Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9985

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
23-08-2016
Zaaknummer
AWB 16/8200
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uit artikel 2, aanhef en onder f), van de Gezinsherenigingsrichtlijn kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid dat omstandigheden die in deze bepaling niet zijn vermeld relevant zijn voor het antwoord op de vraag of de vreemdeling (op het in beginsel bepalende moment van zijn binnenkomst) een alleenstaande minderjarige is in de zin van deze richtlijn. Deze, ook door nevenzittingsplaats Roermond gegeven, uitleg aan de Gezinsherenigingsrichtlijn strookt bovendien met de aanhef van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000.

De rechtbank komt dan ook met zittingsplaats Roermond in de uitspraak van 26 april 2016 tot de conclusie dat verweerder, door te verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling en zich op het standpunt te stellen dat de aanvraagdatum van de mvv bepalend is voor het antwoord op de vraag of referent een alleenstaande minderjarige is, niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers niet in aanmerking komen voor de aangevraagde mvv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam

Team Bestuursrecht 2

zaaknummer: AWB 16/8200, V-nummers: [a] en [b]

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2], eisers,

gemachtigde: mr. J.E. de Poorte,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. R.A.B. van Steijn.

Procesverloop

Bij besluit van 9 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis asiel afgewezen.

Bij besluit van 23 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2016. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en [c] (referent). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts is ter zitting verschenen M.E. Mallaouch, tolk.

Overwegingen

1. Referent is de zoon van eisers. Referent is geboren op [d] en is op 7 of 13 augustus 2015 (dit blijkt voor de rechtbank niet eenduidig uit de stukken, maar is voor de beoordeling niet van belang) in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 10 september 2015 is de onderhavige aanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen op de grond dat referent ten tijde van deze aanvraag 18 jaar en daarmee meerderjarig was. Verweerder wijst in het bestreden besluit op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 november 2015 (ECLI:NL:2015:RVS:3711).

2. Eisers voeren aan dat niet de aanvraagdatum van de mvv, maar de datum waarop referent Nederland is aangekomen bepaalt of hij een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Toen referent aankwam in Nederland, was hij 17 jaar en dus minderjarig. Eisers onderschrijven de uitspraak van 26 april 2016 van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond (ECLI:NL:RBDHA:2016:4713).

2.1

Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de vreemdeling:
a. die verdragsvluchteling is; of
b. die aannemelijk heeft gemaakt dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, bestaande uit:

(…)

Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 voorts worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

(…)

c. de ouders van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 2, onder f, van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (PbEU 2003, L 251).

Op grond van artikel 29, vierde lid, van de Vw 2000 kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, eveneens worden verleend aan een gezinslid als bedoeld in het tweede lid, dat slechts niet uiterlijk binnen drie maanden is nagereisd nadat aan de vreemdeling, bedoeld in het eerste lid, een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 is verleend, indien binnen die drie maanden door of ten behoeve van dat gezinslid een machtiging tot voorlopig verblijf is aangevraagd.

2.2.

Op grond van artikel 2, aanhef en onder f), van de Gezinsherenigingsrichtlijn wordt in deze richtlijn verstaan onder “alleenstaande minderjarige”: een onderdaan van een derde land of een staatloze jonger dan 18 jaar die zonder begeleiding van een krachtens de wet of het gewoonterecht verantwoordelijke volwassene op het grondgebied van een lidstaat aankomt, zolang hij niet daadwerkelijk onder de hoede van een dergelijke volwassene staat, of een minderjarige die zonder begeleiding wordt achtergelaten nadat hij op het grondgebied van die lidstaat is aangekomen.

2.3.

Zoals de Afdeling overweegt in haar uitspraak van 23 november 2015, gaat artikel 2, aanhef en onder f), van de Gezinsherenigingsrichtlijn bij de invulling van het begrip alleenstaande minderjarige uit van het moment van aankomst op het grondgebied van de lidstaat. De Afdeling overweegt vervolgens dat uit artikel 2, aanhef en onder f), van de Gezinsherenigingsrichtlijn volgt dat ook omstandigheden die zich voordoen na het moment van aankomst van belang kunnen zijn. Uit de tekst van artikel 2, aanhef en onder f), van de Gezinsherenigingsrichtlijn kan naar het oordeel van de rechtbank echter niet worden afgeleid dat omstandigheden die in deze bepaling niet zijn vermeld, zoals de omstandigheid dat een minderjarige na zijn aankomst in de lidstaat 18 jaar wordt, relevant zijn voor het antwoord op de vraag of de vreemdeling (op het in beginsel bepalende moment van zijn binnenkomst) een alleenstaande minderjarige is in de zin van deze richtlijn. Deze, ook door nevenzittingsplaats Roermond gegeven, uitleg aan de Gezinsherenigingsrichtlijn strookt bovendien met de aanhef van artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000. Daaruit volgt dat de strekking van deze bepaling is nareis asiel mogelijk te maken van (bepaalde) gezinsleden die op het moment van aankomst van de hoofdpersoon (in dit geval referent) in Nederland deel uitmaakten van diens gezin. Ook dit wijst in de richting dat de situatie op de datum van aankomst van de hoofdpersoon bepalend is voor de aanspraak op nareis asiel en niet de datum waarop de mvv-aanvraag is ingediend. Dit kan anders zijn als de gezinsband na aankomst van de hoofdpersoon in Nederland is verbroken of de mvv-aanvraag niet binnen drie maanden na diens toelating is ingediend, maar deze situaties doen zich hier niet voor.

De rechtbank komt dan ook met zittingsplaats Roermond in de uitspraak van 26 april 2016 tot de conclusie dat verweerder, door te verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling en zich op het standpunt te stellen dat de aanvraagdatum van de mvv bepalend is voor het antwoord op de vraag of referent een alleenstaande minderjarige is, niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers niet in aanmerking komen voor de aangevraagde mvv. De beroepsgrond slaagt.

3. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De andere beroepsgronden behoeven geen bespreking.

4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet verweerder het door eisers betaalde griffierecht aan hen vergoeden.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers in beroep gemaakte proceskosten en stelt het bedrag van deze kosten overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van € 168,- aan hen vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 992,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Velzen, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A. Lodders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2016.

De griffier is verhinderd deze rechter

uitspraak te ondertekenen.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.