Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9972

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-08-2016
Datum publicatie
23-08-2016
Zaaknummer
NL16.1759
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond omdat zij afkomstig is uit een veilig land van herkomst, in dit geval Mongolië. Aan de orde is de vraag of Mongolië in het algemeen als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. De rechtbank dient daartoe te beoordelen of een zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden, de aanwijzing, het resultaat van dat onderzoek, op een kenbare wijze is gemotiveerd en die motivering zodanig deugdelijk is dat zij die aanmerking als veilig land van herkomst kan dragen. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder, anders dan dat het geval was bij de eerste tranche veilige landen van herkomst van 10 november 2015, bij zijn beoordeling van Mongolië als veilig land alle in artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb 2000 uitdrukkelijk voorgeschreven informatiebronnen heeft geraadpleegd. Bovendien is ten aanzien van de aanmerking van Mongolië als veilig land van herkomst door andere landen, hetgeen heeft te gelden als ‘indirect bewijs’, niet gebleken dat verweerder de door die landen toegepaste afweging heeft betrokken, noch dat zijn betrokken de argumenten van de landen die Mongolië niet als een veilig land van herkomst hebben aangemerkt. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de ministeriele regeling van 10 februari 2016 voor zover Mongolië daarbij door middel van een wijziging van bijlage 13 van het VV 2000 is aangemerkt als veilig land van herkomst, onvoldoende is gemotiveerd en derhalve niet ten grondslag kan worden gelegd aan de afwijzing van eiseresses asielaanvraag. Nu verweerder het relaas van eiseres terecht niet zwaarwegend genoeg heeft geacht, is de rechtbank van oordeel dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

zaaknummer: NL16.1759

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. P. Kramer-Ograjensek),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. F.M. Ticheler).

Procesverloop

Bij besluit van 19 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Daarnaast wordt aan eiseres geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 juncto artikel 3.6a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en wordt haar geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 augustus 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Surenjav.

Het onderzoek ter zitting is geschorst, teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen een nader stuk in te zenden.

Verweerder heeft bij faxbericht van 4 augustus 2016 van die gelegenheid gebruik gemaakt, waarop diezelfde dag een reactie van eiseres is ontvangen.

Beide partijen hebben toestemming gegeven om uitspraak te doen zonder dat een nadere zitting plaatsvindt.

De rechtbank heeft heden het onderzoek gesloten en uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. Blijkens de gronden van beroep en het verhandelde ter zitting is het geschil beperkt tot de vraag of verweerder de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond.

2. Eiseres, geboren op [geboortedatum] 1984 en burger van Mongolië, heeft op 29 oktober 2015 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Eiseres heeft – blijkens haar verklaringen tijdens het gehoor veilig land van herkomst – aan die aanvraag ten grondslag gelegd dat zij haar land van herkomst vanwege relationele problemen met haar partner heeft verlaten. In 2003 heeft eiseres haar partner leren kennen en gedurende de daaropvolgende twee of drie jaren had zij met hem een goed leven. Sinds 2005 werd eiseres mishandeld door haar partner die kampte met een alcoholverslaving. Na hem eerst steeds te hebben vergeven, besloot eiseres in 2008 om de politie in te schakelen. De politie pakte haar partner dan op, maar steeds werd hij de volgende dag al weer op vrije voeten gesteld. Volgens eiseres kocht haar man de politie steeds om. Omdat de politie niets deed met haar in de zomer van 2014 ingediende (tweede) verzoekschrift, besloot eiseres om met haar moeder naar de politiechef van het hoofdbureau in Uulanbaatar te gaan. Haar werd verteld dat contact met haar zou worden opgenomen, maar dat gebeurde niet. Omdat zij vreesde om uiteindelijk door haar man te worden gedood, ging eiseres naar Darkhan, waar ze echter door haar man werd gevonden. Voor haar vertrek verbleef eiseres bij haar moeder en een vriendin.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseres is, aldus verweerder, om de volgende redenen afkomstig uit een veilig land van herkomst:

- Mongolië is partij bij het Internationale Verdrag inzake de Burgerlijke en Politieke Rechten en het daarbij behorende Facultatief Protocol en het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing;

- In Mongolië verbiedt de wet discriminatie op grond van etniciteit, taal, ras, leeftijd, sekse,

of sociale afkomst. Deze wet wordt nageleefd. De wet voorziet verder in vrijheid van meningsuiting en persvrijheid. Er zijn echter berichten dat de overheid zich mengt in berichtgeving en dat de vrijheid van meningsuiting op internet wordt beperkt. De wet bepaalt dat niemand willekeurig kan worden gearresteerd of gedetineerd. De bepaling wordt over het algemeen nageleefd. De grondwet en de wet voorzien in een onafhankelijke rechtspraak. Dit wordt in het algemeen nageleefd, maar er zijn berichten van corruptie en beïnvloeding van buitenaf. Verdachten hebben het recht op een eerlijk en openbaar proces en bijstand van een advocaat en, zo nodig, een tolk. Voor verdachten geldt de presumptie

van onschuld. Deze regels worden in het algemeen nageleefd, maar er zijn berichten dat bekentenissen onder dwang werden verkregen. De wet voorziet in de vrijheid van religie, maar religieuze instituten moeten zich registreren;

- Er zijn geen berichten die kunnen leiden tot de conclusie dat er sprake is van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Het Mongolia 2014 Human Rights Report van het US Department of State meldt dat er geen meldingen zijn over politieke gevangenen. Wel waren er beschuldigingen dat corruptiezaken waarin politici werden verdacht politiek gemotiveerd waren. Er zijn berichten van mishandeling van gevangenen en gedetineerden.

Mensenrechtengroeperingen meldden het gebruik van onnodig geweld en foltering voor het verkrijgen van bekentenissen;

- Het Mongolia 2014 Human Rights Report van het US Department of State geeft – voor zover relevant – aan dat Mongolië een parlementaire democratie is met een meerpartijenstelsel. De belangrijkste mensenrechtenproblemen zijn corruptie, een rechtspraak die kwetsbaar is voor beïnvloeding van buitenaf en wijdverbreid huiselijk geweld;

- Mongolië staat op 129e plaats van de Fragile State Index 2015;

- Het Freedom House heeft Mongolië aangemerkt als een ‘vrij’ land waarbij het op een schaal van 1 tot 7 (1 meest vrij en 7 minst vrij) een score van 1 heeft voor wat betreft ‘political rights’ en een score van 2 voor wat betreft ‘civil liberties’;

- Mongolië wordt door vier EU-lidstaten aangemerkt als veilig land van herkomst, namelijk Denemarken, Frankrijk, Tsjechië en het Verenigd Koninkrijk.

Het vorenstaande heeft, aldus verweerder, tot gevolg dat een algemeen rechtsvermoeden bestaat dat er geen rechtsgrond is voor verlening van een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000. Eiseres moet in dat geval aannemelijk maken dat Mongolië desalniettemin zijn verdragsverplichtingen jegens haar niet nakomt. Eiseres is daar, volgens verweerder, niet in geslaagd, nu haar verklaringen over de aangiftes en de verzoekschriften niet geloofwaardig zijn. Omdat niet is gebleken dat de Mongoolse autoriteiten geen bescherming kunnen of willen bieden, kunnen de geloofwaardig geachte mishandelingen niet tot vergunningverlening leiden. Verweerder heeft in dat verband nog gewezen op het Country Report on Human Rights Practices: Mongolia van 27 februari 2014 van de US Department of State. Bovendien is niet aannemelijk dat eiseres bij terugkeer nog problemen zal ondervinden, nu uit de verklaring van eiseres volgt dat zij het laatste jaar voor haar vertrek door haar partner met rust is gelaten.

4. Eiseres heeft bestreden dat Mongolië als een veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Hiertoe heeft zij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 6 juni 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:6136). In die uitspraak heeft de rechtbank aanleiding gezien om de regeling van 10 februari 2016 (nr. 732095) waarbij Mongolië is aangemerkt als veilig land van herkomst vanwege strijd met de Procedurerichtlijn onverbindend te verklaren. Verweerder heeft immers niet de in artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb 2000 genoemde reeks van informatiebronnen gehanteerd en is bijvoorbeeld niet ingegaan op het Amnesty International Report 2014/15 – Mongolia van 25 februari 2015. Op dit punt is verder verwezen naar de conclusie van de Staatsraad Advocaat-Generaal van 20 juli 2016 (ECLI:NL: RVS:2016:2040). Eiseres is vervolgens van mening dat Mongolië in haar specifieke omstandigheden niet als veilig kan worden aangemerkt. Hiertoe heeft zij het standpunt ingenomen dat verweerder ten onrechte de aangiftes en verzoekschriften ongeloofwaardig heeft geacht. Voorts heeft eiseres weersproken dat zij in het laatste jaar voor haar vertrek niet meer is mishandeld door haar partner. Zij heeft willen verklaren dat ze voor haar vertrek afwisselend bij haar partner en haar moeder verbleef en de mishandelingen bij haar partner gewoon doorgingen tijdens haar verblijf bij hem. Op zitting heeft eiseres hierover verklaard dat ze overdag naar haar moeder ging om voor haar te koken waarna zij ’s avonds terugkeerde naar haar partner. Dat zij niet op bescherming of opvang hoeft te rekenen, wordt, aldus eiseres, bevestigd door een rapport van de US Department of State van 13 april 2016, een rapport van het Amerikaanse Ministerie voor Buitenlandse Zaken van 30 juni 2016, een VN-rapport van 13 november 2014 en een rapport van ACCORD.

5. Bij faxbericht van 4 augustus 2016 heeft verweerder zijn hoger beroepschrift tegen de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 6 juni 2016 overgelegd en het daarin verwoorde standpunt, voor zover dat ziet op de vraag of Mongolië in het algemeen als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, overgenomen. In reactie hierop heeft eiseres diezelfde dag laten weten dat zij haar standpunt handhaaft dat Mongolië niet kan worden beschouwd als veilig land van herkomst.

6. De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of Mongolië in het algemeen als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt.

7. De mogelijkheden om landen aan te wijzen als veilig land van herkomst vloeit voort uit de geïmplementeerde Richtlijn 2013/32/EU (de Procedurerichtlijn).

8. Op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn.

9. Op grond van artikel 3.105ba, eerste lid, van het Vb 2000 kan bij ministeriële regeling een lijst worden opgesteld van veilige landen van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn.

In artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb 2000, zijnde de implementatie van artikel 37, derde lid, van de Procedurerichtlijn, maar ook in artikel 3.37e, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) is bepaald dat de beoordeling of een land een veilig land van herkomst is, dient te stoelen op een reeks informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante internationale organisaties.

Verweerder onderzoekt, zoals is neergelegd in artikel 3.105ba, derde lid, van het Vb 2000 en artikel 3.37e, tweede lid, van het VV 2000, de situatie in derde landen die zijn aangemerkt als veilige landen van herkomst regelmatig opnieuw.

10. In eerdergenoemde conclusie van de Staatsraad Advocaat-Generaal van 20 juli 2016 is – voor zover van belang – over het vorenstaande het volgende vermeld.

“Bronnen: het onderzoek dat de staatssecretaris moet verrichten, moet zijn gestoeld op objectieve en recente informatie afkomstig van bepaalde betrouwbare bronnen. In ieder geval moet hij daarbij betrekken informatie uit andere lidstaten, van het EASO, de UNHCR, de Raad van Europa en van andere relevante internationale organisaties. (zie noot 138) Wellicht ten overvloede merk ik nog op dat het bij het onderzoek van deze bronnen gaat om feitelijke informatie die eruit naar voren komt, en niet om de - nogal eens uiteenlopende - waardering van die feiten door de genoemde organisaties.

(…)

Hiervoor is gebleken dat de aanmerking van een 'veilig land van herkomst' gebaseerd moet zijn op een gedegen en zorgvuldig onderzoek van de juridische en feitelijke situatie in dat land, waarbij in elk geval bepaalde bronnen moeten worden gebruikt. Van dat onderzoek en de toegepaste bronnen, voor zover die uiteraard relevante informatie bevatten, dient de staatssecretaris in de motivering van de aanmerking bovendien verantwoording af te leggen, en wel op kenbare en deugdelijke wijze. Deze plicht vloeit eigenlijk al voort uit de maatstaf 'aantonen'.”

11. Op grond van artikel 3.37f, derde lid, van het VV 2000 zijn als veilige landen van herkomst als bedoeld in artikel 3.105ba, eerste lid, van het Vb 2000 aangewezen de landen die zijn opgenomen in bijlage 13 bij het VV 2000.

12. In zijn brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 9 februari 2016 (TK 2015-2016, 19 637, nr. 2076) heeft verweerder Mongolië aangemerkt als een veilig land van herkomst. In die brief staat – voor zover van belang – het volgende:

“In Bijlage I van de Procedurerichtlijn (zie bijlage 2 van deze brief) is – kort gezegd – bepaald dat een land als veilig land van herkomst wordt beschouwd wanneer kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vluchtelingrechtelijke vervolging, foltering of onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 EVRM. Bij deze beoordeling wordt onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden door:

1 De desbetreffende wetten en andere voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast;

2 De naleving van de rechten en vrijheden in het EVRM en/of het IVBPR en/of het anti-Folterverdrag, in het bijzonder met betrekking tot het recht op leven (artikel 2 EVRM), het verbod van foltering (artikel 3 EVRM), het verbod van slavernij en dwangarbeid (artikel 4, eerste lid, EVRM) en het verbod om straf op te leggen zonder dat daaraan een wettelijke bepaling voorafgaat (artikel 7 EVRM);

3 De naleving van het non-refoulementbeginsel overeenkomstig het Verdrag van Genève;

4 De beschikbaarheid van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schendingen van voornoemde rechten en vrijheden.

In de bijlage 1 van deze brief vindt u een beoordeling ten aanzien van bovengenoemde landen.

Op basis van deze beoordelingen kom ik tot volgende conclusies:

(…)

– Mongolië kan wel worden aangemerkt als veilig land van herkomst.

(…)

Gezien de uitkomst van deze beoordeling zal ik door middel van een wijziging van Bijlage 13 van het Voorschrift Vreemdelingen de landen Ghana, India, Jamaica, Marokko, Mongolië en Senegal toevoegen aan de nationale lijst van veilige landen van herkomst. Deze kan dan in werking treden een dag na plaatsing in de Staatscourant. Dit zal met zich brengen dat asielaanvragen van onderdanen van deze landen in het vervolg zullen worden behandeld in de snelle procedure voor evident kansarme asielaanvragen (spoor 2).”

13. In de hiervoor genoemde bijlage 1 is ten aanzien van Mongolië het volgende opgenomen:

“Verdragen

Mongolië is partij bij de volgende verdragen:

- Internationaal Verdrag inzake de burgerrechten en politieke rechten en het daarbij behorende (eerste) Facultatief Protocol;

- Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.

Mongolië is geen partij bij het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen en het daarbij behorende Protocol.

Wetten en voorschriften

De wet verbiedt discriminatie op grond van etniciteit, taal, ras, leeftijd, sekse, of sociale afkomst. Deze wet wordt nageleefd. De wet voorziet verder in vrijheid van meningsuiting en persvrijheid. Er zijn echter berichten dat de overheid zich mengt in berichtgeving.

De wet bepaalt dat niemand willekeurig kan worden gearresteerd of gedetineerd. De bepaling wordt over het algemeen nageleefd. De grondwet en de wet voorzien in een onafhankelijk rechtspraak. Dit wordt in het algemeen nageleefd, maar er zijn berichten van corruptie en beïnvloeding van buitenaf. Verdachten hebben het recht op een eerlijk en openbaar proces en bijstand van een advocaat en, zo nodig, een tolk. Voor verdachten geldt de presumptie van onschuld. Deze regels worden in het algemeen nageleefd, maar er zijn berichten dat bekentenissen onder dwang werden verkregen.

De wet voorziet in de vrijheid van religie, maar religieuze instituten moeten zich registreren.

In december 2015 is een wet aangenomen waarin de doodstraf wordt afgestraft. Deze treedt in september 2016 in werking.

Vervolging of ernstige schade

Er zijn geen berichten die kunnen leiden tot de conclusie dat er sprake is van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Het Mongolia 2014 Human Rights Report van het US State Department meldt dat er geen meldingen zijn over politieke gevangenen. Wel waren er beschuldigingen dat corruptiezaken waarin politici werden verdacht politiek gemotiveerd waren.

De omstandigheden in gevangenissen en detentiefaciliteiten zijn zorgelijk. Er zijn berichten van mishandeling van gevangenen en gedetineerden. Mensenrechtengroeperingen meldden het gebruik van onnodig geweld en foltering voor het verkrijgen van bekentenissen.

Algemene mensenrechtensituatie

Mongolië is een parlementaire democratie met een onafhankelijke uitvoerende en wetgevende macht. De belangrijkste mensenrechtenkwesties zijn corruptie, een rechtspraak die kwetsbaar is voor beïnvloeding van buitenaf en huiselijk geweld. Daarnaast is er sprake van slechte omstandigheden in gevangenissen en mishandeling van gevangenen en gedetineerden. Sommige religieuze groeperingen melden dat registratie moeilijk te verkrijgen of te verlengen is. Christenen hebben in het algemeen geen problemen, al zijn er ook meldingen van discriminatie en intimidatie.

LHBT’s hebben gelijke rechten in Mongolië. Deze rechten worden beschermd door de autoriteiten maar er is sprake van discriminatie.

Verder staat Mongolië op 129ste plaats op de Fragile States Index 2015 (ter vergelijking: Finland staat op de 178e en Zuid-Sudan op de 1e plaats).

Het Freedom House heeft Mongolië aangemerkt als een ‘vrij’ land waarbij het op een schaal van 1 tot 7 (1 meest vrij en 7 minst vrij) een score van 1 heeft voor wat betreft ‘political rights’ en een score van 2 voor wat betreft ‘civil liberties’.

Aantal eerste asielaanvragen in Nederland in 2015: 363.

Mongolië wordt door vier EU-lidstaten aangemerkt als veilig land van herkomst, namelijk Denemarken, Frankrijk, Tsjechië en het Verenigd Koninkrijk.

Conclusie

Op basis van bovengenoemde bronnen kom ik tot de conclusie dat Mongolië kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. Mongolië heeft wetten en andere voorschriften op het gebied van de rechten en vrijheden en is partij bij verschillende mensenrechtenverdragen die waarborgen bieden, al lijken deze niet altijd te worden nageleefd. Er lijkt geen sprake te zijn van refoulement van eigen burgers naar gebieden in andere landen waar zij worden vervolgd of een reëel risico lopen op onmenselijke behandeling. Het systeem van rechtsmiddelen biedt in het algemeen voldoende waarborgen tegen schendingen van de rechten en vrijheden.”

Bij Regeling van verweerder van 10 februari 2016, nummer 732095, houdende wijziging van het VV 2000 (Staatscourant 2016, nr. 8083), is Mongolië opgenomen in bijlage 13. De toelichting bij de aanwijzing luidt – voor zover van belang – als volgt. De toelichting bij de aanwijzing luidt – voor zover van belang – als volgt.

“Deze regeling tot wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 bevat een uitbreiding van de lijst van veilige landen van herkomst. De landen Ghana, India, Jamaica, Marokko, Mongolië en Senegal worden aan deze lijst toegevoegd.

Bijlage I bij de Procedurerichtlijn (Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (herschikking), Pb EU L 180/87 van 29 juni 2013) bepaalt wanneer een land van herkomst als veilig land van herkomst wordt beschouwd.

Een land wordt als veilig land van herkomst beschouwd wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging in de zin van artikel 9 van Richtlijn 2011/95/EU, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict.

Als de belangrijkste redenen om deze landen als veilig aan te merken en op de nationale lijst te plaatsen zijn genoemd de redenen 1. tot en met 4. zoals opgenomen onder 12.

14. Over de aanduiding van een land als veilig land van herkomst door andere lidstaten, stelt de Staatsraad Advocaat-Generaal het volgende:

“De in punt 5.7 vermelde factoren moeten door de staatssecretaris worden betrokken bij de aanmerking van een land als veilig land van herkomst. Door toevoeging van de frase 'onder meer' laat de Procedurerichtlijn uitdrukkelijk ruimte om ook andere factoren mee te wegen. De staatssecretaris heeft van die ruimte ook gebruik gemaakt en laat bij de aanmerking van de westelijke Balkanlanden als veilig bijvoorbeeld ook meewegen dat deze landen kandidaat-lidstaten van de Europese Unie zijn en de naleving van mensenrechten daarom jaarlijks door de Europese Commissie wordt beoordeeld, dat de inwoners vrijgesteld zijn van de visumplicht en dat andere lidstaten deze landen ook als veilig aanmerken. (zie noot 144)

Hoewel deze factoren als indirect 'bewijs' gewicht in de schaal kunnen leggen, passen bij de waarde ervan wel enige kanttekeningen. (…) Ook bij de toepassing van het criterium dat andere landen een land als veilig hebben aangemerkt, past voorzichtigheid, omdat dat geen inzicht biedt in de door die landen toegepaste afweging (en of die voldoet aan de criteria) en dan ook het complete beeld moet worden geboden. Daarvoor is bijvoorbeeld ook van belang waarom andere landen een land niet als veilig hebben aangemerkt en hoe de rechters over de aanmerking als veilig land hebben geoordeeld. Zo wordt Albanië door veel landen aangemerkt als veilig land van herkomst, maar heeft de Franse Raad van State in 2013, en de Belgische Raad van State in 2014, 2015 en 2016, deze aanmerking vernietigd. (zie noot 145)

Kort en goed, de staatssecretaris heeft in alle gevallen een eigen verantwoordelijkheid om na zorgvuldig onderzoek op basis van in elk geval de voorgeschreven bronnen een kenbaar en deugdelijk gemotiveerd oordeel te geven over de vraag of een land gelet op ook de daadwerkelijke naleving van de mensenrechten aan de basisnorm voldoet. Indirect 'bewijs' als genoemd kan daarbij een rol spelen, mits dat zelf aan de zorgvuldigheids- en motiveringseisen voldoet.”.

15. De rechtbank overweegt dat de ministeriele regeling van 10 februari 2016, waarbij Mongolië aan bijlage 13 is toegevoegd, een besluit inhoudende een algemeen verbindend voorschrift (avv) betreft, waartegen op grond van artikel 8:3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen beroep mogelijk is. Een belanghebbende kan een avv echter wel aan de orde stellen in het kader van een procedure tegen een besluit genomen op basis van die regel. Daarvan is in onderhavige zaak sprake. Aan een avv kan slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien het in strijd is met een hoger wettelijk voorschrift, zoals in dit geval de Procedurerichtlijn, dan wel indien het in strijd is met een algemeen rechtsbeginsel.

16. Eiseres heeft de verbindendheid van de in een avv neergelegde plaatsing van Mongolië op de lijst van veilige landen van herkomst in twijfel getrokken. Aan de rechtbank ligt in dat geval ter beoordeling voor of een zorgvuldig onderzoek heeft plaatsgevonden, de aanwijzing, het resultaat van dat onderzoek, op een kenbare wijze is gemotiveerd en die motivering zodanig deugdelijk is dat zij die aanmerking als veilig land van herkomst kan dragen. De rechtbank is van oordeel dat uit de toelichting bij de aanwijzing, verweerders brief van 3 november 2015, het bestreden besluit, het verhandelde ter zitting en het overgelegde hoger beroepschrift niet is gebleken dat verweerder, anders dan dat het geval was bij de eerste tranche veilige landen van herkomst (Regeling van verweerder van 10 november 2015, nummer 695431), bij zijn beoordeling van Mongolië als veilig land alle in artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb 2000 uitdrukkelijk voorgeschreven informatiebronnen heeft geraadpleegd. Voor de stelling van verweerders gemachtigde op zitting dat er wel van uit dient te worden gegaan dat alle genoemde bronnen zijn geraadpleegd, ontbreekt ieder aanknopingspunt en, zo deze stelling al voor juist zou moeten worden gehouden, ligt in dat geval aan de aanwijzing geen kenbare motivering ten grondslag. Voor zover zijdens verweerder nog naar voren is gebracht dat mogelijk de in artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vb 2000 genoemde bronnen niet over actuele informatie zouden beschikken, mist ook deze stelling iedere onderbouwing en blijkt daarvan ook niet uit verweerders motivering. Ook verweerders verwijzing naar andere in het bestreden besluit genoemde (actuele) informatiebronnen kan hem niet baten, nu dit onverlet laat dat niet de expliciet genoemde informatiebronnen (kenbaar) zijn geraadpleegd. Bovendien is ten aanzien van de aanmerking van Mongolië als veilig land van herkomst door andere landen, hetgeen heeft te gelden als ‘indirect bewijs’, niet gebleken dat verweerder de door die landen toegepaste afweging heeft betrokken, noch dat zijn betrokken de argumenten van de landen die Mongolië niet als een veilig land van herkomst hebben aangemerkt.

17. Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de ministeriele regeling van 10 februari 2016 (nr. 732095) voor zover Mongolië daarbij door middel van een wijziging van bijlage 13 van het VV 2000 is aangemerkt als veilig land van herkomst, onvoldoende is gemotiveerd en derhalve niet ten grondslag kan worden gelegd aan de afwijzing van eiseresses asielaanvraag. Niet is kenbaar gemotiveerd gebleken dat de (totstandkoming van de) beoordeling heeft plaatsgevonden conform de geïmplementeerde bepalingen uit de Procedurerichtlijn (de artikelen 3.105ba van het Vb 2000 en 3.37f van het VV 2000). Verweerder heeft de aanvraag van eiseres dan ook ten onrechte met toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 als kennelijk ongegrond afgewezen.

18. De rechtbank ziet vervolgens aanleiding om te bezien of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit voor het overige in stand kunnen blijven.

19. De rechtbank stelt daarbij voorop dat verweerder de identiteit en nationaliteit van eiseres geloofwaardig heeft geacht. De door eiseres gestelde mishandelingen door haar partner zijn eveneens geloofwaardig bevonden.

20. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), onder meer de uitspraak van 29 mei 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW7273), volgt dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen, eerst door verweerder moet worden onderzocht of door de autoriteiten in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij dient hij informatie over de algemene situatie in het land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties te betrekken. Indien verweerder die vraag bevestigend heeft beantwoord, is het vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien hij dit laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden.

20.1.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder, gelet op de door hem genoemde bronnen, niet ten onrechte het standpunt ingenomen dat door de autoriteiten van Mongolië in het algemeen tegen huiselijk geweld bescherming wordt geboden. Uit het Country Report on Human Rights Practices: Mongolia van 27 februari 2014 van de US Department of State volgt dat de politie in Mongolië wettelijk verplicht is om

aangiftes tegen huiselijk geweld te onderzoeken en slachtoffers te beschermen, terwijl er wettelijke sancties tegen de overwegend mannelijke daders bestaan zoals uithuisplaatsing, contactverboden met de slachtoffers en verplichte training voor gedragsverandering. Ook bestaat de mogelijkheid om bescherming te krijgen tegen huiselijk geweld in één van de zeven opvangcentra van het National Centre against Violence (NCAV). Het NCAV verzorgt ook juridische en psychologische hulp aan slachtoffers. In de door eiseres genoemde bronnen wordt de effectiviteit van de bescherming in twijfel getrokken. In de praktijk is, aldus die bronnen, maar een beperkt aantal opvangplekken beschikbaar, de politie kan of wil niet altijd bescherming verlenen en voor de aanpak van huiselijk geweld zijn te weinig financiële middelen beschikbaar. Naar het oordeel van de rechtbank is het vorenstaande onvoldoende voor het oordeel dat in het algemeen geen bescherming wordt geboden. Dat de mate van effectiviteit van de bescherming niet op voorhand vaststaat brengt immers, zoals de Afdeling in haar uitspraak van 29 mei 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BW7273) heeft overwogen, nog niet met zich dat feitelijk geen bescherming kan worden verkregen. Op grond van het vorenstaande kan ook niet worden gezegd dat het vragen van bescherming voor eiseres gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht.

21. Vervolgens kan slechts het tevergeefs inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat de autoriteiten van Mongolië niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden. In dat verband is de rechtbank van oordeel dat verweerder de door eiseres gestelde (honderden) aangiftes en (twee) verzoekschriften terecht voor ongeloofwaardig heeft gehouden. Hiertoe heeft verweerder op goede gronden gesteld dat de aangiftes, de arrestaties van haar partner noch de verzoekschriften met documenten zijn onderbouwd. Daarbij is van belang dat eiseres heeft verklaard dat ze steeds een verklaring moest afleggen en een handtekening moest zetten op een proces-verbaal. Dat zij nooit een afschrift heeft verkregen, heeft verweerder terecht niet plausibel gevonden. Bovendien heeft eiseres Mongolië pas geruime tijd na het laatste verzoekschrift verlaten, zodat zij voldoende tijd moet hebben gehad om in het bezit te komen van een kopie. Gelet op eerdergenoemde informatie van de US Department of State overtuigt de verklaring van eiseres dat de politie haar partner honderden keren heeft meegenomen en zij hem steeds – zonder uitzondering – zonder verdere vervolgingsstappen de dag er na weer hebben vrijgelaten evenmin. Dat sprake is van corruptie en omkoping in Mongolië wordt door verweerder erkend, maar de conclusie dat in algemene zin sprake is van bescherming maakt niet geloofwaardig dat de partner er honderden keren in is geslaagd om door omkoping een dag later vrij te komen. Daarnaast heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat ook de verklaringen van eiseres over het indienen van de verzoekschriften niet overtuigen. Zo heeft verweerder niet hoeven inzien dat eiseres niet direct, maar eerst na een geconstateerde tegenstrijdigheid in de datum van het verzoekschrift in de zomer van 2014, melding maakt van een tweede verzoekschrift in het najaar van 2013. De verklaring van eiseres dat haar geheugen door de jarenlange mishandelingen is aangetast en zij daarom niet in staat is om eenduidige te verklaren, ontbeert een (medische) onderbouwing en daarnaast is hiervoor in het rapport van het gehoor geen aanknopingspunt te vinden. Bovendien is het dan opmerkelijk dat eiseres op andere punten wel in staat is gebleken om consequent te verklaren.

22. De rechtbank is van oordeel dat reeds uit het vorenstaande volgt dat verweerder het relaas van eiseres terecht niet zwaarwegend genoeg heeft geacht. Verweerders tegenwerping dat het niet aannemelijk is dat eiseres bij terugkeer nog problemen van haar partner zal ondervinden, nu zij het laatste jaar voor haar vertrek van zijn kant geen problemen meer heeft ondervonden, behoeft dan ook geen bespreking meer.

23. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, behoudens voor zover is bepaald dat eiseres Nederland onmiddellijk moet verlaten.

24. De rechtbank ziet aanleiding verweerder in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,= (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 496,=, en een wegingsfactor 1). Omdat niet is gebleken dat aan eiseres een toevoeging is verleend, dienen deze kosten aan eiseres betaald te worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, behoudens voor zover is bepaald dat eiseres Nederland onmiddellijk moet verlaten;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eiseres begroot op € 992,= (wegens kosten van rechtsbijstand), te vergoeden aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.J.A. barones van Hövell tot Westerflier-Dassen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 augustus 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 9 augustus 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.