Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10172

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
07-09-2017
Zaaknummer
NL17.6593 en NL17.6594
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres, van Syrische nationaliteit, heeft asiel gevraagd in Nederland. Haar echtgenoot verblijft in Nederland en heeft een asielvergunning. De staatssecretaris heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat hij Italië verantwoordelijk acht voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag. Feitelijk is aan de voorwaarden van artikel 9 van de Dublinverordening voldaan. De staatssecretaris neemt het standpunt in dat eiseres zich in Italië op dit artikel had moeten beroepen, toen zij daar asiel aanvroeg. De rechtbank oordeelt als volgt. Niet is gebleken dat de staatssecretaris, door zelf het beroep op artikel 9 te beoordelen, een oordeel van Italië zou doorbreken. Verder volgt uit arresten van het Hof van Justitie dat eiseres zich in de Nederlandse procedure op artikel 9 van de Dublinverordening kan beroepen. De rechtbank oordeelt verder dat het standpunt van de staatssecretaris niet in lijn is met het doel en nuttig effect van de Dublinverordening, om snel vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. De rechtbank concludeert dat het beroep op artikel 9 van de Dublinverordening slaagt en dat de staatssecretaris een inhoudelijk besluit moet nemen op de asielaanvraag van eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam


Bestuursrecht

zaaknummers: NL17.6593 (beroep)

NL17.6594 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 5 september 2017 in de zaak tussen

[de vrouw] ,

geboren op [geboortedatum] 1984, van Syrische nationaliteit, eiseres/verzoekster, hierna te noemen eiseres

(gemachtigde: mr. L.J.P. Mentinck),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.O. Naarendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 8 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres van 1 mei 2017 niet in behandeling genomen.

Op 8 augustus 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Bij brief van dezelfde datum is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2017. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook waren ter zitting aanwezig [de man] , echtgenoot van eiseres, en B.M. Arif als tolk in de Syrisch-Arabische taal. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat Italië op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van Verordening EU 604/2013 (PB 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) verantwoordelijk is voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Verweerder komt tot die beslissing omdat uit Eurodac (de Europese database met vingerafdrukken) blijkt dat eiseres eerder in Italië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Daarnaast is door verweerder een terugnameverzoek bij de Italiaanse autoriteiten ingediend, op welk verzoek door de Italiaanse autoriteiten niet tijdig is gereageerd, waardoor een zogenoemd fictief claimakkoord is ontstaan.

2. Eiseres is het met het bestreden besluit niet eens. Zij stelt dat zij in Italië geen asiel heeft aangevraagd. Zij wilde ook geen asiel in Italië, maar wel binnen de Europese Unie, bij haar man die in Nederland is toegelaten als vluchteling. Van eiseres zijn in Italië alleen vingerafdrukken afgenomen. Daarbij wijst eiseres erop dat de Italiaanse autoriteiten ook niet hebben ingestemd met het door verweerder ingediende terugnameverzoek, maar in plaats daarvan een fictief claimakkoord is ontstaan. Ook is er door Italië geen besluit genomen op een asielaanvraag van eiseres.

Verder betoogt eiseres dat op grond van artikel 9 van de Dublinverordening Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielaanvraag, omdat haar echtgenoot in Nederland is toegelaten als een persoon die internationale bescherming geniet. Ter onderbouwing van deze beroepsgrond heeft eiseres bij haar zienswijze in kopie een huwelijksverklaring van 1 augustus 2016 overgelegd, waarin is vermeld dat zij in [de plaats] in het huwelijk is getreden met [de man] . Daarbij heeft eiseres in de zienswijze gesteld dat zij in het bezit is van het originele exemplaar en verweerder verzocht aan haar kenbaar te maken waar naartoe zij dat document dient op te sturen. Ook hebben [de man] en eiseres bij brief van 27 juni 2017 de wens kenbaar gemaakt dat verweerder de asielaanvraag van eiseres inhoudelijk behandelt. In deze brief is ook vermeld dat [de man] en eiseres samen zorgen voor twee kinderen uit het eerste huwelijk van [de man] , te weten [naam kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2008, en [naam kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2010, van wie de moeder is overleden bij de geboorte van een (doodgeboren) drieling in december 2015. Verder heeft eiseres onderbouwd dat zij zwanger is. De uitgerekende datum is vastgesteld op [datum] 2017. Ten slotte betoogt eiseres dat verweerder haar asielaanvraag op grond van humanitaire omstandigheden inhoudelijk moet behandelen.

3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres geen geslaagd beroep kan doen op artikel 9 van de Dublinverordening, omdat in het geval van eiseres sprake is van een terugnameprocedure en niet van een overnameprocedure. Niet verweerder, maar de Italiaanse autoriteiten zijn (na terugname) bevoegd om te oordelen over het beroep op artikel 9 van de Dublinverordening, aldus verweerder.

4. De rechtbank stelt vast dat verweerder de gelegenheid heeft gehad om, zoals eiseres heeft aangeboden, de huwelijksverklaring voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit op echtheid te laten onderzoeken. Verweerder heeft dit echter niet gedaan en evenmin aan eiseres kenbaar gemaakt waar zij de huwelijksverklaring naartoe kan sturen. Bovendien heeft verweerder niet betwist dat in dit geval feitelijk aan de overige voorwaarden van artikel 9 van de Dublinverordening is voldaan. Verder blijkt uit het dossier dat eiseres tijdens deze procedure woonachtig is op het adres van [de man] . Ook stelt de rechtbank vast dat [de man] ter zitting aanwezig was. Onder al deze omstandigheden bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de echtheid van het huwelijk tussen eiseres en [de man] .

5. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling. De relevante wet- en regelgeving waarop de beoordeling berust, is opgenomen in een bijlage achter deze uitspraak. De bijlage behoort bij deze uitspraak en maakt daarvan deel uit.

6. Voor zover verweerder met het onderscheid tussen een terugname- en een overnamesituatie een beroep heeft willen doen op artikel 7, tweede lid, van de Dublinverordening, verwijst de rechtbank naar de overwegingen van deze rechtbank, zittingplaats Middelburg, in de uitspraak van 28 april 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2016:4744). Uit dit artikel kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat indien sprake is van een terugnameprocedure, geen beroep kan worden gedaan op artikel 9 van de Dublinverordening.

7. Ter zitting heeft verweerder bovendien het standpunt ingenomen dat eiseres haar beroep op artikel 9 van de Dublinverordening bij de Italiaanse autoriteiten had moeten doen, omdat zij daar asiel heeft aangevraagd. De rechtbank volgt verweerder evenmin in dit standpunt. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat van een beslissing waarin Italië heeft geoordeeld op dit punt niet is gebleken. Dat verweerder een oordeel van Italië zou doorbreken is dan ook niet aan de orde. Verweerder heeft daar ook geen navraag naar gedaan.

Voorts sluit het beroep van eiseres op artikel 9 van de Dublinverordening juist aan bij een rechtsgegeven binnen Nederland, te weten de toelating van haar echtgenoot als vluchteling alhier. Dat eiseres in Nederland geen beroep zou kunnen doen op artikel 9 van de Dublinverordening, is niet in lijn met de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 juni 2016 inzake Ghezelbash (ECLI:EU:C:2016:409) en Karim (ECLI:EU:C:2016:410), en van 26 juli 2017 inzake Mengsteab (C-670/16). Daar komt bij dat het standpunt van verweerder in deze zaak erop zou neerkomen dat eiseres, om te bewerkstellingen dat verweerder haar asielaanvraag inhoudelijk behandelt, heen en weer reist naar Italië. Dit zou niet in lijn zijn met het doel en nuttig effect van de Dublinverordening om snel vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Een dergelijke “u-bocht constructie” acht de rechtbank, te meer gelet op het feit dat eiseres zwanger is, dit in dit geval niet aangewezen.

8. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het beroep van eiseres op artikel 9 van de Dublinverordening slaagt. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een inhoudelijk besluit moeten nemen op de asielaanvraag van eiseres van 1 mei 2017.

9. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank,

in de zaak geregistreerd onder nummer: NL17.6593,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een inhoudelijk besluit te nemen op de asielaanvraag van eiseres van 1 mei 2017.

De voorzieningenrechter,

in de zaak geregistreerd onder nummer: NL17.6594,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter,

in alle zaken,

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.485,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. van Duren, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 september 2017.

griffier

(voorzieningen)rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen een week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage (relevante wet- en regelgeving)

Ingevolge artikel 3 van de Dublinverordening, wordt elk verzoek om internationale bescherming door één lidstaat behandeld, namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III genoemde criteria verantwoordelijk is. Indien op basis van de in de Dublinverordening genoemde criteria geen verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, is de lidstaat verantwoordelijk waar het verzoek om internationale bescherming het eerst werd ingediend. Indien het niet mogelijk is de vreemdeling aan de verantwoordelijke lidstaat over te dragen, en met toepassing van de criteria van hoofdstuk III geen andere lidstaat kan worden aangewezen, wordt de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat is belast de verantwoordelijke lidstaat.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Dublinverordening zijn de in hoofdstuk III vastgestelde criteria, aan de hand waarvan de verantwoordelijke lidstaat wordt bepaald, van toepassing in de volgorde waarin zij voorkomen in de tekst.

Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt bepaald welke lidstaat met toepassing van de in hoofdstuk III beschreven criteria de verantwoordelijke lidstaat is op grond van de situatie op het tijdstip waarop de verzoeker zijn verzoek om internationale bescherming voor de eerste maal bij een lidstaat indient.

Ingevolge het derde lid van dit artikel nemen de lidstaten met het oog op de toepassing van de in de artikelen 8, 10 en 16 bedoelde criteria elk beschikbaar bewijs van de aanwezigheid op het grondgebied van een lidstaat van gezinsleden, familieleden of andere familierelaties van de verzoeker in aanmerking, op voorwaarde dat een dergelijk bewijs wordt overgelegd vóór de inwilliging van het verzoek tot overname of tot terugname van de betrokkene door een andere lidstaat overeenkomstig respectievelijk de artikelen 22 en 25 en dat in eerste aanleg nog geen beslissing ten gronde is genomen over de vorige verzoeken om internationale bescherming van de verzoeker.

Ingevolge artikel 9 van de Dublinverordening is, wanneer een gezinslid van de verzoeker, ongeacht of het gezin reeds in het land van oorsprong was gevormd, als persoon die internationale bescherming geniet is toegelaten voor verblijf in een lidstaat, deze lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, mits de betrokkenen schriftelijk hebben verklaard dat zij dat wensen.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening is de verantwoordelijke lidstaat verplicht een verzoeker wiens verzoek in behandeling is en die een verzoek in een andere lidstaat heeft ingediend, volgens de in artikelen 23, 24, 25, en 29 bepaalde voorwaarden terug te nemen.