Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10091

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-09-2017
Datum publicatie
05-10-2017
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3347
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing visum kort verblijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/3347

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres, V-nummer [V-nummer] ,

(gemachtigde: mr. J. Singh),

en

de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

(gemachtigde: mr. S.M.G. Bouma).

Procesverloop

Eiseres heeft een aanvraag ingediend tot het verlenen van een visum voor kort verblijf.

Bij besluit van 24 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen.

Bij besluit van 16 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2017.

Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Pakistaanse nationaliteit en woont in Pakistan. Zij heeft in augustus 2016 een aanvraag tot het verlenen van een visum ingediend omdat zij referent de heer [referent] (haar zwager) en zijn echtgenote (haar schoonzus) in Nederland wil bezoeken voor de duur van 45 dagen.

2. Verweerder heeft de visum geweigerd op de grond dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond. Daarnaast is de door eiseres overgelegde informatie met betrekking tot het doel en de omstandigheden van het verblijf onbetrouwbaar gebleken. Er bestaan twijfels over de authenticiteit van de overgelegde documenten en bewijsstukken, alsmede de juistheid van hun inhoud.

3. Ingevolge artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii, en artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode), voor zover thans van belang, wordt een visum geweigerd:

a. a) indien de aanvrager:

(…)

ii) het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet heeft aangetoond;

(…)

of

b) indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

4. Uit het toepasselijke gemeenschapsrecht vloeit voort dat het aan de aanvrager is om zijn of haar verblijfsdoel en tijdige terugkeer naar het land van herkomst aannemelijk te maken. Bij het onderzoek of er een redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum, komt verweerder een zekere beoordelingsruimte toe. De rechter kan dit oordeel van verweerder slechts terughoudend toetsen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende heeft aangetoond.

6.1

Eiseres heeft bij de aanvraag aangevoerd dat zij naar Nederland wil komen om referent (haar zwager) en schoonzus te bezoeken. Daartoe heeft zij het formulier ‘Bewijs van garantstelling en/of logiesverstrekking’ overgelegd. Hierin heeft referent verklaard dat hij zijn ouders en schoonzus heeft uitgenodigd om hem en zijn gezin te helpen met de kinderen en het huishouden na de geboorte van hun tweede kindje. De echtgenote van referent is uitgerekend op 16 september 2016.

Daarnaast is bij de aanvraag een ongelegaliseerde toestemmingsverklaring van de echtgenoot van eiseres overgelegd waarin hij eiseres en hun zoon toestemming verleent om naar zijn broer (referent) en schoonzus te reizen. Uit de overgelegde stukken blijkt dat de echtgenoot van eiseres in het Verenigd Koninkrijk woonachtig is.

Als aanvulling op de gronden van bezwaar meldt de gemachtigde van eiseres bij fax van 11 oktober 2016 dat het juist is dat de echtgenoot van eiseres in het Verenigd Koninkrijk verblijft, maar dat zodra eiseres in Nederland komt, hij ook naar Nederland komt zodat zij samen in de Schengenlanden kunnen rondreizen. Dit is niet mogelijk indien eiseres een visum zou hebben voor alleen het Verenigd Koninkrijk, aldus de gemachtigde van eiseres.

6.2

Gelet op het hiervoor overwogene onder 6.1 heeft verweerder zich terecht op het standpunt kunnen stellen dat het gestelde verblijfdoel ‘familiebezoek’ niet aannemelijk wordt geacht. Gelet op hetgeen is aangevoerd bij de visumaanvraag (schoonfamilie bezoeken) en in bezwaar is aangevoerd (dat eiseres en haar echtgenoot en hun zoon gaan reizen door de Schengenlanden) heeft verweerder terecht kunnen vaststellen dat er ten aanzien van het gestelde verblijfsdoel tegenstijdig is verklaard. Verweerder heeft deze informatie dan ook niet aannemelijk kunnen achten. Ook kan op grond van het vorenstaande niet worden uitgegaan van de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van alle overige verstrekte informatie. Tevens heeft verweerder het familiebezoek niet aannemelijk kunnen achten gelet op het feit dat de echtgenoot van eiseres in Londen verblijft, de reden van zijn verblijf daar onderbelicht is gebleven en hij voor eiseres niet garant staat en zij voornemens zijn met hun zoon door het Schengengebied te reizen. Ook daardoor is de tijdige terugkeer van eiseres naar het land van herkomst niet aannemelijk te achten (artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode).

7. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder de visumaanvraag van eiseres terecht heeft geweigerd op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, sub ii, en artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode.

8. Ten aanzien van de stelling dat het primaire besluit niet is gemotiveerd, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat een nadere motivering niet is vereist, omdat op grond van artikel 32, tweede lid, van de Visumcode afwijzende beslissingen en de redenen voor de afwijzing kenbaar worden gemaakt door middel van het standaardformulier van bijlage VI van de Visumcode. Aangezien het primaire besluit aan eiseres op deze manier kenbaar is gemaakt, wordt aan de voorwaarden zoals in de Visumcode voldaan.

9. Eiseres heeft voorts nog aangevoerd dat verweerder ten onrechte heeft afgezien van de hoorplicht, zoals die is neergelegd in artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het primaire besluit is niet gemotiveerd en het is opmerkelijk dat verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard en afziet van het houden van een hoorzitting nadat eiseres uit eigen beweging informatie heeft verstrekt waarvan zij dacht dat die voor verweerder voldoende zou zijn, aldus eiseres.

9.1

Deze beroepsgrond faalt. Verweerder hoeft iemand die bezwaar heeft gemaakt volgens het bepaalde in artikel 7:3 van de Awb niet te horen als direct duidelijk is dat de bezwaren het eerdere besluit niet zullen veranderen. Gelet op het primaire besluit en de daarbij gehanteerde afwijzingsgronden en hetgeen eiseres hiertegen in bezwaar heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat van vorenbedoelde situatie sprake is. Verweerder heeft eiseres dan ook niet hoeven horen over zijn bezwaar.

10. Nu de hiervoor besproken weigeringsgronden de afwijzing van het visum zelfstandig kunnen dragen, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 september 2017.

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 84, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 staat tegen deze uitspraak geen hoger beroep open.