Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9911

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-08-2016
Datum publicatie
27-10-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1177
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting, aftrek uitgaven voor onderhoudsverplichtingen, buitenlandse belastingplicht

In zijn aangifte inkomstenbelasting over 2011 heeft eiser, uitgaande van binnenlandse belastingplicht, uitgaven voor onderhoudsverplichtingen (aftrek alimentatie) in aftrek gebracht.

Bij de vaststelling van de aanslag heeft verweerder deze aftrek niet geaccepteerd. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser kwalificeert als buitenlandse belastingplichtige

en slechts het ABP pensioen in de heffing betrokken, omdat heffing over eisers andere inkomsten op basis van het belastingverdrag aan het woonland toekomt. Eiser is geen premies volksverzekeringen verschuldigd.

Op grond van non-discriminatiebepalingen heeft eiser als buitenlandse belastingplichtige in beginsel de mogelijkheid tot aftrek van alimentatie, echter volgens verweerder heeft eiser dit recht niet aangetoond.

De rechtbank laat zich niet uit over het geschilpunt betreffende de belastingplicht omdat, indien eiser zou worden gevolgd in zijn beroepsgronden dat hij kwalificeert als binnenlandse belastingplichtige en recht heeft op de geclaimde aftrek van alimentatie,

dit tot gevolg zou hebben dat zijn belastbare inkomen en de daarover verschuldigde premie en belasting op beduidend hogere bedragen zouden moeten worden vastgesteld dan nu bij de uitspraak op bezwaar is gebeurd.

Daarmee zou eiser fiscaal in een nadeliger positie komen te verkeren wat tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep zou leiden wegens het ontbreken van processueel belang.

Met hetgeen eiser heeft verklaard en overgelegd is hij niet geslaagd in de bewijslast dat recht bestaat op de aftrek van alimentatie.

Verder faalt eisers beroepsgrond dat sprake is van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur, nu hij deze niet dan wel onvoldoende heeft geconcretiseerd. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2016-2624
V-N Vandaag 2016/2293
Mr.drs. A.J. Meijer annotatie in NTFR 2016/2858

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/1177

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats], verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2011 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 9 januari 2016 de aanslag verminderd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juli 2016.

Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiser heeft voor het jaar 2011 een aangifte IB/PVV ingediend, uitgaande van binnenlandse belastingplicht, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.994, welk bedrag als volgt is opgebouwd


Inkomsten uit vroegere arbeid € 37.762 (ABP pensioen € 12.200, uitkering Loyalis € 888, uitkering OHRA € 3.249, uitkering UWV € 21.425)

Bij: resultaat uit ter beschikking gestelde vermogensbestanddelen € 1.768 -/-

Af: uitgaven voor onderhoudsverplichtingen € 6.000 -/-

€ 29.994

2. De aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 is opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.762. Hierbij heeft verweerder het negatieve resultaat uit overige werkzaamheden en de opgevoerde uitgaven voor onderhoudsverplichtingen (aftrek alimentatie) niet geaccepteerd. Bij beschikking is tevens € 39 heffingsrente in rekening gebracht.

3. Bij brief van 5 februari 2014 heeft eiser hiertegen bezwaar gemaakt. In het bezwaarschift heeft eiser aangevoerd dat in de aangifte abusievelijk een te laag bedrag aan aftrek alimentatie is opgenomen. Dit moet € 10.424 zijn in plaats van € 6.000.

4. In het kader van de behandeling van het bezwaarschrift heeft verweerder diverse stukken en informatie bij eiser opgevraagd.

5. In een door eiser en (…) (ex-partner) op 10 september 2008 ondertekend, niet notarieel verleden, samenlevingscontract (het samenlevingscontract) verklaren zij dat ze sinds genoemde datum samenwonen op het adres (…)straat (…) te Paramaribo, Suriname.

6. Bij brief van 14 april 2014 verklaart eiser dat de samenleving met de ex-partner feitelijk is beëindigd op 30 januari 2009 en stelt hij dat de alimentatieverplichting voortvloeit uit het samenlevingscontract. Verder stelt eiser dat de alimentatiebedragen worden overgemaakt van zijn ING bankrekening naar een bankrekening van de SuriChangeBank van waaruit ze worden uitbetaald aan de ex-partner. De exacte hoogte van de alimentatieverplichting is niet overeengekomen.

7. Op 28 oktober 2014 is er een hoorzitting geweest waarvan een verslag is gemaakt.

Eiser heeft hier schriftelijk op gereageerd.

8. In de uitspraak op bezwaar heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiser kwalificeert als buitenlandse belastingplichtige, omdat hij in 2011 woonachtig was in Suriname. Hiervan uitgaande betrekt verweerder slechts het ontvangen ABP pensioen van € 12.523 in de Nederlandse belastingheffing, omdat heffing over de andere inkomsten uit vroegere dienstbetrekking op basis van het belastingverdrag tussen Nederland en Suriname aan Suriname toekomt. Daarnaast is eiser geen premies volksverzekeringen verschuldigd. Op grond van het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 20 april 2010, nr. DGB2010/568M, betreffende de gevolgen van de non-discriminatiebepalingen voor de Wet inkomstenbelasting 2001, heeft eiser als buitenlandse belastingplichtige weliswaar in beginsel de mogelijkheid om alimentatie in aftrek te brengen, maar verweerder handhaaft zijn standpunt dat eiser het recht op de aftrek alimentatie niet heeft aangetoond.

9. Dit heeft ertoe geleid dat het belastbare inkomen uit werk en woning bij de uitspraak op bezwaar is vastgesteld op € 12.523 waarover eiser € 119 aan inkomstenbelasting verschuldigd is. Dit resulteert uiteindelijk in een terug te ontvangen bedrag van € 13.202, inclusief € 1.427 heffingsrente.

Geschil

10. In geschil is of verweerder eiser terecht heeft aangemerkt als buitenlandse belastingplichtige en of de aftrek van alimentatie terecht is gecorrigeerd.

11. Eiser stelt dat hij in het primaire besluit is aangemerkt als binnenlandse belastingplichtige en dat het verweerder niet vrijstaat dit standpunt in bezwaar te wijzigen. Volgens eiser zijn het primaire besluit en de uitspraak op bezwaar in strijd met het recht, althans in strijd met meerdere algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. Verder stelt eiser binnenlandse belastingplichtige te zijn en recht te hebben op de aftrek alimentatie.

12. Verweerder stelt dat eiser in 2011 kwalificeert als buitenlandse belastingplichtige, dat de aanslag bij de uitspraak op bezwaar juist is vastgesteld en het beroep daarom ongegrond moet worden verklaard. Ingeval eiser moet worden aangemerkt als binnenlandse belastingplichtige, dan is de aanslag volgens verweerder eerder te laag dan te hoog vastgesteld. Het beroep dient in dat geval niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Beoordeling van het geschil

13. De rechtbank stelt voorop dat indien eiser geheel zou worden gevolgd in zijn beroepsgronden dat hij kwalificeert als binnenlandse belastingplichtige en recht heeft op de door hem geclaimde aftrek van alimentatie, dit tot gevolg zou hebben dat zijn belastbare inkomen en de daarover verschuldigde premie en belasting op beduidend hogere bedragen zouden moeten worden vastgesteld dan nu bij de uitspraak op bezwaar is gebeurd. Daarmee zou eiser fiscaal in een nadeliger positie komen te verkeren wat tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep zou leiden wegens het ontbreken van processueel belang. De stelling van eiser dat verweerder op deze manier de weg vrij heeft gemaakt voor de Sociale Verzekeringsbank (Svb) om zijn AOW-aanspraak te wijzigen en hem de mogelijkheid heeft ontnomen om het standpunt van verweerder hierover in rechte te bestrijden, maakt dat niet anders. De Svb heeft immers een eigen beslissingsbevoegdheid. Indien de Svb zou besluiten dat eiser niet verzekeringsplichtig is in Nederland en als gevolg daarvan de AOW toekenningsbeschikking herziet, staan daar rechtsmiddelen tegen open.

14. De rechtbank merkt overigens op dat het verweerder op zichzelf is toegestaan terug te komen van een eerder door hem ingenomen standpunt indien hij op grond van gewijzigde feiten en omstandigheden of een gewijzigd inzicht in het recht tot de conclusie komt dat het eerder door hem ingenomen standpunt onjuist is (vergelijk Gerechtshof Arnhem, 13 maart 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BV9731).

15. Dat neemt echter niet weg dat eiser nog wel belang heeft bij de beantwoording van de vraag of hij recht heeft op de aftrek van alimentatie. Bevestigende beantwoording van die vraag heeft immers tot gevolg dat eiser in het geheel geen belasting verschuldigd zou zijn. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zal de rechtbank zich uitsluitend uitlaten over het geschilpunt inzake de aftrek alimentatie.

16. Uit het onder 8 genoemde beleidsbesluit blijkt dat ook buitenlandse belastingplichtigen woonachtig in Suriname aanspraak kunnen maken op aftrek van alimentatie. De bewijslast daarvoor rust op eiser. Met hetgeen hij heeft verklaard en overgelegd is eiser hierin, tegenover de gemotiveerde weerspreking door verweerder, niet geslaagd. Uit het samenlevingscontract blijkt niet dat en tot welke bedragen en gedurende welke periode eiser onderhoudsplichtig jegens de ex-partner is. Uit de tot de gedingstukken behorende bankafschriften, volgt evenmin dat sprake is van dergelijke onderhoudsbijdragen nu daarop de naam van de ex-partner niet staat vermeld en evenmin een omschrijving voorkomt waaruit dit zou kunnen worden afgeleid.

17. Ook de beroepsgrond van eiser dat sprake is van schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur faalt, nu hij deze grond niet dan wel onvoldoende heeft geconcretiseerd.

18. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

19. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Ebbeling, rechter, in aanwezigheid van mr. M.G.J. Konings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 augustus 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.