Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1034

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
08-02-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
5576095 RP VERZ 16-50822
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van art. 7:671c BW; geen aanleiding voor billijke vergoeding wegens ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever in verband met extreme werkdruk, samenwerkingsprobleem of "PVV-stigma

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 669
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671b
Burgerlijk Wetboek Boek 7 671c
Burgerlijk Wetboek Boek 7 673
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2017-0150
AR 2017/693
Prg. 2017/86
JAR 2017/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Gravenhage

FJ

Zaaknr.: 5576095 RP VERZ 16-50822

Uitspraakdatum: 8 februari 2017

Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoekende partij in de zaak van het verzoek, tevens verwerende partij in de zaak van het zelfstandig verzoek,

verder te noemen: [verzoeker] ,

gemachtigde: F.P.G. de Klein (A&F Incasso & Partners B.V.),

tegen

de Stichting Ondersteuning Tweede Kamerfractie Partij voor de Vrijheid (PVV),

gevestigd te Den Haag,

verwerende partij in de zaak van het verzoek, tevens verzoekende partij in de zaak van het zelfstandig verzoek,

verder te noemen: de Stichting,

gemachtigde: mr. N.T. Dempsey.

1 Het procesverloop

1.1.

[verzoeker] heeft de kantonrechter bij verzoekschrift, bij de griffie ingekomen op

5 december 2016, - onder meer - verzocht om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. De Stichting heeft een verweerschrift ingediend, bij de griffie ingekomen op

30 december 2016, en voorwaardelijk, voor het geval [verzoeker] zijn verzoek intrekt, verzocht om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden. Bij brief van 30 december 2016, ter griffie ingekomen op 4 januari 2017, heeft [verzoeker] producties ingediend. Bij brief van 13 januari 2017, ter griffie ingekomen op diezelfde datum, heeft [verzoeker] een aangevuld verzoekschrift, een reactie op het verweer en aanvullende producties ingediend.

1.2.

Op 16 januari 2017 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Verschenen zijn [verzoeker] in persoon, bijgestaan door de heer De Klein, en de heer

[FT] (hierna: [FT] ), directeur bedrijfsvoering van de Stichting, bijgestaan door mr. Dempsey. Daarbij zijn door [verzoeker] pleitaantekeningen, met één aanvullende productie, overgelegd. Van het verhandelde ter zitting zijn door de griffier aantekeningen gemaakt die zich in het procesdossier bevinden.

1.3

De Stichting heeft bezwaar gemaakt tegen het aangevulde verzoekschrift omdat [verzoeker] desgevraagd heeft geweigerd om aan haar aan te geven waaruit de verschillen met het aanvankelijk ingediende verzoekschrift bestaan. De kantonrechter acht het bezwaar van de Stichting gegrond en heeft gelet op de eisen van een goede procesorde bepaald dat het aangevulde verzoekschrift buiten beschouwing blijft, behoudens voor wat betreft de vermeerdering van het oorspronkelijke verzoek van [verzoeker] , omdat het slechts één werkdag vóór de mondelinge behandeling is ingediend.

2 De feiten

2.1

De Stichting is in januari 2007 opgericht met als doel het in dienst nemen van personeel ter ondersteuning van de Tweede Kamerfractie van de politieke partij Partij voor de Vrijheid (hierna: PVV).

2.2

[verzoeker] is geboren op [1961] en sinds [2010] in dienst bij de Stichting in de functie van [functie] tegen een salaris dat laatstelijk € [xx] bruto per maand bedroeg, exclusief vakantietoeslag en verdere emolumenten. Als [functie] is [verzoeker] verantwoordelijk voor het leveren van een bijdrage aan de ontwikkeling van één of meer beleidsterreinen en het ondersteunen van de werkzaamheden van één of meer Kamerleden.

2.3

Volgens artikel 1.3 van de op 1 september 2010 door partijen ondertekende schriftelijke arbeidsovereenkomst zijn de gebruikelijke werktijden verdeeld over maandag tot en met vrijdag van 9:00 uur tot 17:30 uur. [verzoeker] is blijkens artikel 1.4 van de arbeidsovereenkomst verplicht buiten de vastgestelde werktijden overwerk te verrichten, zo dikwijls de Stichting dit nodig oordeelt. Ingevolge artikel 4.3 van de arbeidsovereenkomst is in het salaris een vergoeding voor eventueel overwerk begrepen.

2.4

Aanvankelijk ondersteunde [verzoeker] hoofdzakelijk het [functie] [vV] (hierna: [vV] ) op het beleidsterrein rijksbelastingen, geld-, krediet- en bankwezen en staatsdeelnemingen. Na de verkiezingen van 2012 ging het aantal PVV-Kamerleden terug van 24 naar 15 en werd ook het aantal [functie] teruggebracht van 33 tot 16. [verzoeker] ondersteunde in de loop van 2013 voor de portefeuilles Sociale Zaken en Financiën de Kamerleden [vV] , [vD] (hierna: [vD] ) en [dG] (hierna: [dG] ).

2.5

Op 3 december 2013 heeft [verzoeker] zich ziek gemeld omdat hij een te hoge werkdruk ervoer. In een - ongedateerde - notitie van zijn hand heeft [verzoeker] geanalyseerd wat in zijn visie de oorzaken zijn van zijn overbelasting. [verzoeker] heeft geconcludeerd dat hij is vastgelopen doordat hij inmiddels wordt ingezet ter ondersteuning van verschillende Kamerleden en door hen van hem te veel gevraagd wordt.

2.6

Op 19 december 2013 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoeker] en [FT] . In dit gesprek is afgesproken dat [FT] de Kamerleden [vD] en [dG] zou vragen om hun verwachtingen van [verzoeker] duidelijk aan hem aan te geven en dat [verzoeker] zelf prioriteiten zou bespreken met beide Kamerleden zodra werkzaamheden in de knel dreigden te komen.

2.7

Blijkens de “Probleemanalyse en advies” van de bedrijfsarts [BH] , verbonden aan Arboned B.V., van 30 december 2013 was [verzoeker] vanaf 23 december 2013 niet meer arbeidsongeschikt voor zijn eigen werk. De bedrijfsarts geeft aan dat de werkdruk volgens [verzoeker] de laatste tijd erg hoog is geweest.

2.8

Na de “minder-minder-minder” - uitspraken van de PVV-fractievoorzitter in maart 2014 zijn onder meer [vV] en [functie] [vK] (hierna: [vK] ) opgestapt. Per e-mail van 28 maart 2014 heeft [verzoeker] aan Kamerlid [vD] voorgesteld om het begrotingsdeel (het rekenwerk), een taak die de inmiddels vertrokken [vK] tot dan toe had uitgevoerd, over te nemen.

2.9

Begin oktober 2014 heeft [verzoeker] contact gezocht met mevrouw [RK] , destijds [functie] van de PVV-fractie. Mevrouw [RK] heeft tussen partijen bemiddeld en bewerkstelligd dat [verzoeker] vanaf oktober 2014 niet langer belast was met de portefeuille Sociale Zaken en uitsluitend werkzaamheden zou verrichten voor [vD] op het gebied van financiën en belastingen.

2.10

Op of omstreeks 12 december 2014 heeft [verzoeker] zich teruggetrokken als [functie] en zijn (vrijwillige) werkzaamheden als [functie] voor de PVV in Zeeland beëindigd.

2.11

In 2015 heeft [verzoeker] op eigen initiatief een controllers-opleiding aan de Rijksacademie voor Financiën, Economie en Bedrijfsvoering voltooid. Deze opleiding heeft een studiebelasting van circa 330 uur met een doorlooptijd van ongeveer zes maanden. De helft van de kosten van deze opleiding is door de Stichting vergoed.

2.12

Per e-mail van 13 september 2016 15:50 uur heeft [FT] de fractiemedewerkers als volgt bericht: “Geheel ten overvloede herinner ik iedereen eraan dat alle collega’s beschikbaar en op de fractie moeten zijn t/m de Algemene Politieke Beschouwingen.”

2.13

Per e-mail van 14 september 2016 14:24 uur heeft [FT] de fractiemedewerkers als volgt bericht: “Aanvulling: donderdag, vrijdag en maandag graag tot 18:00 uur op de fractie aanwezig zijn.”

2.14

Per e-mail van 14 september 2016 16:23 uur heeft [FT] de fractiemedewerkers als volgt bericht: “Ondanks eerdere berichten aan de medewerkers over de inzet in deze drukke periode voor de APB, moeten we constateren dat nog lang niet iedereen doordrongen is van de urgentie. Zo wordt dat door het fractiebestuur en door Kamerleden ervaren. Een aantal medewerkers werkt keihard, tot in de late uurtjes, maar zij kunnen het werk niet aan. Er moet zoveel worden uitgezocht, de cijfers moeten tot op twee decimalen kloppen, de nood is hoog, maar een aantal medewerkers laat het erbij zitten. Dat kan echt niet, zeker in deze spannende periode, vlak voor de APB, het belangrijkste debat van het jaar. Wij verwachten zonder uitzondering dat daar iedereen zijn/haar bijdrage aan levert, gevraagd en ongevraagd.

Dus zoek uit wat in jouw portefeuille(s) van belang kan zijn voor de APB en ga ermee aan de slag. Wees actief en proactief! Succes allemaal!”

2.15

Tijdens een beoordelingsgesprek op 5 december 2016 heeft [verzoeker] aan [FT] en [vD] medegedeeld dat hij per direct zijn werkzaamheden beëindigde en dat hij een ontbindingsverzoek bij de kantonrechter had ingediend.

3 Het verzoek en verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt de kantonrechter om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de arbeidsovereenkomst met de Stichting te ontbinden op grond van artikel 7:671c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW);

II. de Stichting te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van:

a. een billijke vergoeding ter hoogte van € 209.400,- bruto;

b. een transitievergoeding ter hoogte van € 12.564,- bruto;

c. eventueel achterstallig salaris, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, vergoeding van niet genoten vakantiedagen en vakantiebijslag over de periode tot het einde van het dienstverband tussen partijen;

d. de wettelijke rente over de onder a, b en c vermelde bedragen;

III. de Stichting te veroordelen tot afgifte aan [verzoeker] van een schriftelijke en deugdelijke bruto-nettospecificatie van de onder a, b en c vermelde bedragen, op straffe van verbeurte van dwangsommen;

één en ander met veroordeling van de Stichting in de kosten van de procedure, inclusief nakosten.

3.2

Bij zijn aangevulde verzoekschrift heeft [verzoeker] verzocht om de Stichting tevens te veroordelen tot betaling van:

f. de vaste reiskostenvergoeding ad € 666,67 per maand;

g. de onbetaalde pensioenpremies van september 2010 tot en met medio 2012 toen er pas een pensioenregeling van kracht werd;

h. de wettelijke rente over de onder f en g vermelde bedragen.

3.2.

Aan dit verzoek legt [verzoeker] ten grondslag dat sprake is van – kort gezegd – omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, bestaande uit ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de Stichting. Ter onderbouwing daarvan heeft [verzoeker] het volgende naar voren gebracht.

3.3

[verzoeker] ervaart sinds 2012 een extreme werkdruk en er is sprake van een verstoorde verhouding met het Kamerlid [vD] . [vD] beschikt over onvoldoende kennis en inzicht op het gebied van zijn portefeuille belastingwetgeving en financiën en er valt niet met hem te communiceren. [verzoeker] heeft tevergeefs getracht om voor deze problemen in overleg met de Stichting tot een oplossing te komen. [verzoeker] heeft geen gehoor gevonden voor zijn problemen en voelt zich als een hond behandeld door de Stichting. Als gevolg van de problematische werkverhoudingen gebruikt [verzoeker] op dit moment een antidepressivum en acht zich situatief arbeidsongeschikt. [verzoeker] verwacht niet meer aan het werk te komen doordat aan hem door de uitlatingen van de fractievoorzitter van de PVV een “PVV-stigma” kleeft. [verzoeker] stelt dat gezien het vorenstaande sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de Stichting en maakt daarom aanspraak op een billijke vergoeding van € 209.400,- bruto. [verzoeker] heeft het verzochte bedrag gebaseerd op het inkomensverlies dat hij verwacht te zullen lijden gedurende de periode vanaf de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met de Stichting tot aan zijn pensionering.

3.4

De Stichting voert geen verweer tegen het ontbindingsverzoek maar stelt dat de overige verzoeken moeten worden afgewezen. De Stichting betwist dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld of nagelaten en ziet geen grond voor toekenning van een billijke vergoeding. Bovendien wijst zij erop dat [verzoeker] de hoogte van het verzochte bedrag in het geheel niet heeft onderbouwd. De Stichting erkent dat de werkdruk hoog is maar van een buitensporige werklast is volgens haar geen sprake. De Arbeidsinspectie heeft dat ook niet geconstateerd. De Arbeidsinspectie is bij de Stichting langs geweest en heeft slechts een waarschuwing gegeven aan de Stichting wegens onvolkomenheden in de RI&E en het personeelshandboek. Bovendien is de werkdruk bespreekbaar. Iedere keer dat [verzoeker] de werkdruk aan de orde stelde, zijn ook daadwerkelijk maatregelen genomen ter beperking van zijn werkdruk. Sinds 2014 heeft [verzoeker] de werkdruk niet meer aan de orde gesteld. Tot eind 2014 was [verzoeker] naast zijn volledige baan bij de Stichting ook actief voor de Provinciale Statenfractie van de PVV in Zeeland. Op advies van de Stichting heeft [verzoeker] die werkzaamheden neergelegd om overbelasting te voorkomen. In 2015 heeft [verzoeker] naast zijn werkdruk een zware controllers-opleiding met succes voltooid. De Stichting was daarom in de veronderstelling dat het goed met hem ging. Dat [verzoeker] tijdens het functioneringsgesprek op 5 december 2016 te kennen gaf dat hij de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen, kwam voor de Stichting als een volkomen verrassing. Van ernstig verwijtbaar handelen van de Stichting in verband met de slechte verstandhouding tussen [verzoeker] en [vD] is evenmin sprake. Inzet op een andere portefeuille was niet mogelijk omdat alleen [verzoeker] deskundig was op het gebied van belastingwetgeving en financiën. De Stichting betwist dat [verzoeker] geen goede kansen zou hebben op de arbeidsmarkt gezien zijn goede opleiding en ruime werkervaring. Voor zover al van een “PVV-stigma” sprake is, valt niet in te zien hoe dat zich vertaalt in een ernstig verwijt te maken aan de Stichting. De Stichting biedt aan om een positief getuigschrift te verstrekken. Ook biedt de Stichting aan - onverplicht – om de transitievergoeding te betalen. Van achterstallig salaris is geen sprake, de Stichting heeft het salaris over de periode tot en met 5 december 2016 reeds aan [verzoeker] voldaan. Over de periode na 5 december 2016 tot einde dienstverband heeft [verzoeker] geen aanspraak op doorbetaling van salaris en reiskostenvergoeding. Na einde dienstverband zal de Stichting een eindafrekening opmaken en de opgebouwde vakantietoeslag en vergoeding van niet-genoten vakantiedagen uitbetalen. In de periode van september 2010 tot en met medio 2012 gold bij de Stichting geen pensioenregeling en er bestaat geen verplichting om die met terugwerkende kracht in te voeren.

4 Het zelfstandig verzoek en verweer

4.1

De Stichting verzoekt voorwaardelijk, uitsluitend voor het geval [verzoeker] zijn verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst intrekt, om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden op grond van artikel 7:669 lid 3, onderdeel e, g of h BW per de vroegst mogelijke datum en daarbij te bepalen dat [verzoeker] geen recht heeft op een transitievergoeding, althans subsidiair, indien de kantonrechter oordeelt dat geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid, de arbeidsovereenkomst te ontbinden met inachtneming van de opzegtermijn onder aftrek van het tijdsverloop van deze procedure.

4.2

Zij voert daartoe – samengevat – het volgende aan. [verzoeker] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld dan wel de arbeidsverhouding is inmiddels ernstig verstoord, zodanig dat van de Stichting niet kan worden gevergd om de arbeidsovereenkomst voort te laten duren. [verzoeker] heeft zonder enige waarschuwing of zelfs maar poging tot overleg over een minnelijke oplossing het werk van het ene op het andere moment neergelegd en een ontbindingsverzoek ingediend met daarin vele - ernstige en ongegronde - verwijten aan het adres van zijn werkgever en diverse daarmee verbonden personen. Bij deze stand van zaken kan van de Stichting niet worden gevergd dat zij het dienstverband laat voortduren dan wel probeert de verhoudingen te herstellen door middel van mediation. Herstel van vertrouwen of van de verhoudingen is uitgesloten. Herplaatsing is geen reële of redelijke optie. De Stichting meent primair dat [verzoeker] onder de geschetste omstandigheden een ernstig verwijt kan worden gemaakt wanneer hij zijn verzoek intrekt kennelijk omdat geen of naar zijn zin een te beperkte vergoeding wordt toegekend. Daarom dient in dat geval de arbeidsovereenkomst per de vroegst mogelijke datum te worden ontbonden met toepassing van artikel 7:671b lid 8 sub b BW, dus zonder inachtneming van de opzegtermijn, waarbij [verzoeker] geen aanspraak kan maken op de transitievergoeding. Subsidiair, voor het geval de kantonrechter van oordeel is dat geen sprake is van ernstige verwijtbaarheid aan de zijde van [verzoeker] , stelt de Stichting dat de opzegtermijn voor de Stichting twee maanden bedraagt en dat de arbeidsovereenkomst voorwaardelijk dient te worden ontbonden per uiterlijk 1 maart 2017.

4.3

[verzoeker] voert geen verweer tegen het zelfstandig verzoek van de Stichting.

5 De beoordeling van het verzoek

Ontbinding van de arbeidsovereenkomst

5.1

Partijen zijn het erover eens dat de verhouding tussen partijen ernstig en blijvend is verstoord en dat om die reden de arbeidsovereenkomst tussen partijen billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. De arbeidsovereenkomst zal derhalve per

15 februari 2017 worden ontbonden.

Billijke vergoeding

5.2

De kantonrechter ziet geen aanleiding om aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe te kennen. Gelet op artikel 7:671c lid 2 aanhef en sub b BW is voor toekenning van een billijke vergoeding alleen plaats indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van een werkgever zich slechts zal voordoen in uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat, of als een werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren (zie: Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr. 3, pag. 34). Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Daarover wordt het volgende overwogen.

Werkdruk

5.3

De Stichting heeft gemotiveerd betwist dat zij [verzoeker] heeft blootgesteld aan een extreme werkdruk en daar ondanks zijn pogingen om dit bespreekbaar te maken niets aan veranderd heeft. De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] in het licht van het gemotiveerde verweer van de Stichting zijn betreffende stellingen onvoldoende nader heeft onderbouwd. Ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de Stichting kan daarom in dit verband niet worden aangenomen. De Stichting heeft beide keren waarvan tussen partijen vaststaat dat [verzoeker] de werkdruk aan de orde heeft gesteld, in december 2013 en oktober 2014, maatregelen genomen om de werkdruk voor [verzoeker] te verlichten, al zijn de genomen maatregelen volgens [verzoeker] niet afdoende geweest. Uit niets blijkt dat [verzoeker] nadien in de periode tot 5 december 2016, de datum waarop hij zijn werkzaamheden voor de Stichting feitelijk heeft beëindigd en het onderhavig verzoek heeft ingediend, de werkdruk nog aan de orde heeft gesteld. [verzoeker] heeft zich in die periode niet ziek gemeld wegens overbelasting noch hierover contact opgenomen met bijvoorbeeld de vertrouwenspersoon, de arbodienst of de Arbeidsinspectie. Bovendien verrichtte [verzoeker] kennelijk zonder problemen naast zijn werk voor de Stichting tot eind 2014 op vrijwillige basis nevenwerkzaamheden voor de PVV-fractie in de Provinciale Staten in Zeeland en rondde hij in 2015 nog een zware controllers-opleiding af. De kantonrechter is met de Stichting van oordeel dat dit er niet bepaald op duidt dat [verzoeker] in zijn functie bij de Stichting overbelast was. De door [verzoeker] overgelegde verklaringen van [vV] , [vK] en [MW] leiden niet tot een andere conclusie. Dat de werkdruk hoog was en is, staat op zichzelf immers niet ter discussie tussen partijen. De kantonrechter is verder van oordeel dat in het algemeen van een fractiemedewerker verwacht mag worden dat hij of zij ook buiten kantooruren en incidenteel zelfs ’s avonds laat of ’s nachts beschikbaar is, zeker als in de Tweede Kamer belangrijke debatten worden gevoerd. Dat [FT] de medewerkers in september 2016 opriep aanwezig te zijn en zich in te zetten voor de Algemene Politieke Beschouwingen, acht de kantonrechter dan ook geen voorbeeld van ernstig verwijtbaar handelen van de Stichting. Naast dergelijke periodes van piekbelasting zijn er immers ook rustiger periodes voor fractiemedewerkers, bijvoorbeeld tijdens de recessen van de Tweede Kamer.

Samenwerking met [vD]

5.4

De kantonrechter is met de Stichting van oordeel dat de gestelde, problematische verhouding tussen [verzoeker] en [vD] evenmin ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de Stichting oplevert. Daargelaten of het [vD] inderdaad ontbreekt aan voldoende kennis en inzicht op het gebied van belastingwetgeving en financiën en aan communicatieve vaardigheden zoals [verzoeker] heeft gesteld, moet worden vastgesteld dat hij nu eenmaal Kamerlid voor de PVV is en door de Stichting dient te worden ondersteund bij zijn werkzaamheden. De Stichting heeft onweersproken gesteld dat er geen mogelijkheid was om [verzoeker] voor een ander Kamerlid in te zetten aangezien zijn expertise op het gebied van belastingwetgeving en financiën ligt, de portefeuille van [vD] .

PVV-stigma

5.5

Ten slotte heeft de Stichting gemotiveerd betwist dat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld omdat [verzoeker] thans behept is met een “PVV-stigma” en weinig kans maakt op het vinden van een nieuwe, volwaardige baan. De kantonrechter overweegt dat de billijke vergoeding uitsluitend in relatie staat tot het verwijtbaar handelen dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft, zodat ander verwijtbaar handelen daarin niet, althans niet zonder meer, wordt betrokken. Het gestelde “PVV-stigma”, wat daar ook van zij, vormt voor [verzoeker] niet de aanleiding voor zijn verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Derhalve is het gestelde “PVV-stigma” geen grond om aan [verzoeker] een billijke vergoeding toe te kennen. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat, voor zover [verzoeker] op goede gronden vreest dat hij door het “PVV-stigma” niet meer aan ander werk komt, de transitievergoeding die de Stichting heeft aangeboden in de financiële gevolgen daarvan voorziet, vergelijk hierna onder 5.7.

5.6

Nu aan de ontbinding niet de door [verzoeker] gevraagde vergoeding wordt verbonden, zal [verzoeker] tot en met 13 februari 2017 de gelegenheid krijgen om zijn verzoek in te trekken.

Transitievergoeding

5.7

[verzoeker] heeft verzocht om toekenning van een transitievergoeding ter hoogte van

€ 12.564,- bruto. De Stichting heeft zich onweersproken op het standpunt gesteld dat de hoogte van de transitievergoeding, uitgaande van ontbinding van de arbeidsovereenkomst medio februari 2017, € 11.633,33 bruto bedraagt en heeft ter onderbouwing daarvan een berekening overgelegd. De Stichting heeft zich bereid verklaard om, hoewel zij daartoe niet gehouden is, aan [verzoeker] dit bedrag te voldoen. De kantonrechter overweegt dat gelet op wat hiervoor onder 5.2 tot en met 5.7 is overwogen, de Stichting aan [verzoeker] ingevolge het bepaalde in artikel 7:673 lid 1, aanhef en sub b, 2° BW geen transitievergoeding verschuldigd is omdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de Stichting wordt ontbonden. De Stichting zal echter conform haar aanbod worden veroordeeld tot betaling aan [verzoeker] van de transitievergoeding van € 11.633,33 bruto, voor het geval dat [verzoeker] zijn ontbindingsverzoek niet intrekt.

Eventueel achterstallig salaris

5.8

Tussen partijen staat vast dat de Stichting het salaris over de periode tot en met de laatste werkdag van [verzoeker] , dat is 5 december 2016, heeft uitbetaald. Niet gesteld of gebleken is dat van enig achterstallig salaris sprake is. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.

Vergoeding van niet genoten vakantiedagen en vakantiebijslag

5.9

Na de ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal de Stichting een en ander aan [verzoeker] hebben te voldoen en zij heeft zich daartoe ook bereid verklaard. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] onvoldoende belang als bedoeld in artikel 3:303 BW bij dit verzoek. Dit verzoek zal daarom ook worden afgewezen.

Reiskostenvergoeding

5.10

De Stichting heeft onweersproken aangevoerd dat [verzoeker] sinds 5 december 2016 niet meer ten behoeve van werkzaamheden voor de Stichting reist. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] om die reden geen aanspraak op reiskostenvergoeding over de periode na 5 december 2016 en zal ook dit verzoek daarom worden afgewezen.

Onbetaalde pensioenpremies september 2010 tot en met medio 2012

5.11

De Stichting heeft onweersproken aangevoerd dat in de betreffende periode geen pensioenregeling bestond bij de Stichting. [verzoeker] heeft zijn verzoek niet nader toegelicht. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoeker] geen aanspraak op uitbetaling van pensioenpremies over de betreffende periode en dient ook dit verzoek daarom te worden afgewezen.

5.12

De kantonrechter ziet aanleiding om te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt, behoudens voor het geval dat [verzoeker] gebruik maakt van de mogelijkheid om zijn verzoek in te trekken. Voor dat geval wordt [verzoeker] veroordeeld in de kosten van de procedure.

6 De beoordeling van het zelfstandig verzoek

6.1

[verzoeker] heeft geen verweer gevoerd tegen het zelfstandig verzoek van de Stichting en partijen zijn het er over eens dat de verhouding tussen partijen ernstig en blijvend is verstoord, dat herplaatsing geen reële optie is en dat om die reden de arbeidsovereenkomst tussen partijen billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. De door de Stichting in dat verband naar voren gebrachte feiten en omstandigheden leveren een redelijke grond voor ontbinding op, zoals bedoeld in artikel 7:669 lid 3, onderdeel g, BW. De kantonrechter is verder van oordeel dat herplaatsing van [verzoeker] binnen een redelijke termijn niet in de rede ligt.

6.2

De conclusie is dat de kantonrechter het verzoek van de Stichting zal toewijzen voor het geval [verzoeker] zijn verzoek intrekt en dat de arbeidsovereenkomst met toepassing van artikel 7:671b lid 8, onderdeel b, BW zal worden ontbonden met ingang van 15 februari 2017. De kantonrechter is van oordeel dat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in dat geval het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verzoeker] , dat er uit bestaat dat hij de Stichting niet-onderbouwde, ernstige verwijten heeft gemaakt, zonder poging tot overleg of het bereiken van een minnelijke oplossing direct een ontbindingsprocedure is gestart en vervolgens zijn verzoek intrekt uitsluitend omdat de kantonrechter voornemens is de arbeidsovereenkomst te ontbinden zonder daaraan de door [verzoeker] verzochte vergoeding te verbinden. Daarom ziet de kantonrechter aanleiding om het einde van de arbeidsovereenkomst bepalen op een eerder tijdstip dan met inachtneming van de geldende opzegtermijn. Bovendien zal de kantonrechter voor dat geval bepalen dat [verzoeker] geen recht heeft jegens de Stichting op een transitievergoeding.

6.3

De kantonrechter ziet aanleiding om te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

De kantonrechter:

In de zaak van het verzoek:

- bepaalt dat de termijn, waarbinnen [verzoeker] het verzoek kan intrekken (door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij), zal lopen tot en met

13 februari 2017, waarbij de datum en het tijdstip van ontvangst van die mededeling door de griffier beslissend zal zijn;

Voor het geval [verzoeker] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 februari 2017;

- veroordeelt de Stichting om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van

€ 11.633,33 bruto;

- wijst af wat meer of anders is verzocht;

- bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

Voor het geval [verzoeker] het verzoek binnen die termijn intrekt:

- veroordeelt [verzoeker] tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de Stichting tot en met vandaag vaststelt op € 800,- als salaris gemachtigde;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

In de zaak van het zelfstandig verzoek:

- ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 15 februari 2017 voor het geval [verzoeker] zijn verzoek tijdig intrekt;

- bepaalt dat [verzoeker] geen recht heeft jegens de Stichting op een transitievergoeding;

- bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J. Verbeek, kantonrechter en op 8 februari 2017 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.