Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2017:10088

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-08-2017
Datum publicatie
06-09-2017
Zaaknummer
C/09/493932 / HA RK 15-332
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verzoek ex artikel 17 RWN afgewezen met inachtneming prejudiciële beslissing van de Hoge Raad - criteria erkenning buitenlandse afstammingsrelatie op grond van artikel 10:100 en 10:101 BW - openbare orde toets - relatie tot RWN-zaken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0255

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer

Rekestnummer: HA RK 15-332

Zaaknummer: C/09/493932

Datum beschikking: 31 augustus 2017

Beschikking op het op 5 augustus 2015 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige:

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Marokko),

wonende te Marokko,

verzoeker,

advocaat: mr. P.W.M. Franssen te Amsterdam.

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Veiligheid en Justitie, Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verder te noemen: de IND),

zetelend te Den Haag,

vertegenwoordigd door mr. R.Y. Reckers.

Procedure

Bij beschikking d.d. 17 november 2016 van deze rechtbank is de Hoge Raad verzocht om bij wijze van prejudiciële beslissing de volgende rechtsvragen te beantwoorden:

  1. Dient bij de beoordeling van de vraag of een in het buitenland vastgestelde familierechtelijke betrekking in Nederland kan worden erkend (artikelen 10:100 en 10:101 BW en het voorheen in dit verband vigerende ongeschreven recht), eerst de voorvraag gesteld te worden of de daaraan ten grondslag liggende rechtsverhouding (in casu het huwelijk van de ouders) in Nederland kan worden erkend?

  2. In hoeverre spelen artikel 10:9 BW (de fait accompli-exceptie) en artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind van 20 november 1989, Trb. 1990, 170 (IVRK) hierbij een rol?

  3. Als de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, brengt dan het feit dat het (oorspronkelijk bigame) huwelijk inmiddels wordt erkend omdat het eerdere huwelijk na het ontstaan van de familierechtelijke betrekking is ontbonden (zie artikel 11 lid 2 van het Verdrag inzake de voltrekking en de erkenning van de geldigheid van huwelijken, Trb. 1987,137), met zich dat ook de uit het (oorspronkelijk bigame) huwelijk ontstane familierechtelijke betrekking met terugwerkende kracht tot de geboorte moet worden erkend, al dan niet in het licht van artikel 3 IVRK?

  4. Als de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, staat het bepaalde in artikel 2 lid 1 RWN dan in de weg aan de verkrijging van het Nederlanderschap door het kind? Speelt hierbij een rol of in de periode tussen het ontstaan van de familierechtelijke betrekking en het wegvallen van het beletsel voor de erkenning van deze familierechtelijke betrekking al dan niet een onherroepelijke rechterlijke uitspraak is gedaan over het bestaan van de familierechtelijke betrekking en/of het Nederlanderschap?

Verder is in die beschikking iedere verdere beslissing aangehouden.

De rechtbank heeft vervolgens – voor zover van belang – de volgende stukken ontvangen:

  • -

    de brief van de Hoge Raad d.d. 13 januari 2017 met als bijlage de schriftelijke opmerkingen d.d. 13 januari 2017 die door de IND bij de Hoge Raad zijn ingediend;

  • -

    de brief van de Hoge Raad d.d. 22 maart 2017 met als bijlage de reactie d.d. 24 januari 2017 van de zijde van verzoeker op de schriftelijke opmerkingen van de IND;

  • -

    de brief van de Hoge Raad d.d. 24 februari 2017 met als bijlage een afschrift van de conclusie van de Advocaat-Generaal van 24 februari 2017;

  • -

    de brief van de Hoge Raad d.d. 19 mei 2017 met als bijlage een afschrift van de uitspraak van de Hoge Raad van 19 mei 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van 16 juni 2017 van de IND;

  • -

    de brief d.d. 27 juni 2017 van de zijde van verzoeker.

Beoordeling

De Hoge Raad heeft in de uitspraak van 17 mei 2017 de hiervoor opgesomde prejudiciële vragen – samengevat – als volgt beantwoord.

Ten aanzien van vraag 1

De Hoge Raad stelt voorop dat bij de beoordeling van de vraag of een in het buitenland vastgestelde familierechtelijke betrekking in Nederland kan worden erkend (op grond van de artikelen 10:100 en 10:101 BW en het voorheen in dit verband vigerende ongeschreven recht) de zogenoemde conflictenrechtelijke toets achterwege dient te blijven. Er is aldus geen ruimte voor het stellen van de conflictenrechtelijke voorvraag naar de geldigheid van het huwelijk als bedoeld in artikel 10:4 en 10:33 BW.

Dit laat volgens de Hoge Raad onverlet dat de vraag naar de geldigheid van het aan de afstamming ten grondslag liggende huwelijk en de vraag of dit huwelijk in Nederland kan worden erkend, wel aan de orde dient te komen bij het aanleggen van de openbare orde-toets van artikel 10:100 lid 1, onderdeel c, BW. Indien een in het buitenland vastgestelde familierechtelijke betrekking voortvloeit uit een buiten Nederland gesloten huwelijk waaraan erkenning wordt onthouden wegens kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde in de zin van artikel 10:32 BW, stuit naar het oordeel van de Hoge Raad (ook) de erkenning van die familierechtelijke betrekking af op de weigeringsgrond van de openbare orde als bedoeld in artikel 10:100 lid 1, onderdeel c, BW.

Ten aanzien van vraag 2

Omdat bij de beoordeling van de vraag of een in het buitenland vastgestelde familierechtelijke betrekking in Nederland kan worden erkend (op grond van de artikelen 10:100 en 10:101 BW en het voorheen in dit verband vigerende ongeschreven recht) de zogenoemde conflictenrechtelijke toets achterwege dient te blijven, komt naar het oordeel van de Hoge Raad ook geen betekenis toe aan artikel 10:9 BW.

De Hoge Raad ziet in artikel 3 IVRK evenmin grond voor een andere beantwoording van de eerste prejudiciële vraag. Hiertoe wordt van belang geacht dat de erkenning van de familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en [minderjarige] in deze zaak uitsluitend van belang is in verband met de vraag of [minderjarige] ingevolge artikel 3 lid 1 RWN het Nederlanderschap heeft verkregen. Op grond van artikel 3 Europees Verdrag inzake nationaliteit is het aan Nederland om in zijn wetgeving te bepalen aan wie het Nederlanderschap toekomt. Daar komt nog bij dat de niet-erkenning van een familierechtelijke betrekking wegens onverenigbaarheid met de openbare orde op zichzelf niet tot gevolg heeft dat inbreuk wordt gemaakt op de volgens het buitenlandse recht rechtsgeldig tot stand gekomen familierechtelijke betrekking, aldus de Hoge Raad.

Ten aanzien van vraag 3

De vraag met ingang van welk tijdstip in Nederland rechtsgevolg toekomt aan de erkenning van een in het buitenland vastgestelde familierechtelijke betrekking, in het geval dat de erkenning van het hieraan ten grondslag liggende buiten Nederland gesloten huwelijk aanvankelijk afstuitte op kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde als bedoeld in artikel 10:32, aanhef en onder a, BW maar aan de toepassingsvoorwaarde van laatstgenoemde bepaling nadien niet meer wordt voldaan, laat zich volgens de Hoge Raad niet in algemene zin beantwoorden. Het komt hierbij aan op de inhoud en de strekking van de wettelijke bepaling(en) en de daardoor in het leven geroepen rechtsgevolgen met het oog waarop de erkenning van de familierechtelijke betrekking plaatsvindt.

Ten aanzien van vraag 4

In het onderhavige geval wordt verzocht om erkenning van een in het buitenland ontstane familierechtelijk betrekking door geboorte tussen vader en kind met het oog op de vaststelling dat het kind ingevolge artikel 3 lid 1 RWN van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen. De vraag of een kind als gevolg van afstamming door geboorte van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen, dient op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 1 RWN te worden beoordeeld naar het tijdstip van zijn geboorte. Daarnaast bevat artikel 2 lid 1 RWN het uitgangspunt dat de verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. Dit stelsel van de RWN dient het belang dat vanaf de geboorte van een kind voor alle betrokken personen en de Staat zekerheid bestaat omtrent het mogelijke Nederlanderschap van dat kind op grond van zijn afstamming. In het licht hiervan kan naar het oordeel van de Hoge Raad niet worden aanvaard dat een kind dat is geboren uit een tijde van zijn geboorte polygaam huwelijk waaraan naderhand het polygame karakter is ontvallen, uitsluitend op grond van zijn afstamming van een Nederlandse vader of moeder van rechtswege het Nederlanderschap verkrijgt met terugwerkende kracht tot het tijdstip van zijn geboorte dan wel met ingang van enig ander tijdstip (zoals het tijdstip waarop het polygame karakter aan dat huwelijk is ontvallen).

Reactie partijen

De IND heeft de rechtbank verzocht met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad te beslissen op het verzoek van verzoeker en dat verzoek af te wijzen.

Verzoeker kan zich niet verenigen met de antwoorden van de Hoge Raad. Volgens hem is het erkennen van de afstammingsrelatie tussen hem en [minderjarige] niet in strijd met de Nederlandse openbare orde. Nu bij de beoordeling van de afstammingsrelatie op de voet van artikel 10:100 BW de voorvraag, of er sprake is van een rechtsgeldig huwelijk, niet mag worden gesteld, mag de vraag naar de geldigheid van het aan de afstammingsrelatie ten grondslag liggende huwelijk (ook) niet ‘via de achterdeur’ in het kader van de openbare orde toets van 10:100 lid 1, onderdeel c BW worden gesteld. Verzoeker stelt zich – evenals de Advocaat-Generaal in zijn conclusie – op het standpunt dat het inzetten van de openbare orde exceptie tegen toepassing van buitenlands recht een ultimum remedium betreft waarvan spaarzaam gebruik dient te worden gemaakt. Uitsluitend in die gevallen waarin de erkenning van de afstammingsbetrekking in strijd komt met de fundamentele normen en waarden van de Nederlandse rechtsorde, dient het afweermiddel van de openbare orde te worden gehanteerd, aldus verzoeker.

Tot slot heeft verzoeker naar voren gebracht dat de oplossing van de Hoge Raad om via erkenning of gerechtelijke vaststelling van het vaderschap te bewerkstelligen dat [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit verkrijgt, in de praktijk niet gemakkelijk is te realiseren.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 394 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering gehouden is te beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad van 19 mei 2017.

Uit de beantwoording van de eerste prejudiciële vraag volgt dat de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of de afstammingsrelatie tussen verzoeker en [minderjarige] erkend kan worden, niet op grond van artikel 10:32 BW de voorvraag dient te stellen of het aan de afstammingsrelatie ten grondslag liggende huwelijk tussen verzoeker en de moeder in Nederland kan worden erkend. De vraag of de afstammingsrelatie in Nederland kan worden erkend, dient (uitsluitend) aan de hand van de criteria vermeld in artikel 10:100 juncto 10:101 BW te worden beoordeeld.

De rechtbank zal dus aan de hand van de artikelen 10:100 BW en 10:101 BW moeten beoordelen of de afstammingsrelatie tussen verzoeker en [minderjarige] in Nederland kan worden erkend. Daarbij geldt dat op grond van artikel 10:100 lid 1, onderdeel c BW, de afstammingsrelatie in ieder geval niet in Nederland kan worden erkend indien erkenning kennelijk onverenigbaar is met de openbare orde.

Uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad volgt dat indien een in het buitenland ontstane familierechtelijke betrekking voortvloeit uit een huwelijk waaraan erkenning zou worden onthouden wegens kennelijke onverenigbaarheid met de openbare orde in de zin van artikel 10:32 BW, ook de erkenning van de uit dat huwelijk ontstane familierechtelijke betrekking afstuit op de weigeringsgrond van de openbare orde als bedoeld in artikel 10:100 lid 1, onderdeel c, BW. De rechtbank acht zich gebonden aan dit oordeel van de Hoge Raad en passeert dan ook – hoewel het juist is dat de openbare orde exceptie slechts als ultimum remedium dient te worden ingezet – de stelling van verzoeker, dat het bigame karakter van het huwelijk geen rol mag spelen bij de beoordeling van de vraag of erkenning van de familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en [minderjarige] op grond van artikel 10:100 lid 1, onderdeel c BW strijdigheid oplevert met de openbare orde.

In deze zaak geldt dat het huwelijk waaruit [minderjarige] is geboren aanvankelijk niet in Nederland kon worden erkend op de grond van artikel 10:32, aanhef en onder a, BW omdat verzoeker de Nederlandse nationaliteit bezat en het een bigaam huwelijk betrof. Gedurende dat bigame huwelijk stuitte de erkenning van de familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en [minderjarige] dus, gelet op hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen, af op de weigeringsgrond van artikel 10:100 lid 1, onderdeel c BW. Vanaf het moment dat het eerdere huwelijk van verzoeker (met zijn eerste vrouw) werd ontbonden, te weten op 27 augustus 2003, stuit de erkenning van het huwelijk waaruit [minderjarige] is geboren (het huwelijk tussen verzoeker en de moeder) niet langer af op de weigeringsgrond van artikel 10:32, aanhef en onder a, BW. Dit betekent dat de erkenning van de familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en [minderjarige] met ingang van die datum ook niet langer afstuit op de weigeringsgrond van artikel 10:100 lid 1, onderdeel c, BW.

Vervolgens dient te worden beoordeeld met ingang van welk tijdstip in Nederland rechtsgevolg toekomt aan de erkenning van de familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en [minderjarige] . Dit is van belang omdat verzoeker aan zijn verzoek ten grondslag legt dat [minderjarige] op grond van artikel 3 RWN bij haar geboorte van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen omdat er (al) bij de geboorte een familierechtelijke betrekking tussen hem en [minderjarige] is ontstaan.

Conform hetgeen de Hoge Raad hierover heeft geoordeeld, komt het bij de beantwoording van de vraag, met ingang van welk tijdstip in Nederland rechtsgevolg toekomt aan de erkenning van een familierechtelijke betrekking, die eerder niet in Nederland kon worden erkend, aan op de inhoud en de strekking van de wettelijke bepaling(en) en de daardoor in het leven geroepen rechtsgevolgen met het oog waarop de erkenning van de familierechtelijke betrekking plaatsvindt. In dit geval gaat het om de erkenning van de familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en [minderjarige] met het oog op een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap ex artikel 17 RWN. Uit het bepaalde in artikel 2 lid 1 RWN volgt dat de verkrijging van het Nederlanderschap geen terugwerkende kracht heeft. Uit het bepaalde in artikel 3 lid 1 RWN volgt dat de vraag of een kind als gevolg van afstamming door geboorte van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen, dient te worden beoordeeld naar het tijdstip van zijn geboorte. Gezien de inhoud en strekking van deze bepalingen van de RWN leidt de omstandigheid dat de familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en [minderjarige] inmiddels kan worden erkend er niet toe dat [minderjarige] op enig tijdstip van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen. Immers, ten tijde van haar geboorte kon het huwelijk van haar vader hier te lande niet worden erkend en dus kon op dat moment ook niet de uit dat huwelijk voortvloeiende familierechtelijke betrekking worden erkend. Met andere woorden: voor de toepassing van artikel 3 RWN komt geen rechtsgevolg toe aan de latere erkenning van de familierechtelijke betrekking tussen verzoeker en [minderjarige] . Op deze grond heeft [minderjarige] dus niet het Nederlanderschap verkregen.

De rechtbank gaat verder voorbij aan het beroep van verzoeker op de fait-accompli-exceptie van artikel 10:9 BW nu – zoals blijkt uit de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad – bij de toepassing van de erkenningsregel van artikel 10:101 BW geen conflictenrechtelijke toets mag worden aangelegd, zodat er ook geen ruimte is voor de toepassing van artikel 10:9 BW. Ook het bepaalde in artikel 3 IVRK kan gezien de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad op dit punt niet leiden tot het oordeel dat [minderjarige] op enig moment de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Verzoeker heeft nog naar voren gebracht dat er sprake is van een niet te rechtvaardigen onderscheid tussen [minderjarige] en haar jongere zus Sofia, die wel het Nederlanderschap heeft verkregen. De rechtbank begrijpt dat verzoeker hiermee een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank stelt voorop dat de wijzen waarop het Nederlanderschap kan worden verkregen limitatief zijn opgesomd in de RWN. Verkrijging van het Nederlanderschap op basis van het gelijkheidsbeginsel valt hier niet onder. Daarbij overweegt de rechtbank dat [minderjarige] , anders dan [naam] (die op het moment van haar geboorte in Nederland werd aangemerkt als kind van haar beide ouders), op het moment van haar geboorte in Nederland niet kon worden aangemerkt als kind van haar beide ouders. Er is dus geen sprake van een gelijk geval. Ook hierom kan het beroep op het gelijkheidsbeginsel verzoeker niet baten. Tot slot kan de stelling van verzoeker dat de door de Hoge Raad aangedragen alternatieven om te bewerkstelligen dat [minderjarige] het Nederlanderschap verkrijgt, in de praktijk niet eenvoudig zijn te realiseren, evenmin leiden tot een ander oordeel, nu het in deze zaak slechts gaat om de beoordeling van de vraag of [minderjarige] op dit moment het Nederlanderschap bezit.

Concluderend kan niet worden geoordeeld dat [minderjarige] bij haar geboorte of op enig ander tijdstip op grond van artikel 3 RWN van rechtswege de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Daarom dient het verzoek ex artikel 17 RWN te worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.D. Bellaart, J. Brandt en S.M. Westerhuis-Evers, bijgestaan door mr. A.W. Spee als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 augustus 2017.