Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10290

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-09-2017
Datum publicatie
08-09-2017
Zaaknummer
NL17.6988
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt in dat het Upper Tribunal in de uitspraak van 28 juni 2017 (UKUT 263), waar eiser naar heeft verwezen, bij de beoordeling of sprake is van een 15c-situatie ook individuele factoren heeft betrokken. De rechtbank is van oordeel dat aan deze individuele factoren geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend in het kader van de beoordeling of er sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van Definitierichtlijn, nu met name in de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapende conflict zwaarwegende gronden kunnen bestaan om een zogenaamde 15c-situatie aan te nemen. Ook de omstandigheid dat het gewapende conflict in Libië wetteloosheid heeft veroorzaakt waarbij sprake is van een toename in het aantal slachtoffers van gewone criminaliteit en dat de autoriteiten niet in staat zijn hiertegen bescherming te bieden en de omstandigheid dat personen mogelijk als gevolg van de voortdurende gewapende strijd psychische schade hebben opgelopen, zonder dat een direct causaal verband kan worden gelegd met het geweld in het gewapende conflict, zijn geen omstandigheden die van belang zijn voor de vraag of er sprake is van een uitzonderlijke situatie. De rechtbank is dan van oordeel dat verweerder zich op de door hem gehanteerde cijfers heeft mogen baseren. Nu hieruit niet blijkt dat het aantal slachtoffers - in vergelijking met 2015 - in 2016 en in de eerste maanden van 2017 significant is gestegen, geven deze cijfers - afgezet tegen het aantal inwoners van Libië en in het bijzonder Tripoli - geen aanleiding om aan te nemen dat in Libië, en meer specifiek in Tripoli, sprake is van een uitzonderlijke situatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.6988


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 september 2017 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. M.E.M. Jacquemard),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.R.J. Maas).


Procesverloop


Bij besluit van 11 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen de heer A. Vawzy. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Libische nationaliteit. Hij is geboren op [1992] .

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser had het vanwege het feit dat hij tot de Touareg behoort in [woonplaats] moeilijk. Hij is vanwege de algehele situatie naar Tripoli vertrokken. In Tripoli is eiser vanwege zijn Touareg afkomst lastiggevallen door een groep mannen. Deze mannen wilden naast geld, informatie van eiser over het wegsmokkelen van de zoon van Gaddhafi. Eiser is na een laatste ontvoering het land uit gevlucht.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  1. de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, inclusief het behoren tot de Touareg en zijn islamitische religie;

  2. eisers verklaringen over zijn problemen in Tripoli;

  3. eisers verklaringen over niet te kunnen terugkeren naar Libië omdat hij elders asiel heeft aangevraagd en omdat hij als ongeschoolde in dienst zou moeten.

4. In het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de elementen onder 1) geloofwaardig geacht. Het element onder 2) heeft verweerder niet geloofwaardig geacht.

5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte eisers verklaringen over zijn problemen in Tripoli ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser betwist dat hij hierover tegenstrijdig heeft verklaard. Eiser werd niet vier keer ontvoerd en heeft zijn eerdere verklaringen hierover in de correcties en aanvullingen op het nader gehoor aangevuld. Eiser heeft geen opleiding genoten en kan niet lezen of schrijven. Voor hem is het moeilijk een en ander te verwoorden en chronologisch verslag te doen. Hij dacht dat hij de essentiële gebeurtenissen had genoemd. Bij het bespreken van het nader gehoor bleek dat, nadat eisers gemachtigde hem vroeg de afzonderlijke incidenten in Tripoli te beschrijven, er verkeerde conclusies in het nader gehoor terecht waren gekomen. Eiser kan geen documenten ter staving van zijn asielrelaas overleggen en acht dit een onredelijke eis. De mannen die hem lastigvielen, hebben geen document achter gelaten. Eiser is met valse papieren, onder een andere naam gevlucht en heeft daarom geen document(en) op zijn eigen naam meegenomen. Hij heeft verder niemand in Tripoli die hem documenten, zoals de vergunning van zijn winkel, kan toesturen. Eiser betwist ook dat zijn verklaringen vaag en summier zijn en stelt dat hij alles heeft verklaard wat hij weet.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte eisers verklaringen over de problemen in Tripoli ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft terecht vastgesteld dat eiser op verschillende onderdelen van zijn relaas tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Zo heeft eiser tijdens het nader gehoor verklaard dat hij in Tripoli een klein winkeltje had geopend, waarna hij daar problemen met de ‘locals’ kreeg. Eiser verklaarde dat hij tussen maart 2017 en 3 juni 2017 vier keer in zijn winkel is lastig gevallen door een groep mannen. Eiser verklaarde tijdens het nader gehoor dat deze mannen geld van hem wilden en informatie over de verdwijning van Ghaddafi’s zoon en dat zij hem ontvoerden en mishandelden. Op de eerste vraag of elke keer dat eiser werd lastig gevallen het een winkelbezoek, een ontvoering en een mishandeling betrof, heeft eiser blijkens het rapport nader gehoor met “ja” geantwoord (pagina 13). Eiser is vervolgens gevraagd hoe de eerste keer dat hij werd lastig gevallen is verlopen, waarop eiser verklaarde over mishandeling, ontvoering en dat hij werd achtergelaten. In die context is eiser gevraagd of de overige keren dat hij was lastig gevallen op een vergelijkbare manier verliepen, waarop eiser opnieuw bevestigend heeft geantwoord (pagina 14). Verweerder heeft bovendien terecht vastgesteld dat eiser deze expliciete bevestiging als zodanig niet heeft gewijzigd in de correcties en aanvullingen van 8 augustus 2017. In die correcties en aanvullingen heeft eiser zijn verklaring in die zin gewijzigd dat hij thans stelt dat de vier bezoeken niet op dezelfde manier zijn verlopen. Hij is niet vier keer ontvoerd en vrijgelaten. Evenmin is hij vier keer ondervraagd over de ontsnapping van Gaddafi’s zoon noch is er vier keer geld meegenomen. Bij het tweede bezoek van de mannen is alleen de winkel doorzocht en de derde keer is eiser weer geslagen, terwijl de vierde keer de winkel werd doorzocht en eiser opnieuw werd geslagen en meegenomen. De rechtbank stelt vast dat eiser daarmee zijn verklaring op wezenlijke punten heeft gewijzigd. Verweerder heeft terecht geconstateerd dat eiser hiervoor in zijn correcties en aanvullingen van 8 augustus 2017 geen verklaring heeft gegeven. In zijn zienswijze heeft eiser als verklaring voor deze wijziging gegeven dat hij geen opleiding heeft en niet kan lezen of schrijven, zodat het voor hem moeilijk is om dingen te verwoorden en chronologisch verslag te doen. Nog daargelaten dat eiser deze verklaring eerst nadat hij in het voornemen met de tegenstrijdigheden is geconfronteerd naar voren heeft gebracht, heeft verweerder deze verklaring niet afdoende hoeven achten nu niet gebleken is dat eiser dit niet reeds tijdens het gehoor naar voren hadden kunnen brengen. Verweerder heeft bovendien aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij niet concreet heeft kunnen aangeven wanneer de vier incidenten, die voor eiser aanleiding vormden om Libië te verlaten, hebben plaatsgevonden. Eiser heeft alleen het tijdstip van het eerste en het laatste incident kunnen benoemen. Dat eiser een analfabeet is en ongeschoold, betekent niet dat van hem niet verwacht mag worden consistent en eenduidig te verklaren over zijn problemen die de kern raken van zijn relaas. Verweerder heeft verder mogen meewegen dat het verder afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het relaas van eiser dat hij pas na de vierde ontvoering uit Libië is vertrokken.

7. Eiser heeft aangevoerd niet te kunnen terugkeren naar Libië omdat hij elders asiel heeft aangevraagd en omdat hij vreest in dienst te moeten omdat hij ongeschoold is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze vrees onaannemelijk heeft kunnen achten nu het algemeen ambtsbericht Libië 2016 geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat asielzoekers, louter omdat zij asiel hebben aangevraagd, bij terugkeer een reëel risico lopen op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Verder is niet gebleken dat het enkele feit dat iemand ongeschoold is tot gevolg heeft dat hij bij terugkeer naar Libië de militaire dienstplicht opgelegd krijgt. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser ook nooit eerder de dienstplicht opgelegd heeft gekregen wegens gebrek aan scholing.

8. Eiser heeft verder aangevoerd dat het geweld in Libië zo'n hoog niveau heeft bereikt dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat een terugkerende burger louter door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op een bedreiging van het leven of de persoon.

Ter onderbouwing van dit standpunt heeft eiser verwezen naar:

  • -

    de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen van 20 juli 2017, NL17.3676;

  • -

    de uitspraak van de rechtbank den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 14 augustus 2017, NL17.705;

  • -

    de update on incidents according to the Armed Conflict Location & Event Data Project (ACLED) van Accord van 22 juni 2017;

  • -

    de uitspraak van de Immigration and Asylum Chamber van het Upper Tribunal van 28 juni 2017 (UKUT 263).

9. Verweerder heeft twee hoger beroepschriften (NL17.3676 en NL17.705) overgelegd en daarmee een nadere motivering gegeven met betrekking tot zijn stelling dat de onder 8. genoemde uitspraken en de bronnen en informatie die daaraan ten grondslag liggen niet de conclusie kunnen dragen dat de algemene veiligheidssituatie in Libië, in het bijzonder in Tripoli, thans zodanig slecht is dat eiser reeds om die reden daarnaar niet kan terugkeren. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat de veiligheidssituatie in Libië, in vergelijking met de situatie ten tijde van de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 20 juli 2016 (ECLI:NL: RVS:2016:2123 en ECLI:NL:RVS:2016:2124), niet wezenlijk is veranderd. Uit het rapport “LIBYA, FIRST QUARTER 2017: Update on incidents according to the Armed Conflict Location & Event Data Project (ACLED)” van 22 juni 2017 blijkt dat in het eerste kwartaal van 2017 in Libië 560 doden zijn gevallen, waarvan 63 als gevolg van geweld tegen burgers en 284 als gevolg van de gewapende strijd. Van de 560 doden vielen 51 doden in Tripoli. Uit het maandelijkse “Human Rights Report on Civilian Casualties” van United Nations Support Mission in Libya (UNSMIL), waarnaar het Upper Tribunal in zijn uitspraak van 28 juni 2017 heeft verwezen, blijk niet dat het aantal slachtoffers - in vergelijking met 2015 - in 2016 en in de eerste maanden van 2017 significant is gestegen. Deze cijfers geven - afgezet tegen het aantal inwoners van Libië, althans Tripoli, - geen aanleiding om aan te nemen dat in Libië, en meer specifiek in Tripoli, sprake is van een uitzonderlijke situatie. Dat de ons omringende landen de algemene veiligheidssituatie verschillend beoordelen, leidt niet tot een ander oordeel. Het Upper Tribunal hecht volgens verweerder ten onrechte veel gewicht aan gevolgen die niet direct verband houden met de gewapende strijd. Bij de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn moet met name worden bezien wat de directe gevolgen voor het leven of de persoon van de burger zijn als gevolg van willekeurig geweld. De omstandigheid dat alle partijen in het conflict de mensenrechten schenden, is slechts relevant voor zover het willekeurige burgers raakt. Individuele factoren, zoals het behoren tot een bepaalde etnische groep, worden niet betrokken bij de vraag of er sprake is van een uitzonderlijke situatie. Dergelijke individuele factoren dienen betrokken te worden bij toepassing van art. 15, aanhef en onder b, van de Definitierichtlijn. Psychische schade als gevolg van de gewapende strijd is evenmin een omstandigheid die van belang is bij beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c. Er dient geen aanvullend criterium te worden toegevoegd aan de criteria die thans in het beleid staan opgenomen. Die criteria zijn in zekere mate objectief vast te stellen. Het zal veelal onmogelijk zijn om vast te stellen hoeveel mensen naar aanleiding van het gewapende conflict ernstige psychische schade hebben opgelopen.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit ten onrechte niet expliciet is ingegaan op de onder 8. genoemde bronnen en de conclusies die eiser daaruit trekt, terwijl deze wel reeds in de zienswijze door eiser zijn aangevoerd. Pas bij het overleggen van de twee hoger beroepschriften heeft verweerder een uitgebreide motivering gegeven. Gelet op de stukken die ten grondslag liggen aan de uitspraak van het Upper Tribunal en het ACCORD rapport van 22 juni 2017 met bijbehorende bronnen had verweerder in het bestreden besluit niet, met een enkele verwijzing naar eerdere uitspraken van de ABRvS, kunnen volstaan met het standpunt dat de door eiser aangevoerde informatie geen aanleiding vormt om aan te nemen dat er thans in Libië sprake is van een zogenaamde 15c-situatie. Uit voornoemde stukken en uitspraken volgt volgens eiser immers dat verweerder een te beperkte uitleg aan de door artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn beoogde bescherming geeft, zodat verweerder hier in het bestreden besluit op in had moeten gaan. De overweging dat de omstandigheid dat de omringende landen de algemene veiligheidssituatie verschillend beoordelen niet tot een ander oordeel leidt, acht de rechtbank in dit verband onvoldoende. Het besluit is onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

11. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten en overweegt daartoe als volgt.

12. In navolging van de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), is in paragraaf C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire neergelegd dat bij de vraag of er sprake is van een uitzonderlijke situatie in ieder geval de volgende elementen in samenhang gewogen worden:

- de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de

kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;

- de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de

strijdende partijen;

- de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;

- de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de

burgerbevolking ten gevolge van de strijd.

13. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor de beoordeling of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn aan individuele factoren geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend nu met name in de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapende conflict zwaarwegende gronden kunnen bestaan om een zogenaamde 15c-situatie aan te nemen. De rechtbank vindt steun voor dit standpunt in de uitspraak van de ABRvS van 25 mei 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BI4791), waarin wordt onderzocht of de loutere aanwezigheid van de betrokkenen in het betrokken land zou leiden tot een reëel risico van ernstige schade. Bij het beoordelen van de algemene veiligheidssituatie dienen dan ook het aantal (dodelijke) slachtoffers als gevolg van de gewapende strijd en het aantal ontheemden als uitgangspunt worden genomen. De omstandigheid dat alle partijen in het conflict de mensenrechten schenden, is slechts een relevant gegeven voor zover het willekeurige burgers raakt. Individuele factoren, zoals het behoren tot een bepaalde etnische groep, worden niet betrokken bij de vraag of er sprake is van een uitzonderlijke situatie. Uit de informatie die het Upper Tribunal bij de beoordeling betrekt, blijkt dat alle strijdende partijen zich schuldig maken aan ontvoeringen, martelingen en het vermoorden van burgers. Daarbij wordt vermeld dat zij hiervan het slachtoffer zijn vanwege hun politieke overtuiging, hun voorkeuren, familie of stamidentiteit en ook omdat zij dienen als losgeld of als ruilmiddel voor gevangen. Deze individuele factoren hoefde verweerder niet mee te nemen bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoeld in onderdeel c van artikel 15. Ook de omstandigheid dat het gewapende conflict in Libië (mede) wetteloosheid heeft veroorzaakt en dat er sprake is van een toename in het aantal slachtoffers van gewone criminaliteit en dat de autoriteiten niet in staat zijn hiertegen bescherming te bieden, is naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid die niet valt onder onderdeel c van artikel 15. Niet vast staat dat, en zo ja in hoeverre, die slachtoffers (van gewone criminaliteit) een direct gevolg zijn van het aan de gang zijnde gewapende conflict. In de omstandigheid dat personen mogelijk als gevolg van de voortdurende gewapende strijd psychische schade hebben opgelopen, zonder dat een direct causaal verband kan worden gelegd met het geweld in het gewapende conflict, heeft verweerder evenmin een omstandigheid hoeven zien die van belang is voor de vraag of er sprake is van een uitzonderlijke situatie. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder zich op de door hem gehanteerde cijfers heeft mogen baseren. Nu hieruit niet blijkt dat het aantal slachtoffers - in vergelijking met 2015 - in 2016 en in de eerste maanden van 2017 significant is gestegen, geven deze cijfers - afgezet tegen het aantal inwoners van Libië en in het bijzonder Tripoli - geen aanleiding om aan te nemen dat in Libië, en meer specifiek in Tripoli, sprake is van een uitzonderlijke situatie. De beroepsgrond faalt.

14. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. De aanvraag is terecht afgewezen als ongegrond.

15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Karman, rechter, in aanwezigheid van L.S. Lodder, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 september 2017.

Griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.