van de kleding van de heer [eiser] tijdens zijn werkzaamheden als loodgieter voor Installatiebedrijf [BV II] in de periode 1989-1996.

(…)’

2.5.

In het rapport inzake arbeidshistorisch onderzoek en blootstelling aan asbest van het IAS dat op 26 april 2013 door [X] en [eiser] is ondertekend is het volgende vermeld:

‘(…)

Relevante arbeidshistorie de heer [eiser] (zoon)

[mevrouw X] heeft de kleding van haar zoon tot omstreeks 2008 gewassen.

1989 tot 2012: Installatiebedrijf [BV I]
(…)

De heer [eiser] verklaart dat zijn dagelijkse werkzaamheden bestonden uit de aanleg, het plegen van onderhoud en reparatie van onder meer cv-installaties en sanitaire installaties. Ook verrichtte hij regelmatig sloopwerkzaamheden bij renovatieprojecten van woningen. Asbestblootstelling in de werkomgeving heeft plaatsgevonden doordat de heer [eiser] en zijn collega’s bij sloopwerkzaamheden regelmatig asbesthoudende materialen weghaalden. Hij herinnert zich dat hij asbesthoudende rioleringen heeft weggehaald. Bij het breken en uit de grond halen van deze rioleringen kwam zeer veel asbeststof vrij. Ook hebben hij en zijn collega’s regelmatig oude cv-installaties uit woningen weggehaald. Delen van deze oude installaties waren geïsoleerd met asbestkoord en onder en achter de installatie was vaak een asbestplaat aangebracht. Ten gevolge van het slopen van de oude cv-installatie kwam veel asbeststof vrij. Verder geeft de heer [eiser] aan dat hij rookgaskanalen heeft geplaatst. Voor de rookgaskanalen maakte hij een dakdoorvoer door de asbesthoudende dakbeplating. Bij het doorzagen van de dakbeplating kwam veel asbeststof vrij. De heer [eiser] merkt op dat asbest is verboden in 1993. Vanaf die periode werd een gespecialiseerd bedrijf ingeschakeld wanneer asbesthoudende materialen op een project werden aangetroffen.

Asbestblootstelling heeft plaatsgehad tot 1993. De heer [eiser] beschikte niet over persoonlijke beschermingsmiddelen in het kader van blootstelling aan asbest. Er was geen sprake van voldoende ventilatie of een afzuiginstallatie. Omstreeks 1993 is de heer [eiser] door zijn werkgever gewaarschuwd voor de gezondheidsrisico’s van het werken met asbest.

Het vorenstaande in aanmerking genomen is de heer [eiser] naar zijn mening regelmatig op zowel directe als indirecte wijze in de werkomgeving aan asbest blootgesteld. De heer Van [eiser] geeft aan dat hij tijdens zijn werk beschikte over een overall. Deze overall kwam dagelijks mee naar huis en werd tot 2005 wekelijks door zijn moeder gewassen. Doordat de heer [eiser] in de werkomgeving an asbest is blootgesteld, hebben asbestvezels op zijn werkoverall terecht kunnen komen. [mevrouw X] verklaart dat ze de overall flink uitklopte en vervolgens in de wasmachine stopte. Door het wassen van de werkkleding van haar zoon, en doordat haar zoon tijdens zijn werk aan asbest is blootgesteld, is [mevrouw X] eveneens regelmatig aan asbest blootgesteld in de periode 1989-1993.

(…)’

2.6.

Bij brief van 3 juli 2013 heeft de Sociale Verzekeringsbank aan [X] het volgende bericht:

‘(…)

U krijgt een voorschot op grond van de Regeling tegemoetkoming asbestslachtoffers. (…)

Het bedrag van de uitkering is € 18.907,00. (…) Deze uitkering is belastingvrij (…)

U kunt het voorschot direct besteden, u hoeft het niet te reserveren. Als uw voormalige werkgever een schadevergoeding aan de SVB betaalt, zullen we het aan u betaalde voorschot daarmee verrekenen. Krijgt u rechtstreeks een schadevergoeding van de werkgever dan moet u het voorschot van de SVB of een deel daarvan terugbetalen. (…)’

Genoemd bedrag is door [X] ontvangen.

2.7.

Bij brief van 19 augustus 2013 heeft het IAS aan [BV I] het volgende bericht:

‘(…)

Conclusie

Op basis van het onderzoek komen wij tot de conclusie dat:

- Installatiebedrijf [BV I] jegens de heer [eiser] en diens huisgenoten tekort is geschoten in zijn verplichting om al die veiligheidsmaatregelen te treffen welke waren vereist met het oog op de hem bekende gevaren van het werken met asbest;

- Dit verzuim de kans dat mevrouw [X] asbestvezels zou binnenkrijgen – waardoor de ziekte maligne mesothelioom heeft kunnen ontstaan – in aanmerkelijke mate heeft verhoogd;

- Installatiebedrijf [BV I] voor de daaruit voortvloeiende schade van mevrouw [X] tot betaling van schadevergoeding aan mevrouw [X] gehouden wordt.

Gelet op het vorengaande dient u naar het oordeel van het Instituut Asbestslachtoffers (IAS) aansprakelijkheid te erkennen en de schade van mevrouw [X] met inachtneming van het Convenant Instituut Asbestslachtoffers te vergoeden.

(…)

Hoogte van de normbedragen

De geïndexeerde normbedragen per 1 januari 2013 *) zijn:

 Immateriële schade € 55.077,-

(…)

* Genoemde bedragen voor schadevergoeding en tegemoetkoming gelden voor 2013 en worden jaarlijks geïndexeerd. Op betalingen die na 31 december van het lopende jaar plaatsvinden zijn de geïndexeerde normbedragen van het volgende jaar van toepassing.

(…)’

In het bij deze brief gevoegde bemiddelingsrapport van het IAS is het volgende vermeld, waarbij met ‘werknemer’ [eiser] wordt aangeduid, met ‘huisgenoot van werknemer’ [X] en met ‘werkgever’ [BV I] :

‘(…)

8. Conclusie

Wij komen tot de volgende conclusie:

 werknemer heeft werkzaamheden in Nederland verricht krachtens een arbeidsovereenkomst waarop Nederlands recht van toepassing is;

 huisgenoot van werknemer lijdt aan de ziekte maligne mesothelioom, hetgeen gezien het vorenstaande is vastgesteld met inachtneming van het Protocol diagnostiek maligne mesothelioom;

 uit onderzoek is gebleken dat werknemer bij werkgever in de functie van loodgieter langer dan zes maanden aan asbest is blootgesteld in de periode van 1989 tot 2012;

 Wij zijn van oordeel dat werkgever als meest gerede partij is aan te merken (…);

 gedurende de periode van 1989 tot 1993 heeft regelmatig asbestblootstelling plaatsgevonden;

 het beroep van werknemer komt voor op de lijst van beroepen die is opgenomen in een rapport van de Gezondheidsraad (…) naar aanleiding van een onderzoek naar beroepen met een verhoogd risico op het ontstaan van de ziekte maligne mesothelioom;

 werkgever heeft geen/onvoldoende veiligheidsvoorzieningen getroffen ter bescherming van de gezondheid van werknemer.

Wij zijn van mening dat door werknemer – binnen de daarvoor geldende wettelijke kaders – de asbestblootstelling bij werkgever voldoende is gesteld en bewezen.

Wij komen tot het oordeel dat:

 werkgever jegens werknemer (en diens huisgenoten) tekort is geschoten in zijn verplichting om al die veiligheidsmaatregelen te treffen welke waren vereist met het oog op de hem bekende gevaren van het werken met asbest;

 dit verzuim de kans dat huisgenoot van werknemer de tot de ziekte maligne mesothelioom leidende asbestvezels zou binnenkrijgen in aanmerkelijke mate heeft verhoogd;

 werkgever voor de daaruit voortvloeiende schade van werknemer tot betaling van schadevergoeding aan huisgenoot van werknemer gehouden kan worden.

(…)’

2.8.

Bij brief van 26 augustus 2013 heeft [BV I] aan het IAS bericht dat zij de aansprakelijkheid niet erkent, omdat het onderzoek is gebaseerd op valse informatie. Volgens [BV I] is de getuigenverklaring van de heer [C] (hierna: [C] ) niet correct en naar waarheid ingevuld, omdat de vraagstelling niet in alle gevallen juist is begrepen, het verwoorden en het opschrijven van het antwoord niet in alle gevallen goed is gebeurd en de vragen en antwoorden zijn besproken met [eiser] voordat deze zijn opgeschreven en ondertekend door [C] .

2.9.

Bij brief van 13 september 2013 heeft de advocaat van [BV I] aan het IAS het volgende bericht:

‘(…)

Kort en goed komt het erop neer dat uit het onderzoek onvoldoende is gebleken dat er asbestbesmetting heeft plaatsgevonden via de kleding van de heer [eiser] . De “belastende” verklaringen die zich in het dossier bevinden, zijn afkomstig van belanghebbende [eiser] zelf en een collega die door hem gesouffleerd is.

Nu er naast de gebrekkige bewijsvoering er een zeer goede verklaring is voor de besmetting van [mevrouw X] , (via haar echtgenoot die dagelijks met asbest werkte? Kom ik tot de conclusie dat verzuim door Installatiebedrijf [BV I] niet is aangetoond en dat zij derhalve niet gehouden is tot het vergoeden van schade.

(…)’

2.10.

Op 12 maart 2015 is [BV I] failliet verklaard. Op 11 augustus 2016 is het faillissement per 10 augustus 2016 opgeheven wegens gebrek aan baten.

2.11.

Bij brief van 23 mei 2016 heeft mr. […] Reaal met een beroep op artikel 7:954 BW aansprakelijk gesteld voor de schade die [eiser] heeft geleden als gevolg van de ziekte en het overlijden van [X] . Reaal heeft de aansprakelijkheid afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, samengevat en na wijziging van zijn eis ter zitting:

  1. te verklaren voor recht dat Reaal jegens [X] onrechtmatig heeft gehandeld en daardoor jegens [eiser] als erfgenaam van [X] schadeplichtig is geworden;

  2. veroordeling van Reaal tot betaling van de immateriële schade, begroot op € 56.000,- en te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van dagvaarding;

een en ander met veroordeling van Reaal in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eiser] voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [BV I] – de verzekerde van Reaal – heeft onrechtmatig gehandeld jegens [X] , omdat [BV I] in de periode van 1989 tot 1993 heeft nagelaten om veiligheidsmaatregelen te nemen in verband met contact met asbest dat [eiser] tijdens zijn dienstverband bij [BV I] had. Hierdoor is [eiser] op directe en indirecte wijze blootgesteld aan asbest en het daarbij optredende asbeststof is ook in zijn werkkleding gaan zitten. Door aldus te handelen heeft [BV I] de kans dat [X] via de werkkleding van [eiser] aan asbest zou worden blootgesteld aanmerkelijk vergroot. Hierdoor heeft [BV I] niet alleen verwijtbaar gehandeld jegens [eiser] , maar ook jegens [X] . [X] heeft als gevolg van dit handelen van [BV I] de ziekte maligne mesothelioom gekregen en zij is aan die ziekte overleden. Reaal is als verzekeraar van [BV I] aansprakelijk hiervoor en dient de hierdoor geleden immateriële schade van [X] aan [eiser] als de erfgenaam van [X] te vergoeden.

3.3.

Reaal voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de orde is, zoals verduidelijkt ter zitting, de aansprakelijkheid van Reaal tegenover [eiser] als nabestaande van [X] voor ‘thuisbesmetting’, wegens blootstelling van [X] aan asbest door contact met de werkkleding van [eiser] . De gestelde aansprakelijkheid berust, zoals niet in geschil is, op artikel 6:162 BW. Dit betekent dat op [eiser] de stelplicht, en bij betwisting de bewijslast, rust van feiten waaruit volgt dat [X] blootgesteld is aan asbest vanwege de blootstelling van [eiser] tijdens zijn werkzaamheden als loodgieter in dienst bij [BV I] en of [BV I] ten tijde van de blootstelling op de hoogte had kunnen of moeten zijn van de gevaren verbonden aan de wijze waarop de blootstelling plaatsvond en voldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen, ook ter bescherming van [X] . Het is aan Reaal als verzekeraar van [BV I] de gestelde feiten gemotiveerd te betwisten. Voor zover Reaal naar voren heeft gebracht dat zij bemoeilijkt is in de onderbouwing van haar verweer vanwege het faillissement van [BV I] , is dit een omstandigheid die niet voor rekening van [eiser] komt. Met de directe actie van artikel 7:954 BW is juist beoogd dat nabestaanden in het geval van faillissement van een werkgever niet met lege handen staan.

4.2.

Vaststaat dat [X] de ziekte maligne mesothelioom had en daaraan is overleden. In geschil is of [X] mesotholioom heeft gekregen door contact met de werkkleding van [eiser] . [eiser] was van 1989-1996 werkzaam als loodgieter bij [BV I] . Hij is in 1996 gedeeltelijk arbeidsongeschikt geraakt en heeft nadien, tot 2012, als zinkwerker bij [BV I] gewerkt. Hij is in 2012 uit dienst getreden.

4.3.

Eerst moet worden beoordeeld of [eiser] tijdens zijn werkzaamheden voor [BV I] aan asbest is blootgesteld. Als die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt aan de orde in welke mate dat het geval is geweest. De duur en de intensiteit van de blootstelling zijn immers bepalend voor het antwoord op de vraag of [BV I] die maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat zij gevaar schiep of liet voortbestaan voor persoon of goed van een ander. Dit dient te worden beoordeeld aan de hand van de in de betrokken periode geldende maatstaven. Wanneer concrete voorschriften ontbreken, dient aan de hand van de concrete omstandigheden te worden beoordeeld of [BV I] jegens [X] aan haar verplichtingen heeft voldaan.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] tijdens zijn werkzaamheden als loodgieter is geconfronteerd met asbest, zodat de rechtbank hiervan uitgaat. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of [eiser] bij een confrontatie met asbest hiermee zelf aan de slag ging en daarmee werd blootgesteld aan asbest of dat het werk werd stil gelegd en een gespecialiseerd bedrijf werd ingeschakeld.

4.5.

[eiser] heeft gesteld dat de periode waarin hij gedurende zijn werkzaamheden voor [BV I] aan asbest is blootgesteld liep van 1989 tot 1993. Daarna, zo begrijpt de rechtbank [eiser] , hing er een briefje in de kantine van de woningbouwvereniging aan [BV I] , waarin stond “dat zij niet wil dat medewerkers van [BV I] nog met asbest zouden werken”. Hij heeft in dit verband gesteld dat hij naar schatting eens in de twee weken in aanraking kwam met asbest bij het plaatsen en afbreken van waterleidingen en CV-ketels, het vervangen van rioleringen en het maken van afvoeren door daken en dat hij vervolgens hiermee zelf aan de slag ging en er geen gespecialiseerd bedrijf werd ingeschakeld. Alhoewel de stellingen van [eiser] summier zijn – hij heeft eerst ter comparitie een aantal concrete adressen genoemd waar hij naar eigen zeggen aan asbest zou zijn blootgesteld – is de rechtbank van oordeel dat [eiser] , mede gelet op het tijdsverloop, wel aan zijn stelplicht heeft voldaan. Hij heeft in voldoende mate concrete werkzaamheden genoemd waarbij hij aan asbest zou zijn blootgesteld en gesteld dat er in dat geval geen gespecialiseerd bedrijf werd ingeschakeld. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] zijn stelling ook voldoende onderbouwd. Daartoe is redengevend dat de getuigen [D] en [C] in het gehouden voorlopig getuigenverhoor in enquête de juistheid van deze stelling hebben bevestigd, terwijl ook in de contra-enquête de stelling van [eiser] door de getuige [B] deels is bevestigd. Zo heeft de heer [D] – die vóór 1993 gedurende anderhalf jaar bij [BV I] heeft gewerkt – het volgende verklaard:

‘(…)

In die tijd dat ik daar werkte was dhr. [eiser] een collega van mij. We gingen samen veel op pad. Ons werk bestond hoofdzakelijk uit het vervangen cv-ketels, geisers en het aanleggen van nieuwe waterleidingen. (…) Wij werkten heel veel in kleine ruimtes, veelal op zolders en dan moest er vaak een afvoer door het dak worden aangelegd. In dat dakbeschot zat heel veel asbest en met een hamer maakten wij daar in een gat. Soms werd er met een waterpomptang nog wat bijgewerkt (…) Dat gebeurde eigenlijk dagelijks want elke dag werd er wel zo’n cv-ketel geplaatst. Een ketel woog in die tijd soms meer dan 100 kilo en die werd dan op zolder uitelkaar gehaald. (…) Bij dat slopen van zo’n cv-ketel kwam asbestkoord vrij en bloot te liggen. (…)’

De heer [C] – die vanaf ongeveer 1990 tot in ieder geval 2014 bij [BV I] heeft gewerkt – heeft het volgende verklaard:

‘(…)

Ik ken dhr. [eiser] wel, hij was een collega van mij. In het begin hebben wij weleens samengewerkt. In die tijd moesten wij heel veel cv-ketels vervangen (…) Als we asbest tegenkwamen, ook kort na 1993, is er nooit tegen mij gezegd dat we daar niet meer aan mochten komen. (…) Ook na 1993 moest het klusje gewoon afgemaakt worden. Hoewel ik zelf nooit met een hamer een gat in het dakbeschot heb gemaakt weet ik dat het weleens voorkwam. (…) In het dakbeschot zat wel asbest, en dat wist ik ook wel. Er werden weleens stukjes afgebroken om de afvoerpijp passend te maken. (…) De ketel die vervangen werd moest ter plaatse gesloopt worden omdat ze te zwaar waren om in zijn geheel naar beneden te brengen. (…) Ik heb ook weleens voor 1993 rioleringspijpen gesloopt er werd dan een haakse slijper gebruikt en dat gaf heel veel stof. Ik kan mij niet herinneren dat er door de werkgever gewaarschuwd is voor het omgaan met asbest.’

De heer [B] – die vanaf ongeveer 1977 als werknemer in dienst was van [BV I] en vanaf 1987 tot 2009 mede-eigenaar van [BV I] was – heeft het volgende verklaard:

‘(…)

Geconfronteerd met verklaringen van anderen zal ik niet ontkennen dat het misschien wel eens een keer is gebeurd dat een loodgieter een gat in het dak heeft geslagen, of met een waterpomptang het gat in het dak iets groter heeft gemaakt. Ik heb dit zelf nooit meegemaakt en ook nooit gehoord, maar ik kan me voorstellen dat het misschien wel eens is gebeurd. (…) Met betrekking tot de verklaring van de heer [D] moet ik mededelen dat ik nog nooit een cv-ketel boven op zolder uit elkaar heb gehaald. Ik sluit niet uit dat het heel sporadisch wel eens gebeurde, maar het is zeker geen gebruik. Meestal werd die ketel met een soort takel naar beneden gehaald. Gaten in het dak heb ik nog nooit gemaakt. (…)’

Weliswaar wordt de stelling van [eiser] dat hij tijdens zijn werkzaamheden voor [BV I] aan asbest is blootgesteld door de andere in contra-enquete gehoorde getuigen [E] , [A] en [F] niet gesteund, maar deze verklaringen acht de rechtbank minder concreet en overtuigend dan de hiervoor geciteerde getuigenverklaringen. Zo heeft de heer [E] niet als loodgieter, maar als servicemonteur gewerkt, zodat hij in tegenstelling tot de hiervoor geciteerde getuigen niet dezelfde werkzaamheden als [eiser] verrichtte. [E] verklaart weliswaar dat als hij asbest aantrof een gespecialiseerd bedrijf werd ingeschakeld, maar hij geeft daarbij niet aan in welke periode dit geschiedde, zodat de rechtbank niet kan beoordelen of dit volgens hem in de periode 1989 tot 1993 ook gebeurde. De heer [F] werkte wel als loodgieter, maar heeft verklaard dat hij – anders dan [eiser] – hoofdzakelijk werkzaam was in de nieuwbouw en dat hij daardoor niet of nauwelijks in contact is gekomen met asbest. Daarbij geeft hij aan dat hij wel eens heeft samengewerkt met [eiser] , maar nooit bij het vervangen van cv-ketels op zolder. De heer [A] heeft in dit verband verklaard dat bij [BV I] het beleid is dat een gespecialiseerd bedrijf werd ingeschakeld als er asbest werd aangetroffen. Daargelaten of dit inderdaad in de periode 1989-1993 het beleid was, zegt dit niets over de vraag hoe er feitelijk werd gehandeld als er asbest werd aangetroffen. Ook [A] lijkt er vanuit te gaan dat er soms door de werknemers zelf asbest werd verwijderd. Hij heeft in dit verband immers het volgende verklaard:

‘(…)

Ik heb uiteraard ook weleens verhalen gehoord, maar met verhalen kan ik niet zoveel. Het enige wat ik dan zeg tegen de mensen wie het zal kunnen aangaan dat ze dat niet meer moeten doen maar dan is het leed al geschied. (…)’

4.6.

Reaal heeft een werkschrift van [eiser] over de periode 25 oktober 1991 tot en met 15 mei 1992 in het geding gebracht. Daarin is één post opgenomen waarbij [eiser] met asbest in aanraking kan zijn gekomen (de noodreparatie van een riool op 30 december 1991). Het werkschrift lijkt in de eerste plaats te zijn bedoeld als urenverantwoording, nu de verrichte werkzaamheden en het gebruikte materiaal globaal zijn omschreven en daarnaast het aantal bestede uren is vermeld. Het werkschrift ziet ook op een relatief beperkte periode. Aan het werkschrift kent de rechtbank gelet hierop minder gewicht toe dan aan de genoemde getuigenverklaringen die de stelling van [eiser] bevestigen. Niet kan op basis van het werkschrift, ook niet in combinatie met de overige getuigenverklaringen, gezegd worden dat [eiser] slechts eenmalig met asbest in aanraking kan zijn gekomen. Bovendien geldt dat het beroep van [eiser] , loodgieter, zoals niet in geschil is, genoemd is als risicoberoep op de lijst met asbestrisicoberoepen van de Gezondheidsraad. Het had op de weg van Reaal gelegen, bijvoorbeeld aan de hand van de administratie van [BV I] , tegenover de onderbouwde stelling van [eiser] meer of andere gegevens in het geding te brengen waaruit kan volgen dat [eiser] tijdens zijn werkzaamheden als loodgieter niet is blootgesteld aan asbest, althans dat de duur en intensiteit van die blootstelling zodanig gering is geweest dat deze niet als rechtens relevant kan worden beschouwd. [eiser] heeft overigens onweersproken gesteld dat ook een incidentele blootstelling aan asbestvezels kan leiden tot de ziekte maligne mesothelioom.

4.7.

De rechtbank neemt gelet op het vorenstaande als vaststaand aan dat [eiser] tijdens zijn werkzaamheden als loodgieter bij [BV I] daadwerkelijk en in relevante mate is blootgesteld aan asbest.

4.8.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of [BV I] die maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs nodig waren om te voorkomen dat zij gevaar schiep of liet voortbestaan voor persoon of goed van een ander. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [BV I] dit niet gedaan. Zij acht het volgende van belang.

4.9.

Voor zover het in de periode 1989 tot 1993 al het beleid van [BV I] was om bij het aantreffen van asbest het werk neer te leggen en een gespecialiseerd bedrijf in te schakelen, heeft [BV I] dit beleid onvoldoende aan haar medewerkers uitgedragen. Getuige [A] heeft hierover het volgende verklaard:

‘(…)

Op de vrijdagmiddag komen de monteurs weer terug van hun werk en dan wordt er weleens een bespreking gehouden over allerlei onderwerpen. Ik weet dat in dat kader ook wel gesproken is over asbest en wel in die zin dat we daar niet zelf mee aan de gang moesten. Dat wil niet zeggen dat we elke week over asbest hebben gesproken. Ik ga er vanuit dat als dat eenmaal gezegd is dat we dat de volgende week niet meer hoeven te herhalen. (…)’

De rechtbank acht dit onvoldoende. Het had op de weg van [BV I] gelegen om haar medewerkers niet alleen incidenteel terloops op vrijdagmiddag – waarbij mogelijk ook niet alle medewerkers aanwezig waren – mondeling te laten weten dat ze zelf niet aan de gang moesten met asbest. Bij een zo belangrijk onderwerp met mogelijke grote persoonlijke gevolgen had [BV I] haar medewerkers op een zodanige wijze moeten informeren dat voor haar duidelijk is dat alle medewerkers die het aangaat op de hoogte zijn van de gevaren van het werken met asbest en het beleid van [BV I] daaromtrent. Dit had zij bijvoorbeeld kunnen doen door haar medewerkers schriftelijk te informeren, in het bedrijf op een duidelijk zichtbare plek informatie voorhanden te hebben en/of het punt regelmatig mondeling aan de orde te stellen. Niet is gesteld of gebleken dat dit is gebeurd, in ieder geval niet voor 1993. Dat het gestelde beleid niet goed bij de medewerkers bekend was, blijkt ook uit de eerder al aangehaalde verklaring van [A] dat hij wel eens verhalen hoorde en dat hij dan tegen de mensen die het zal kunnen aangaan zei dat ze dat niet meer moeten doen.

4.10.

De verplichting van [BV I] tot het treffen van veiligheidsmaatregelen strekt zich uit tot [X] . [BV I] had er als werkgever bij de door haar te treffen maatregelen rekening mee kunnen en moeten houden dat de werkkleding van haar werknemers door anderen zouden worden gewassen. Zij had zich daarmee, zeker gezien hetgeen in de periode 1989-1993 bekend was over de risico’s van blootstelling aan asbest, bewust moeten zijn van het risico dat ook anderen dan werknemers een asbestziekte konden oplopen via de werkkleding van haar werknemers. Door de blootstelling van [eiser] aan asbest kunnen er op zijn werkkleding asbestvezels en asbeststof terecht gekomen. [eiser] heeft voldoende gesteld om vast te kunnen stellen dat daardoor ook [X] aan die asbestvezels blootgesteld kan zijn. Zo heeft hij gesteld dat hij tot 1994 bij zijn ouders thuis heeft gewoond en dat zijn moeder (overigens ook nadat hij daar niet meer woonde) zijn was deed. Per week moesten er volgens [eiser] één à twee overalls van hem worden gewassen en hij stelt te hebben gezien dat zijn moeder die overalls uitklopte voordat zij deze in de wasmachine deed. In het licht van deze gedetailleerde en expliciete verklaring van [eiser] heeft Reaal deze stellingen onvoldoende betwist, zodat de rechtbank aan die betwisting voorbijgaat. Nu niets is gesteld over eventuele door [BV I] getroffen veiligheidsmaatregelen ter voorkoming of beperking van het risico op blootstelling aan asbest van anderen dan de werknemers van [BV I] , is de conclusie dat de kans op blootstelling aan asbest van [X] door het nalaten van [BV I] aanmerkelijk is vergroot. Daarmee is de onrechtmatigheid van het handelen van [BV I] jegens [X] gegeven.

4.11.

De rechtbank verwerpt ten slotte het verweer van Reaal dat zij niet aansprakelijk is vanwege de omstandigheid dat de echtgenoot van [X] in de periode 1965-1969 als monteur heeft gewerkt bij de (rechtsvoorgangster) van IJsselmij, waarbij hij blijkens de verklaring van [X] bij het IAS heeft verklaard dat “de dagelijkse werkzaamheden van haar echtgenoot bestonden uit het ombouwen van potkachels naar gaskachels.” De echtgenoot van [X] is overleden, niet is gesteld of gebleken waaraan. Volgens [X] , eveneens blijkens haar verklaring bij het IAS, was het haar bekend dat in kachels veel asbesthoudende materialen waren verwerkt, maar kan zij niet met zekerheid zeggen of haar echtgenoot ook daadwerkelijk met asbest in aanraking heeft kunnen komen. [eiser] heeft als getuige verklaard dat zijn vader volgens hem geen monteur was, maar in de gasbouw werkte. De verklaring van [X] in aanmerking genomen en de omstandigheid dat de ziekte mesotholioom zich in de regel pas tussen de twintig en veertig jaar na besmetting openbaart, kan niet als uitgesloten worden beschouwd dat [X] blootgesteld kan zijn aan asbest via de werkkleding van haar echtgenoot. Op grond van artikel 6:99 BW staat een mogelijke alternatieve oorzaak van de ziekte waaraan [X] is overleden evenwel niet in de weg aan de aansprakelijkheid van Reaal. Reaal heeft geen feiten naar voren gebracht die nopen tot de conclusie dat de schade niet het gevolg is van het nalaten van [BV I] waarvoor Reaal aansprakelijk is.

4.12.

De gevorderde verklaring voor recht ligt gezien het hiervoor overwogene voor toewijzing gereed.

4.13.

In geschil is voorts nog de hoogte van de gevorderde immateriële schadevergoeding. De rechtbank ziet – anders dan Reaal – geen aanleiding om voor de hoogte van de immateriële schadevergoeding af te wijken van het normbedrag van het IAS waarop de vordering van [eiser] is gebaseerd. Niet in geschil is dat [X] leed aan de ziekte maligne mesothelioom en dat zij een kleine acht maanden na vaststelling van die ziekte is overleden. Dat zij al op leeftijd was, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de schok van het hebben van deze ziekte en het lijden dat daaruit voortvloeit minder is. De gevorderde schadevergoeding zal dan ook worden toegewezen.

4.14.

De gevorderde wettelijke rente zal als niet weersproken en op de wet gegrond worden toegewezen.

4.15.

Reaal zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [eiser] . De rechtbank begroot die proceskosten op € 1.960,08, te weten € 94,08 voor deurwaarderskosten inclusief BTW, € 78,- voor betaald griffierecht en € 1.788,- voor forfaitair salaris advocaat (twee punten à € 894,-, tarief IV).

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

verklaart voor recht dat de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [BV I] B.V. jegens [X] onrechtmatig heeft gehandeld en dat Reaal daardoor jegens [eiser] schadeplichtig is geworden;

5.2.

veroordeelt Reaal tot betaling van € 56.000,- aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 september 2016 tot de dag van algehele voldoening;

5.3.

veroordeelt Reaal tot betaling aan [eiser] van € 1.960,08 in totaal voor de proceskosten;

5.4.

verklaart de veroordelingen onder 5.2 en 5.3 uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2017.1

1 type: 1881