Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:1032

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-01-2017
Datum publicatie
07-02-2017
Zaaknummer
C-09-523181 FA RK 16-9339
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Vader verzoekt teruggeleiding van minderjarige naar Tsjechië. Verschil van mening over gewone verblijfplaats en gezag. Rechtbank is van oordeel dat Tsjechië gewone verblijfplaats was en dat sprake is van gezamenlijk gezag. Verzoek tot teruggeleiding afgewezen op grond van artikel 13 lid 1 sub b HKOV. Voldoende aannemelijk dat moeder ernstig is mishandeld door vader, terwijl minderjarige in de woning aanwezig was. Verder staat vast dat vader grote hoeveelheid WhatsApp-berichten aan moeder en haar familie heeft gestuurd, waarvan de inhoud bijzonder ernstig en bedreigend is. Moeder heeft geen sociaal netwerk in Tsjechië en is volledig afhankelijk van de vader. Van haar kan niet gevergd worden dat ze met minderjarige naar Tsjechië terugkeert. Contact tussen moeder en minderjarige zal gelet op veiligheid moeder niet mogelijk zijn. De kans is groot dat minderjarige van moeder gescheiden zal zijn. Terugkeer naar Tsjechië zal minderjarige in ondragelijke toestand brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 16-9339

Zaaknummer: C/09/523181

Datum beschikking: 31 januari 2017

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 8 december 2016 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,

wonende te [woonplaats vader] (Tsjechië),

advocaat: mr. E.J. Kim-Meijer te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,

verblijvende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen te Utrecht.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het verweerschrift;

  • -

    de brief d.d. 16 januari 2017, met bijlagen, van de zijde van de vader;

  • -

    de brief d.d. 16 januari 2017, met bijlagen, van de zijde van de moeder;

  • -

    de brief d.d. 17 januari 2017, met bijlagen, van de zijde van de moeder.

Op 22 december 2016 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Engelse taal, mevrouw [naam] , alsmede de advocaat van de moeder. Het betrof hier een regiezitting met als behandelend rechter, tevens kinderrechter, mr. J. Visser. De behandeling ter terechtzitting is aangehouden.

Op 17 januari 2017 is de behandeling ter terechtzitting van de meervoudige kamer voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk in de Engelse taal, mevrouw [naam] , alsmede de advocaat van de moeder.

Van de zijde van de vader is een pleitnota overgelegd.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van na te melden minderjarige te bevelen, althans de terugkeer van de minderjarige vóór 29 december 2016 te bevelen, althans vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum te bevelen, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar [woonplaats vader] (Tsjechië), dan wel – indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen – te bepalen dat de moeder de minderjarige op uiterlijk op 29 december 2016 om 11.00 uur bij de Raad voor de Kinderbescherming te Arnhem met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat hij de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar [woonplaats vader] (Tsjechië), met veroordeling van de moeder in de kosten die de vader heeft moeten maken in verband met de ontvoering en teruggeleiding, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de vader, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Zij heeft verzocht de vader te veroordelen in de kosten van de procedure.

Feiten

- Uit een relatie tussen partijen is geboren het volgende thans nog minderjarige kind:

o [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Egypte (hierna ook: [de minderjarige] ).

- De Egyptische geboorteakte betreffende [de minderjarige] vermeldt de vader en de moeder als haar ouders.

- De vader is gehuwd met [naam echtgenote vader] met wie hij vijf kinderen heeft.

- Een proces-verbaal van uitzetting uit de woning d.d. 14 september 2016 opgesteld door de politie van de Tsjechische Republiek, districtsdirectoraat Politie Praag III, vermeldt het volgende:

“op 14 september 2016 om 4:30 uur heeft een politieambtenaar (..) uitgezet (..) [de vader] (..) uit de gezamenlijke woning (..) die hij bewoonde met de bedreigde persoon [de moeder] (..) alsook uit de directe omgeving (..) voor een periode van 10 dagen. Aantal minderjarige personen die in de gezamenlijke woning woont: 1

[de minderjarige] ,

Gronden voor de uitzetting:

Op 13 september 2016 in het tijdvak tussen 22:20 uur tot 22:40 uur heeft [de vader] met een niet nader gespecificeerde wijze op het adres (..) zijn partner [de moeder] (…) aangevalt; hij heeft grote blauwe plekken op haar dijen veroorzaakt. Het slachtoffer ontkent een seksuele ondertoon. Vervolgens heeft hij haar in sms-berichten grof uitgescholden en bedreigd (..) en het slachtoffer begon om haar leven te vrezen. Het slachtoffer geeft aan dat het de eerste keer was dat het tot een fysieke aanval is gekomen, maar uit haar gedrag was ter plekke duidelijk dat zij voor de uitgezette persoon heel erg bang was. In Tsjechië kent zij niemand en kan zij nergens naar toe gaan, in de woning wonen zij samen met de dochter van 2,5 jaar die tijdens het incident sliep. Gezien het feit dat er nu bezorgdheid bestaat dat de verdachte een gevaarlijke aanval op het leven, gezondheid of vrijheid zal plegen of een zeer ernstige aanslag op de menselijke waardigheid is als voorzorgmaatregel de uitzetting gebruikt (..)”

- De moeder is op 14 september 2016 met de minderjarige naar Nederland vertrokken.

- De vader heeft de Egyptische nationaliteit, de moeder heeft de Nederlandse en de Egyptische nationaliteit en [de minderjarige] heeft zowel de Nederlandse als de Egyptische nationaliteit.

- De vader heeft zich op 22 september 2016 gewend tot de Centrale autoriteit in Tsjechië. De Nederlandse Centrale autoriteit (CA) heeft op 13 oktober 2016 het verzoek tot teruggeleiding van de Tsjechische Centrale autoriteit ontvangen. De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. 160082.

- Een brief van [naam] , huisarts, van 6 januari 2017 vermeldt over [de moeder] en haar dochter [de minderjarige] het volgende:

“(..) Zoals u in de uitgebreide brief van mevrouw [de moeder] hebt kunnen lezen, is zij naar eigen zeggen in een zeer gewelddadig huwelijk beland. Na terugkomst uit [woonplaats vader] zag ik haar op mijn spreekuur. Dat was een aantal weken na het laatste forse trauma/escalatie tussen haar man en haar. Ik kon op dat moment nog steeds forse sporen op haar lijf zien in de vorm van grote (oude) blauwe plekken.

Vanwege haar verhaal en de lijfelijke sporen die ik kon vaststellen ben ik geneigd haar te geloven en maak ik me ernstig zorgen om de veiligheid van mw. [de moeder] en haar dochter (..)”

Beoordeling

Het verzoek van de vader is gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland en Tsjechië zijn partij bij het Verdrag.

Het Verdrag heeft – voor zover hier van belang – tot doel de onmiddellijke terugkeer te verzekeren van kinderen die ongeoorloofd zijn overgebracht naar of worden vastgehouden in een Verdragsluitende staat. Het Verdrag beoogt hiermee een zo snel mogelijk herstel van de situatie waarin het kind zich bevond direct voorafgaand aan de ontvoering of vasthouding. Een snel herstel van de aan de ontvoering of vasthouding voorafgaande situatie wordt geacht de schadelijke gevolgen hiervan voor het kind te beperken.

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Gewone verblijfplaats

Partijen verschillen van mening over de vraag wat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] was onmiddellijk voor haar overbrenging op 14 september 2016 naar Nederland.

Volgens de vader is de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Tsjechië en volgens de moeder is de gewone verblijfplaats nog steeds in Egypte.

De man stelt dat hij met de vrouw en [de minderjarige] in oktober 2015 van Egypte naar Tsjechië is verhuisd in verband met de economische crisis in Egypte. Zijn echtgenote [naam echtgenote vader] en hun vijf kinderen woonden al in [woonplaats vader] in een appartement vlakbij dat van de moeder en [de minderjarige] . De kinderen van de man zijn allen heel close met elkaar en de twee gezinnen woonden genoegzaam in de buurt van elkaar. De man bracht tijd bij beide gezinnen door. [de minderjarige] ging naar het consultatiebureau in [plaatsnaam] , de moeder bezocht artsen/fysiotherapie in [woonplaats vader] en zij hadden vrienden die hun in [woonplaats vader] bezochten.

De vrouw bestrijdt dit en voert aan dat de man naar [woonplaats vader] (Tsjechië) is gevlucht met een boot via Cyprus om strafvervolging te ontlopen, nadat hij in Egypte op borgtocht was vrijgelaten. Van geografische en familiale worteling in Tsjechië is nooit sprake geweest. De vrouw en [de minderjarige] hadden geen sociale contacten en [de minderjarige] was nog te jong voor school. Zij woonden met z’n tweeën in het appartement en de man kwam af en toe langs als hij een ‘pleziertje’ wilde.

De rechtbank stelt voorop dat het begrip ‘gewone verblijfplaats van het kind’ als bedoeld in artikel 3, eerste lid onder a, van het Verdrag een feitelijk begrip is waaraan inhoud wordt gegeven door de feiten en omstandigheden van het concrete geval. Daarbij gaat het, kort gezegd, om de plaats waarmee het kind onmiddellijk voorafgaande aan zijn overbrenging of achterhouding maatschappelijk de nauwste bindingen heeft. Tot de voor de bepaling van de gewone verblijfplaats van het kind in aanmerking te nemen factoren kunnen, naast fysieke aanwezigheid van het kind in een staat, in het bijzonder worden gerekend omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat deze aanwezigheid niet tijdelijk of toevallig is en dat de verblijfplaats van het kind een zekere integratie in een sociale en familiale omgeving tot uitdrukking brengt. Daarbij moet onder meer rekening worden gehouden met de duur, de regelmatigheid, de omstandigheden en de redenen van het verblijf op het grondgebied van die staat en van de verhuizing van het gezin naar die staat, de nationaliteit van het kind, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het naar school gaat, de talenkennis en de familiale en sociale banden van het kind in die staat. Ook de leeftijd van het kind en zijn sociale en familiale omgeving zijn van wezenlijk belang voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats. Doorgaans is de omgeving van een jong kind, zoals [de minderjarige] , in wezen de familiale omgeving en daarvoor is (of zijn) de persoon (of personen) bij wie het kind woont en die daadwerkelijk gezag over het kind uitoefenen en voor het kind zorgen, bepalend.

De rechtbank betrekt in haar beoordeling dat vast staat dat de moeder met [de minderjarige] in oktober 2015 vanuit Egypte naar [woonplaats vader] is verhuisd. Niet gesteld of gebleken is dat deze verhuizing slechts van tijdelijke duur is geweest en dat partijen de bedoeling hadden (op korte termijn) weer naar Egypte terug te keren. Volgens de stellingen van de moeder zelf was dit ook niet aan de orde omdat de vader niet naar Egypte kon terugkeren. Ook de omstandigheid dat de moeder met [de minderjarige] over vaste woonruimte in [woonplaats vader] beschikte waarvoor een huurovereenkomst voor langere termijn was afgesloten, duidt op een bestendig verblijf in [woonplaats vader] . Voorts woont de eerste echtgenote van de vader met hun vijf kinderen in [woonplaats vader] en niet bestreden is dat [de minderjarige] regelmatig contact had met haar halfzussen en broers, van welk contact de vader foto’s heeft overgelegd.

Niet relevant is dat de moeder weinig sociale contacten in [woonplaats vader] onderhield, temeer niet nu de moeder ook in Egypte, naar zij zelf schrijft in haar verslag, evenmin veel sociale contacten had.

Het bovenstaande in ogenschouw nemend is de rechtbank van oordeel dat de sociale en familiale omgeving van de moeder en daarmee van [de minderjarige] zich in Tsjechië bevond. De rechtbank stelt dan ook vast dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] tot 14 september 2016 in Tsjechië was.

Gezag

Artikel 16 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (HKV), waarbij Tsjechië partij is, bepaalt dat de vraag wie belast is met het gezag over [de minderjarige] moet worden beantwoord aan de hand van het Tsjechisch recht.

De vader stelt zich op het standpunt met het gezag over [de minderjarige] te zijn belast omdat hij ten tijde van de geboorte van [de minderjarige] met de moeder was gehuwd, wat de moeder bestrijdt.

De vader heeft, hoewel daarom verzocht, geen vertaalde huwelijkse akte in het geding gebracht, noch een vertaalde echtscheidingsakte, zodat de rechtbank niet kan vaststellen dat partijen daadwerkelijk gehuwd zijn geweest.

Indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat de ouders niet met elkaar in Egypte gehuwd zijn geweest en de moeder alleen met het gezag over [de minderjarige] was belast, dan geldt dat de vader door de verhuizing van partijen naar Tsjechië alsnog het gezag over [de minderjarige] heeft gekregen. Krachtens §779 van het Nieuw Tsjechisch Burgerlijk Wetboek (NTBW) is de vader van het kind ook de man die het kind met toestemming van de vrouw heeft erkend. Uit de overgelegde geboorteakte van [de minderjarige] leidt de rechtbank af dat van een erkenning sprake is geweest. Uit §865 NTBW in samenhang met §876 e.v. NTBW volgt voorts dat de ouders – ook als zij niet gehuwd zijn geweest – beiden met het gezag over hun kind zijn belast en dat beslissingen met betrekking tot het kind in gezamenlijkheid moeten worden genomen.

Bij deze stand van zaken behoeft de vraag of partijen met elkaar gehuwd zijn geweest geen verdere bespreking.

Nu niet in geschil is dat de moeder geen toestemming heeft gevraagd en de vader ook geen toestemming achteraf heeft gegeven voor de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland, is de overbrenging van haar naar Nederland geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader. Dit betekent dat de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12 lid 1 van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van [de minderjarige] naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of zij in Nederland is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van [de minderjarige] te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

De moeder heeft betoogd dat er sprake is van de weigeringsgronden, zoals bedoeld in artikel 13 lid 1 sub a en sub b van het Verdrag. De rechtbank overweegt als volgt.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag

Aan het betoog van de moeder dat de vader zijn gezagsrecht niet daadwerkelijk uitoefende gaat de rechtbank voorbij. In het licht van het verweer van de vader dat hij regelmatig contact had met [de minderjarige] en bij haar en de moeder verbleef, heeft de moeder haar stelling op dit punt onvoldoende onderbouwd. De terugkeer van [de minderjarige] kan dan niet op grond van artikel 13 lid 1 sub a van het Verdrag geweigerd worden. Dit is anders voor de door de moeder aangevoerde weigeringsgrond als bedoeld in sub b van deze bepaling.

Weigeringsgrond ex artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag

Op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag is de rechter van de aangezochte Staat niet gehouden de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet, aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het Verdrag brengen met zich dat deze weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd.

De moeder heeft aangevoerd dat de man buitensporig gewelddadig kan zijn en haar ernstig heeft mishandeld. Sinds zij met medeneming van [de minderjarige] de vader heeft verlaten heeft hij haar en haar familieleden ernstig bedreigd. Op 13 september 2016 heeft de vader de moeder (in Tsjechië) zeer ernstig en langdurig mishandeld en heeft de politie moeten ingrijpen. De vader heeft in [woonplaats vader] een huisverbod opgelegd gekregen en de vrouw heeft zowel in Nederland als in [woonplaats vader] aangifte tegen de man gedaan. De vrouw vreest niet alleen voor haar eigen veiligheid maar ook voor die van [de minderjarige] , nu de man zich, zo is gebleken, ook in haar bijzijn zo gewelddadig kan gedragen. Teruggeleiding van [de minderjarige] naar Tsjechië zal ertoe leiden dat zij in het gezin van de man en zijn echtgenote [naam echtgenote vader] zal opgroeien en, gelet op het gewelddadige karakter van de man, zal worden blootgesteld aan huiselijk geweld. De vrouw wijst voorts op het criminele verleden van de man, die Egypte is ontvlucht toen hij op borgsom vrijkwam.

De man betwist dat hij de vrouw heeft mishandeld. Hij wijst erop dat hij de vrouw op 13 september 2016 niet kan hebben mishandeld omdat hij toen aan de telefoon was met een zakenrelatie. De man verwijst in dit verband naar de specificatie van zijn telefoonabonnement. De man voerde op de avond van 13 september 2016 een zakelijk gesprek waarbij hij zijn stem heeft verheven. Hierop heeft een buurman op verzoek van de vrouw de politie gebeld en is het lawaai ten onrechte aangemerkt als huiselijk geweld. Zoals in Tsjechië gebruikelijk is, is vervolgens een huisverbod als preventieve maatregel opgelegd, waar de man zich ook aan heeft gehouden.

De man wijst erop dat het huiselijk geweld, zo dat al zou hebben plaatsgevonden, wat de man ten zeerste bestrijdt, geen gevaar voor [de minderjarige] betekent. De man zou zijn dochter nooit iets aandoen.

De rechtbank is van oordeel dat het voldoende aannemelijk is geworden dat de moeder ernstig is mishandeld door de vader tijdens haar verblijf met [de minderjarige] in [woonplaats vader] . De omstandigheid dat de vader op het in het proces-verbaal genoemde tijdstip van mishandeling telefonisch in gesprek is geweest sluit allerminst een mishandeling uit, zo die al werkelijk op dat tijdstip zou hebben plaatsgevonden, nu de moeder hier in haar aangifte anders over heeft verklaard. Voorts blijkt uit het proces-verbaal van uitzetting van de politie in [woonplaats vader] dat de vader de moeder heeft aangevallen, dat hij grote blauwe plekken op haar dijen heeft veroorzaakt en dat het uit het gedrag van de moeder ter plekke voor de politie duidelijk was dat zij voor hem heel erg bang was. Door de moeder zijn verder foto’s in het geding gebracht van een kapotte elektrische vliegenmepper met bloedsporen, die de aangifte van de moeder over de wijze waarop de vader haar heeft geslagen ondersteunt. Andere foto’s tonen fikse bloeduitstortingen en krassen op dijen, heupen, billen en armen van de moeder. De huisarts van de moeder in Nederland, bij wie de moeder – volgens de patiëntenkaart – op 22 september 2016 op consult is geweest, meldt dat zij nog steeds forse sporen op het lijf van de moeder heeft waargenomen in de vorm van grote (oude) blauwe plekken en dat zij zich ernstig zorgen maakt om de veiligheid van de moeder en haar dochter.

Voorts staat vast dat de vader een zeer grote hoeveelheid WhatsApp-berichten aan de moeder en haar familie heeft gestuurd waarvan een groot aantal een dreigend karakter heeft, zoals “I will burn you alive ya bent Elmitnakah”; “I will never give up ... scandals at the area of your house and restaurant will never stop … every week you will have to call the police till they will not react to your calls (..) Wallahi I will take her…by hook or crock I will take her (…) Not knowing her mother better than growing up with you and your family (..)”; “I will suck your blood with strew alive (…)” en “Do not be sure of yourself seems you underestimating me again”.

De inhoud van deze berichten is bijzonder ernstig en bedreigend, zelfs bezien vanuit het perspectief dat zij afkomstig zijn van een vader die plotseling wordt geconfronteerd met het gemis van zijn dochter.

De rechtbank is van oordeel dat wanneer een vader een moeder op zodanig ernstige wijze heeft mishandeld terwijl hun kind in de woning aanwezig was en haar nadien veelvuldig ernstig heeft bedreigd en nog steeds bedreigt, niet alleen voor de veiligheid van de moeder maar ook voor die van het kind moet worden gevreesd. Daarnaast staat vast dat de moeder in Tsjechië geen eigen sociaal netwerk heeft en volledig afhankelijk is van de vader. Tegen deze achtergrond kan van de moeder in redelijkheid niet verlangd worden dat zij met [de minderjarige] mee terugkeert naar Tsjechië en dat contact met [de minderjarige] gelet op de veiligheid van de moeder niet mogelijk zal zijn. Gelet hierop acht de rechtbank de kans groot dat een terugkeer van de [de minderjarige] naar Tsjechië ertoe zal leiden dat zij gescheiden zal worden van de moeder en bij de vader en zijn huidige echtgenote zal moeten wonen. Ook in dat opzicht is er sprake dat de terugkeer van [de minderjarige] naar Tsjechië haar in een ondragelijke toestand zal brengen als bedoeld in artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag.

Adequate voorzieningen in de zin van artikel 11 lid 4 Brussel II-bis

Ingevolge artikel 11 lid 4 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 (Brussel II-bis) dient de rechtbank vast te stellen of er adequate voorzieningen zijn getroffen om de bescherming van [de minderjarige] na terugkeer te verzekeren. Niet gebleken is dat in Tsjechië reeds enige kinderbeschermingsmaatregel is getroffen om de bescherming van [de minderjarige] na terugkeer te verzekeren. De vader stelt weliswaar dat hij in Tsjechië hulpverlening voor [de minderjarige] heeft ingeschakeld maar die hulpverlening ziet op haar plotselinge vertrek uit [woonplaats vader] . De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat niet vast staat dat er adequate voorzieningen zijn getroffen die de veiligheid van [de minderjarige] bij een terugkeer kunnen verzekeren.

Slotsom en proceskosten

Gelet op het bovenstaande zal de rechtbank de teruggeleiding van [de minderjarige] naar Tsjechië afwijzen.

De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd in die zin dat ieder de eigen kosten zal dragen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst af het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige [de minderjarige] [de vader] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Egypte).

naar Tsjechië;

compenseert de kosten van de procedure tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, M. van Paridon en J.C. Sluymer, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Pereira Horta-van Dijk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2017.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.