Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10421

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-09-2017
Datum publicatie
15-09-2017
Zaaknummer
C/09/520643 / HA ZA 16-1212
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

merkenrecht; geen verwarringsgevaar; groot begripsmatig verschil

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/520643 / HA ZA 16-1212

Vonnis van 13 september 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. E.C. Menkhorst te 's-Hertogenbosch,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. C. Erasmus te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 oktober 2016 met producties 1-5;

  • -

    de conclusie van antwoord van 8 januari 2017 met producties 1-8;

  • -

    het tussenvonnis van 8 februari 2017;

  • -

    de akte overlegging aanvullende producties zijdens [eiser] , toegezonden bij brief van 29 maart 2017, met producties 6-8;

  • -

    de akte overlegging producties zijdens [gedaagde] van 11 april 2017, met productie 9, inhoudende een proceskostenoverzicht;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 april 2017;

- het B 16-formulier zijdens [eiser] van 4 mei 2017, inhoudende enkele opmerkingen op het proces-verbaal;

- het B 16-formulier zijdens [gedaagde] van 5 mei 2017, inhoudende enkele opmerkingen op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] drijft een handelsonderneming onder zijn eigen naam. Hij houdt zich bezig met de import van voedingsmiddelen, waaronder rijst, die hij betrekt uit landen als Afghanistan, Pakistan en Iran en in Nederland verkoopt aan (buurt)winkels en toko’s die met name producten uit genoemde landen in het assortiment hebben.

2.2.

[eiser] verkoopt rijst in eigen verpakkingen. Hij verkoopt verschillende soorten ‘golden basmati’-rijst onder de namen SITA, SINA en Ariane. Ook verkoopt hij rijst onder de naam Taron. De rijst die [eiser] verkoopt onder de namen SITA en SINA is van vergelijkbare kwaliteit, waarbij SINA iets goedkoper is. De kwaliteit en prijs van Ariane is hoger dan die van de twee andere soorten. De rijst die [eiser] verkoopt onder de naam Taron, kent een andere bereiding en wordt voornamelijk gekocht door mensen met een Iraanse achtergrond.

2.3.

[eiser] is houder van het Benelux woordmerk SITA, gedeponeerd op 26 november 2013 en ingeschreven op 12 februari 2014 onder nummer 0947738, alsmede van het internationale woordmerk SITA met gelding in onder meer de EU, ingeschreven op 11 maart 2014 onder nummer 1215120 (hierna: de merken). De merken zijn onder meer geregistreerd voor rijst.

2.4.

[gedaagde] is in 2016 begonnen met het importeren van rijst die hij in Nederland verkocht onder de naam SINA. De rijst werd voornamelijk verkocht aan particulieren en restaurants die gespecialiseerd zijn in de Iraanse en Afghaanse keuken, en een enkele winkel. [gedaagde] heeft een aanvraag voor een Benelux woordmerkregistratie ingediend voor het teken SINA.

2.5.

Bij brief van 19 mei 2016 is [gedaagde] namens [eiser] gesommeerd om – kort gezegd – het gebruik van het teken SINA te staken, de merkaanvraag in te trekken, informatie te verstrekken en een schadevergoeding te betalen.

2.6.

[gedaagde] heeft de aanvraag voor de merkregistratie ingetrokken en gebruik van het teken SINA gestaakt.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – een merkinbreukverbod, opgave van informatie, alsmede een voorschot op schadevergoeding dan wel winstafdracht, nader op te maken bij staat, een en ander met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure conform artikel 1019h Rv.

3.2.

[eiser] voert hiertoe aan dat het teken SINA overeenstemt met de merken en dat door gebruik van dit teken voor rijst, verwarring bij het publiek kan ontstaan.

3.3.

[gedaagde] voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Bevoegdheid

4.1.

Voor zover [eiser] zijn vorderingen baseert op rechten die hij ontleent aan de internationale merkregistratie met gelding in de EU, is de rechtbank bevoegd op grond van artikel 95 lid 1, artikel 96 aanhef en onder a, artikel 97 lid 1, artikel 103 lid 1 en lid 2 UMVo1 alsmede artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk, omdat [gedaagde] woonplaats heeft in Nederland. De bevoegdheid strekt zich uit tot de gehele Europese Unie.

Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op zijn Beneluxmerk is de rechtbank op basis van artikel 4.6 lid 1 BVIE2 bevoegd nu [gedaagde] woonplaats heeft in dit arrondissement. De bevoegdheid strekt zich uit tot de Benelux.

Merkinbreuk?

4.2.

[eiser] stelt dat het door [gedaagde] gebruikte teken SINA zodanig overeenstemt met de merken dat sprake is van verwarringsgevaar in de zin van artikel 2.20 lid 1 aanhef sub b BVIE en artikel 9 lid 2 sub b UMVo.

4.3.

De rechtbank stelt bij de beoordeling daarvan het volgende voorop. De merkhouder heeft op grond van artikel 2.20 lid 1 aanhef en onder b BVIE alsmede artikel 9 lid 2 sub b UMVo het recht het gebruik van een teken te verbieden in het geval dat teken gelijk is aan of overeenstemt met zijn merk en het in het economisch verkeer wordt gebruikt voor dezelfde of soortgelijke waren of diensten als waarvoor het merk is ingeschreven, indien daardoor bij het publiek verwarring kan ontstaan, inhoudende het gevaar van associatie met het merk. Bij de vaststelling van verwarringsgevaar moet worden beoordeeld of het in aanmerking komende publiek kan menen dat de betrokken waren of diensten afkomstig zijn van dezelfde onderneming of van economisch verbonden ondernemingen. Het verwarringsgevaar dient globaal te worden beoordeeld, met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, waaronder de mate van overeenstemming tussen het merk en het teken, de mate van overeenstemming van de waren of diensten waarop het merk en het teken betrekking hebben, en het onderscheidend vermogen van het merk.

4.4.

Om vast te stellen of sprake is van overeenstemming tussen merk en teken, moet de mate van visuele, auditieve en begripsmatige gelijkenis ervan worden beoordeeld tussen het merk zoals dat is ingeschreven en het teken zoals dat wordt gebruikt. De beoordeling van de gelijkenis dient te berusten op de totaalindruk die door het merk wordt opgeroepen, uitgaande van het min of meer vage herinneringsbeeld dat bij het relevante publiek blijft hangen.

4.5.

De rechtbank is van oordeel dat tussen de merken en het teken SINA onvoldoende overeenstemming bestaat om te komen tot het oordeel dat sprake is van verwarringsgevaar. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

4.6.

Het relevante publiek voor de door partijen verkochte rijst zijn mensen met een achtergrond in Islamitische culturen in delen van Afrika en Azië, zoals Afghanistan, Iran en Pakistan. [eiser] heeft ter zitting erkend dat Sina de naam is van een bekende Islamitische geleerde/filosoof. Sita is daarentegen een meisjesnaam. Dat de naam Sina in Islamitische kringen welbekend is, heeft [gedaagde] onweersproken onderbouwd met een verwijzing naar de omstandigheid dat in Nederland meerdere Islamitische scholen naar deze geleerde zijn vernoemd. Dat leidt tot het oordeel dat het teken SINA associaties oproept bij het relevante publiek met deze geleerde waardoor – nu het teken SINA verder geen semantische inhoud heeft – sprake is van een begripsmatig verschil tussen de woordmerken SITA en het teken SINA. Als het woord Sita, zoals [eiser] heeft gesteld, de naam is van een bekende vrouw, namelijk de vrouw van Rama in een bekend mythologisch verhaal, dan is het verschil alleen maar groter omdat dan moet worden aangenomen dat de merken associaties oproepen met deze mythische figuur en daardoor juist niet met het teken SINA dat immers geassocieerd wordt met een mannelijke geleerde.

4.7.

Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een groot begripsmatig verschil tussen de merken en het gebruikte teken dat opweegt tegen de door [eiser] gestelde – en overigens door [gedaagde] betwiste – fonetische en visuele overeenstemming. De rechtbank betrekt bij dit oordeel dat de mate van oplettendheid van het relevante publiek groot is, aangezien dit publiek kritisch is op de kwaliteit van de rijst die ze koopt.3 Dat leidt de rechtbank af uit het volgende.

4.8.

Tussen partijen is niet in geschil dat de rijst in grote hoeveelheden ineens wordt gekocht en niet in kleine pakjes zoals in de supermarkt. Dat, zoals [gedaagde] heeft betoogd, rijst van slechte kwaliteit een schande is in hun cultuur, is evenmin weersproken. [eiser] heeft ter zitting aangegeven dat er nauwlettend naar de kwaliteit van de rijst wordt gekeken: wat is de geur en structuur van de rijst, is deze langkokend of niet. Hij verkoopt rijst van verschillende kwaliteiten en voor verschillende doelgroepen. [gedaagde] heeft in dit verband onweersproken betoogd dat de rijst pas wordt gekocht na voorlichting en advies van de verkoper of bekenden. Dat betoog vindt overigens ook steun in de eigen stelling van [eiser] dat hij klanten soms proefzakjes geeft van een andere soort. De enkele omstandigheid dat rijst niet heel kostbaar is, doet niet af aan de vaststelling dat het relevante publiek een grote mate van oplettendheid heeft.

4.9.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook geen sprake van gevaar voor directe- dan wel indirecte verwarring tussen de merken en het teken SINA en moeten de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

Proceskosten

4.10.

[eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de redelijke en evenredige proceskosten aan de kant van [gedaagde] .

4.11.

Uit de door [gedaagde] overgelegde specificaties blijkt een bedrag aan proceskosten van € 7.903,- inclusief griffierecht. Nu [eiser] de hoogte van deze kosten slechts in algemene zin heeft betwist, gaat de rechtbank aan dat bezwaar voorbij. Nu de kosten bovendien onder de IE-indicatietarieven4 voor een eenvoudige bodemzaak blijven (€ 8.000,- exclusief griffierechten) en overigens ook onder de door [eiser] gemaakte proceskosten, is de rechtbank van oordeel dat deze kosten redelijk en evenredig geacht moeten worden in de zin van artikel 1019h Rv.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 7.903,-;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Brakel en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2017.

1 Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015.

2 Benelux-verdrag inzake de intellectuele eigendom (merken en tekeningen of modellen), inwerkingtreding: 1-9-2006, laatstelijk gewijzigd bij Trb. 2007,1.

3 Vergelijk HvJ 12 januari 2006, C-361/04, ECLI:EU:C:2006:25

4 Versie 1 april 2017