Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9970

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-08-2016
Datum publicatie
23-08-2016
Zaaknummer
09/253773-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging terbeschikkingstelling met dwangverpleging, na aanpassing van de in België opgelegde interneringsmaatregel in een terbeschikkingstelling met dwangverpleging in het kader van de WETS-procedure. Deze WETS-aanpassingsprocedure is geen procedure die valt onder de strafrechtelijke waarborgen van artikel 6 van het EVRM. In het Europees Kaderbesluit 2008/909/JBZ en daarmee in de WETS is geen plicht tot het horen van de veroordeelde opgenomen. De officier van justitie is ontvankelijk in de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: 09/253773-14

Kenmerk RK: 16/3023

Beslissing van 23 augustus 2016

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in strafzaken, heeft te beslissen op de vordering van de officier van justitie bij deze rechtbank van 22 juni 2016, strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van twee jaar, met betrekking tot:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans verblijvende in de [kliniek] ,

hierna: [verdachte] .

De rechtbank heeft gelet op de stukken, waaronder:

  • -

    het arrest van het Hof van Beroep te Gent (België) van 25 juni 2013, waarbij [verdachte] is veroordeeld tot een interneringsmaatregel voor onbepaalde duur;

  • -

    een geneeskundige verklaring van 1 mei 2013, [deskundige] ;

  • -

    een Deskundig psychiatrisch verslag van 22 mei 2013 [deskundige] , betreffende De Ruiter;

  • -

    het Adviesverslag van 17 september 2013 van [deskundige] , betreffende [verdachte] ;

  • -

    een ‘Aanvraag overbrenging naar land van herkomst’, ondertekend door [verdachte] , met als bijlage 1: ‘Overbrenging van gevonniste personen naar een andere lidstaat van de Europese Unie: informatie en eventuele opmerkingen van de gedetineerde’ en met als bijlage 2: ‘Kennisgeving aan de gevonniste persoon’, welke twee bijlagen op 6 december 2013 door [verdachte] zijn ondertekend;

  • -

    een ‘Attest vrijgave medisch dossier’ van 11 december 2013, inclusief medicatielijst, waaruit blijkt dat [verdachte] toestemming heeft gegeven zijn medisch dossier over te maken aan [deskundige] ;

  • -

    een brief van 11 december 2013 van [deskundige] (betreffende ‘het Kaderbesluit 2008/909/JBZ van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van strafvonnissen waarbij vrijheidsbenemende straffen of maatregelen zijn uitgesproken in een lidstaat van de Europese Unie – Overbrenging van gevonniste personen (hierna: de WETS) naar Nederland - [verdachte] , met als bijlagen voornoemd arrest van het Hof van Beroep te Gent, alsmede het certificaat, zoals bedoeld in artikel 4 van het Kaderbesluit, in welke brief staat dat [verdachte] , gedetineerd in Merksplas, om overbrenging naar Nederland heeft verzocht en aan het Ministerie wordt verzocht te berichten of het Ministerie kan instemmen met dit verzoek tot overbrenging naar Nederland;

  • -

    een psychiatrisch briefrapport van 11 februari 2014 van [professor] , betreffende [verdachte] ;

  • -

    het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 mei 2014, waarbij onder meer is geoordeeld dat de aan [verdachte] opgelegde vrijheidsbenemende maatregel dient te worden aangepast als de maatregel van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege;

  • -

    een brief van 28 mei 2014 van de Minister van Veiligheid en Justitie aan de Federale Overheidsdienst Justitie te Brussel, t.a.v [deskundige] , betreffende ‘Verzoek tot overbrenging van [verdachte] ’, waarin staat dat het toegezonden vonnis wordt erkend, dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bij oordeel van 26 mei 2014 de in België opgelegde maatregel heeft aangepast naar de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege en dat de Minister van mening is dat deze aanpassing het meest overeenkomt met de in Gent opgelegde sanctie, met als bijlagen: ‘uitleg gevolgen van strafoverdracht’, ‘weergave van de artikelen 37a, 37b en 37e van het Wetboek van Strafrecht’ en een ‘Informatieblad Forensische zorg’, waarbij is verzocht deze stukken aan [verdachte] te overhandigen;

  • -

    de erkenningsbeslissing van 21 juli 2014 van de Minister van Veiligheid en Justitie, ondertekend door [naam] , Hoofd afdeling Internationale overdracht strafvonnissen, waarin staat dat door de Minister is besloten dat de aan [verdachte] opgelegde straf in België zal worden aangepast in een maatregel van de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege;

  • -

    een brief van 24 juli 2014 van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, waarin staat dat [verdachte] op 23 juli 2014 is overgeplaatst naar FPK de Woenselse Poort te Eindhoven en dat de tenuitvoerlegging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met ingang van die datum is gaan lopen;

  • -

    een brief van 25 november 2014 van [naam] , Hoofd afdeling Internationale Overdracht Strafvonnissen, waaruit blijkt dat de zaak van [verdachte] onder het hierboven genoemd parketnummer in GPS is geregistreerd;

  • -

    het verlengingsadvies van de kliniek van 30 mei 2016, opgemaakt en ondertekend door [psychiater] en [psychiater] , strekkende tot verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met één jaar;

  • -

    de maandelijkse wettelijke aantekeningen van 24 juli 2014 tot en met mei 2016, met uitzondering van de maand maart 2016;

  • -

    een e-mailbericht van 9 maart 2016 van [activiteitenbegleider] , betreffende evaluatie van [verdachte] ;

  • -

    voornoemde vordering van de officier van justitie, ingekomen op 22 juni 2016.

De rechtbank heeft in raadkamer van 9 augustus 2016 [verdachte] , bijgestaan door zijn raadsman mr. J.Y. Taekema, advocaat te Den Haag, en de officier van justitie mr. drs. M.A. Visser, gehoord.

Tevens is [deskundige] voornoemd als deskundige in raadkamer gehoord.

Overwegingen

Het advies van de kliniek

Het op 30 mei 2016 op grond van artikel 509o, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte advies, strekt tot verlenging van de termijn van de terbeschikkingstelling met één jaar.

Daarbij wordt aangegeven dat [verdachte] is gediagnostiseerd met een borderline persoonlijkheidsstoornis en multi-middelenmisbruik (alcohol, cannabis, ketamine, benzodiazepinen), thans gedwongen in remissie, op basis waarvan hij ook een psychotische decompensatie heeft gekend. [verdachte] bagatelliseert zijn indexdelict. Anderhalve maand voor het indexdelict zou hij vier weken opgenomen zijn geweest in het PC Zoersel te België vanwege middelengebruik en psychoses.

Vast staat dat de problematiek van [verdachte] behandeling behoeft. [verdachte] zit nog in de behandelfase waarbinnen delictbewerking in engere zin plaatsvindt. De laatste maanden staat hij meer open voor behandeling, maar zijn behandelbereidheid lijkt per situatie afhankelijk en is dus geen stabiel gegeven. De behandeling bestaat thans uit individuele psychotherapie (schematherapie), delictanalyse en mindfulness. Ook neemt hij deel aan dagbesteding (tuinwerkzaamheden). Zijn copingvaardigheden zijn groeiende, maar nog steeds beperkt. [verdachte] gebruikt nog steeds cannabis en een enkele keer MDMA om emoties te dempen en verveling/leegte te beslechten en de uitzichtloosheid rondom zijn situatie, zoals hij deze ervaart, te kunnen hanteren. Hij is aangemeld voor behandeling op het gebied van verslaving, maar hij weigert deelname. Wel heeft hij meegewerkt aan een intelligentieonderzoek, waaruit blijkt dat sprake is van een zeer disharmonisch intelligentieprofiel met scores variërend van verstandelijk beperkt tot gemiddeld niveau. Hij ziet geen toegevoegde waarde in een psychodiagnostisch onderzoek.

De afgelopen periode is gevaarlijk gedrag bij [verdachte] niet waargenomen, ook niet ten tijde van drugsgebruik. Psychotisch gedrag is weinig waargenomen. Onderzoek is nodig om uit te sluiten of er sprake is van een psychotische stoornis. Hij is medicatietrouw. Het risico op terugval in gewelddadig gedrag op de langere termijn wordt matig geschat, wanneer [verdachte] zich vrij in de maatschappij zou bewegen. Het recidiverisico bij voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging is laag.

Het is voor de kliniek de vraag of de behandeling van [verdachte] binnen het huidige (hoge) beveiligingsniveau noodzakelijk is. Het behandelteam twijfelt ook over de meerwaarde van verlenging van de terbeschikkingstelling, aangezien dit waarschijnlijk niet zal zorgen voor meer commitment van [verdachte] aan therapie en behandeling. Om het recidiverisico in kaart te brengen, lijkt de verlenging van de terbeschikkingstelling wel nog nodig om [verdachte] zo goed mogelijk te kunnen volgen. Gezien voornoemde twijfel en om [verdachte] perspectief te kunnen bieden wordt geadviseerd de terbeschikkingstelling met slechts één jaar te verlengen.

Het voornemen is om op korte termijn transmuraal verlof, met begeleide vrijheden, aan te vragen, zodat [verdachte] kan doorstromen naar een lager beveiligingsniveau zodat ook gezonde gedragingen, die hij wel degelijk heeft, en interesses uitgebreid kunnen worden en daar de begeleide en onbegeleide vrijheden opgestart kunnen worden. Vervolgens zal [verdachte] door worden geplaatst naar een beschermde woonvorm in de eigen omgeving. De verwachting is dat behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek meerdere jaren in beslag zal nemen. De overgang naar de maatschappij vanuit de kliniek zal gefaseerd dienen te verlopen met de nodige ondersteuning en toezicht.

Een recente verlofaanvraag is door de interne verlofcommissie on hold gezet, omdat [verdachte] op dit moment te weinig inzet, motivatie en openheid laat zien en om meer informatie op te vragen wat betreft zijn geschiedenis.

Uit de wettelijke aantekeningen blijkt dat in mei 2016 aan [verdachte] is medegedeeld dat het advies van de kliniek is om de dwangverpleging voorwaardelijk te beëindigen.

Het standpunt van de deskundige

De deskundige heeft gepersisteerd bij het advies en in aanvulling daarop verklaard dat [verdachte] weigert mee te werken aan een nieuw diagnostisch onderzoek, terwijl hij wel zijn medewerking had toegezegd. Ook weigert hij nog steeds deelname aan een behandeling voor zijn verslavingsproblematiek. Door een gebrek aan samenwerking met [verdachte] wordt het behandelproces bemoeilijkt. Hij laat geen gevaar binnen de kliniek zien, zelfs niet toen er geweld tegen hem werd gebruikt. [verdachte] wordt in de kliniek als raar, maar niet gevaarlijk ervaren, aldus de deskundige. Echter, niet kan worden ingeschat hoe hij buiten de kliniek zal functioneren, omdat er nog niet is geoefend met vrijheden buiten de kliniek. Door het gebruik van harddrugs kan [verdachte] psychotisch ontregeld raken. De combinatie van harddrugs- en alcoholgebruik en het daarbij hebben van een relatie maken dat sprake is van recidivegevaar dat thans matig wordt geschat. Er werd getwijfeld over het aanvragen van verlenging van de TBS-maatregel, maar de kliniek denkt nu aan transmuraal verlof. Als de begeleide verloven zijn getoetst en afhankelijk van het functioneren van [verdachte] , waarbij het van belang is dat hij geen drugs meer gebruikt, kan tegen de volgende verlengingszitting mogelijk voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging worden geadviseerd. Omdat hij nog steeds drugs gebruikt is het op dit moment niet verantwoord over te gaan tot voorwaardelijke beëindiging. Daarbij komt dat [verdachte] zich vanuit zijn persoonlijkheid en instabiliteit moeilijk aan voorwaarden kan houden. De hoop is dat het komende jaar overeenstemming met [verdachte] wordt bereikt over het traject dat de kliniek wenst in te zetten. De behandeling hoeft niet allemaal klinisch, er is ook een mogelijkheid tot begeleid wonen op het terrein van de kliniek.

De kliniek heeft nog informatie uit België ontvangen, onder andere van de kliniek te Zoersel. Deze informatie bevestigt het reeds bestaande beeld, maar er blijven nog gaten.

Het standpunt van [verdachte]

[verdachte] heeft onmiddellijke beëindiging van de terbeschikkingstelling verzocht. Hij heeft verklaard dat de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging niet in verhouding staat tot het door hem gepleegde delict en dat hij zich niet kan vinden in de gestelde diagnose, zodat hij niet weet waarvoor hij behandeld zou moeten worden. [verdachte] heeft verder verklaard dat hij inmiddels wel is gestart met schematherapie en mindfulness en dat hij deelneemt aan dagbesteding, zodat hem niet tegengeworpen kan worden dat hij nergens aan wil meewerken.

Het standpunt van de raadsman van [verdachte]

De raadsman heeft primair niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Daartoe heeft hij aangevoerd dat er in Nederland niet tot poging tot doodslag maar hooguit mishandeling gekomen zou zijn en de aanpassing van de opgelegde interneringsmaatregel in de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging in strijd is met de artikelen 5 en 6 van het EVRM, omdat de WETS-omzettingsprocedure niet voorziet in een recht op hoor en wederhoor en een recht op rechtsbijstand. Hierdoor is sprake van een ondeugdelijke rechtsgang en derhalve van een in strijd met artikel 6 van het EVRM aangepaste terbeschikkingstelling met dwangverpleging door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Voorts is sprake van schending van artikel 5 van het EVRM, omdat de WETS-procedure evenmin voorziet in een rechtsmiddel, waardoor [verdachte] het oordeel van het gerechtshof tot aanpassing pas twee jaar later in deze verlengingsprocedure aan de orde kan stellen en daarover gehoord kan worden. [verdachte] had ingestemd met de toezending van de veroordelende uitspraak van België naar Nederland, maar hij had niet ingestemd met de aanpassing van de interneringsmaatregel in een terbeschikkingstelling met dwangverpleging. De basis van de aangepaste terbeschikkingstelling met dwangverpleging is, gezien het voorgaande, dermate aangetast dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling; de officier van justitie had deze vordering niet mogen indienen, aldus de raadsman.

Subsidiair heeft de raadsman afwijzing van de vordering bepleit en daarbij gewezen op het matige recidiverisico op de lange termijn, wat zijns inziens vrij arbitrair is. De raadsman heeft aangevoerd dat [verdachte] in een reguliere setting behandeld kan worden.

Gezien het bepaalde in artikel 509t, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan beëindiging van de terbeschikkingstelling echter niet eerder plaatsvinden dan nadat de verpleging van overheidswege gedurende minimaal een jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest. De raadsman merkt hierbij wel op dat hij niet verwacht dat een voorwaardelijke beëindiging goed zal verlopen, gezien de persoonlijkheidsstructuur van [verdachte] . Hij is bovendien artiest en gebruikt in dat kader middelen.

Meer subsidiair heeft de raadsman verzocht om aanhouding van de beslissing omtrent de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging voor drie maanden ex artikel 509t van het Wetboek van Strafvordering, om de reclassering in de gelegenheid te stellen een maatregelrapport op te laten maken, zodat de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging kunnen worden onderzocht, waarbij onder meer als voorwaarde zou kunnen worden opgenomen dat [verdachte] geen drugs als vermeld op lijst I van de Opiumwet zal gebruiken en eventueel een klinische plaatsing.

Het standpunt van het openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld ontvankelijk te zijn in de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling. Daartoe heeft hij aangevoerd dat het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 mei 2014 reeds in kracht van gewijsde is gegaan en dat het in de onderhavige procedure slechts gaat om het al dan niet verlengen van de terbeschikkingstelling, niet om de rechtmatigheid van de TBS-maatregel. Voor zover de raadsman van mening is dat in de WETS-aanpassingsprocedure sprake is van schending van de artikelen 5 en 6 van het EVRM had de raadsman een klacht bij het EHRM kunnen indienen, aldus de officier van justitie.

De officier van justitie heeft voorts gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling met twee jaar. Daartoe heeft hij aangevoerd dat aan de voorwaarden voor verlenging van de terbeschikkingstelling wordt voldaan en dat behandeling van de persoonlijkheidsproblematiek van [verdachte] nog jaren zal duren. Aangezien de behandeling van [verdachte] pas sinds kort op gang is gekomen en de nodige stappen gezet moeten worden, voordat een voorwaardelijke beëindiging aan de orde is, is een verlenging met twee jaar noodzakelijk. Omdat een voorwaardelijke beëindiging, gezien het voorgaande, prematuur is, heeft de officier van justitie zich verzet tegen aanhouding van de behandeling van de zaak voor het laten opmaken van een maatregelrapport door de reclassering.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht zich voldoende voorgelicht door het advies van de kliniek, de overgelegde wettelijke aantekeningen, de overige stukken en het verhandelde in raadkamer.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt.

[verdachte] is bij arrest van het Hof van Beroep te Gent (België) van 25 juni 2013 veroordeeld tot een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, te weten een interneringsmaatregel voor onbepaalde tijd, ter zake van poging tot doodslag.

Het “Europees Kaderbesluit 2008/909/JBZ van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning van strafvonnissen waarbij vrijheidsbenemende straffen of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregelen zijn opgelegd, met het oog op de tenuitvoerlegging ervan in de Europese Unie”, dat van toepassing is bij erkenning van het Belgische vonnis door Nederland en de tenuitvoerlegging van de in België opgelegde straf in Nederland, is (naast twee andere kaderbesluiten aangaande proeftijd en alternatieve straffen én verstekzaken) in Nederland geïmplementeerd in de WETS.

Het kaderbesluit (en daarmee de WETS) is gebaseerd op het vertrouwen van de lidstaten in elkaars rechtstelsels. Uitgangspunt is dan ook dat de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf in Nederland integraal wordt voortgezet. De beslissing van de rechter in de beslissingsstaat moet worden geëerbiedigd en wordt in principe niet herzien of aangepast, tenzij de aard van de opgelegde vrijheidsbenemende sanctie onverenigbaar is met het recht van de uitvoerende lidstaat. Blijkens artikel 8, derde lid, van het Kaderbesluit 2008/909/JBZ, uitgewerkt in artikel 2:11, zesde lid, van de WETS, wordt dan de vrijheidsbenemende sanctie gewijzigd in een straf of maatregel waarin het Nederlandse recht voorziet en die zoveel mogelijk overeenstemt met de in de uitvaardigende lidstaat opgelegde vrijheidsbenemende sanctie. De sanctie mag naar aard en duur geen verzwaring inhouden van de in de beslissingsstaat opgelegde sanctie.

Gelet op het voorgaande gaat het hier om een procedure waarbij de nationale rechter – anders dan voorheen in de Wet Overdracht Tenuitvoerlegging Strafvonnissen (WOTS) – nauwelijks enige vrijheid heeft om de aard en de hoogte van de sanctie vast te stellen. Het betreft enkel een juridisch oordeel welke Nederlandse straf of maatregel zo veel mogelijk overeenstemt met de opgelegde sanctie. Daarom is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een procedure die valt onder de strafrechtelijke waarborgen van artikel 6 van het EVRM.

In het kaderbesluit en daarmee in de WETS is geen plicht tot het horen van de veroordeelde opgenomen en is voor de veroordeelde geen andere rol weggelegd dan vooraf, dus voordat aan de Nederlandse staat wordt verzocht de straf in Nederland ten uitvoer te leggen, zijn mening/toestemming te geven om dat verzoek te doen. Vast staat dat [verdachte] , in België bijgestaan door een advocaat, die toestemming heeft gegeven.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de officier van justitie ontvankelijk is in zijn vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Indexdelict

De maatregel van terbeschikkingstelling is toegepast ter zake van poging tot doodslag. Blijkens de bewezenverklaring, de kwalificatie en de motivering van de oplegging van de maatregel, in onderling verband en samenhang bezien, ligt in het arrest van Hof van Beroep te Gent van 25 juni 2013 besloten dat, naar Nederlands recht, sprake is van een geweldsmisdrijf dat was gericht tegen en gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. De maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege is derhalve niet in duur gemaximeerd.

Stoornis en recidivegevaar

Gelet op het advies van de kliniek en het verhandelde in raadkamer stelt de rechtbank vast dat de stoornis van de terbeschikkinggestelde nog steeds aanwezig is en dat het risico op recidive bij onmiddellijke beëindiging van de maatregel op de lange termijn matig is.

Verlenging én voorwaardelijke beëindiging overwegende ex art. 509t lid 5 Sv

Daarmee wordt vooralsnog voldaan aan de vereisten voor verlenging van de terbeschikkingstelling ex artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht. Het gevaar voor recidive is immers nog niet teruggebracht tot een aanvaardbaar risico. Gegeven het thans nog aanwezige gevaar is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging eist.

Wel is het de vraag of de nog steeds noodzakelijke behandeling dient te geschieden binnen het hoge beveiligingsniveau van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging. Nu de kliniek in dit verband zijn aarzelingen heeft, is de rechtbank, mede gelet op het nog aanwezige, doch beperkte recidiverisico, van oordeel dat nu al onderzocht moet worden of de behandeling van [verdachte] binnen het kader van een voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging kan plaatsvinden.

Daarom zal de rechtbank de terbeschikkingstelling met dwangverpleging met één jaar verlengen en de beslissing ten aanzien van de voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging aanhouden voor ten hoogste drie maanden. De stukken zullen in handen van de officier van justitie worden gesteld teneinde een maatregelrapport door de reclassering over [verdachte] te doen uitbrengen. Dit omdat de rechtbank het voor de vorming van haar eindoordeel noodzakelijk acht om zich nader te doen voorlichten omtrent de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de terugkeer van [verdachte] in het maatschappelijk verkeer zou kunnen geschieden. In dit verband overweegt de rechtbank dat – gezien de inhoud van het verlengingsadvies van de kliniek – daarbij als voorwaarde dient te worden gesteld dat [verdachte] geen drugs als vermeld op lijst I van de Opiumwet (harddrugs) zal gebruiken.

Toepasselijke wetsartikelen

Artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht en artikel 509t van het Wetboek van Strafvordering.

Beslissing

De rechtbank:

- verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling met dwangverpleging, zoals hierboven omschreven, met één jaar;

- houdt de beslissing met betrekking tot een eventuele voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging aan voor een periode van ten hoogste drie maanden;

- stelt de stukken in handen van de officier van justitie;

- bepaalt dat de officier van justitie zorgdraagt voor het laten onderzoeken van de mogelijkheid van voorwaardelijke beëindiging van de dwangverpleging en daaromtrent door de Stichting Reclassering Nederland laat rapporteren;

- beveelt de oproeping van [verdachte] en zijn raadsman tegen het tijdstip van de nader te bepalen zitting;

- beveelt de oproeping van een getuige/deskundige, verbonden aan de Forensisch Psychiatrische Kliniek De Woenselse Poort te Eindhoven, tegen het tijdstip van de nader te bepalen zitting;

- beveelt voorts de oproeping van de medewerker van de reclassering, belast met het opmaken van het maatregelrapport, tegen het tijdstip van de nader te bepalen zitting;

- bepaalt dat het onderzoek in raadkamer zal worden hervat op een tijdstip gelegen binnen drie maanden na heden.

Aldus beslist te Den Haag door:

mr. E.A.G.M. van Rens, voorzitter,

mr. J.B. Wijnholt, rechter,

mr. A.M. Boogers, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. R. Moese, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 augustus 2016.

Deze beslissing is, bij ontstentenis van de voorzitter, ondertekend door de oudste rechter en de griffier.