Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9821

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-06-2016
Datum publicatie
23-08-2016
Zaaknummer
C-09-510612-KG ZA 16-570
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding tegen de Staat. Eiser is op Sint Maarten veroordeeld tot gevangenisstraf. Is ten behoeve van zijn veiligheid naar een Nederlandse gevangenis overgebracht. Einde straf is in zicht. Eiser vordert – onder meer – een verbod om terug naar Sint Maarten te worden gebracht. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/510612 / KG ZA 16/570

Vonnis in kort geding van 3 juni 2016

in de zaak van

[eiser] ,

verblijvende te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. I.N. Weski te Rotterdam,

tegen:

De Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de akte houdende een vermeerdering van eis;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 3 juni 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Op 3 juni 2016 is door middel van een verkort vonnis uitspraak gedaan. Het onderstaande vormt daarvan de uitwerking.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is bij vonnis van het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten van

28 maart 2012 wegens verboden wapenbezit veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

2.2.

Bij Ministeriele beschikking van 5 oktober 2012 is [eiser] na een deel van de hem opgelegde gevangenisstraf te hebben uitgezeten, voorwaardelijk in vrijheid gesteld.

2.3.

Bij Ministeriele beschikking van 13 november 2013 is voormelde beschikking tot voorwaardelijke invrijheidstelling herroepen en bepaald dat het resterende deel van de aan [eiser] opgelegde gevangenisstraf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.

2.4.

Bij vonnis van 27 juli 2015 is [eiser] (in hoger beroep) door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie wegens drugs- en verboden wapenbezit veroordeeld tot een gevangenisstraf van 40 maanden. In eerste aanleg was hij door het Gerecht in eerste aanleg bij vonnis van

9 mei 2014 veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren.

2.5.

Bij brief van 17 september 2014 heeft de procureur-generaal van Curaçao, Sint Maarten en Caribisch Nederland aan de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie het verzoek gedaan om [eiser] op grond van de Onderlinge regeling als bedoeld in artikel 38 van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden regelende de samenwerking tussen Nederland, Aruba, Curacao en Sint Maarten op het gebied van de onderlinge beschikbaarstelling van detentiecapaciteit op medische gronden of in verband met dringende redenen van veiligheid (hierna: de ORD 2) tijdelijk over te mogen plaatsen naar een penitentiaire inrichting in Nederland. Zulks omdat de veiligheid van [eiser] in de [A] gevangenis op Sint Maarten niet kon worden gegarandeerd, nadat een medegedetineerde [eiser] met een vuurwapen had belaagd.

2.6.

Ten tijde van dit verzoek was [eiser] gedetineerd uit hoofde van het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van 9 mei 2014. Aansluitend zou de tenuitvoerlegging van het resterende deel van de door het Gerecht in Eerste Aanleg van Sint Maarten op 28 maart 2012 opgelegde gevangenisstraf aanvangen.

2.7.

Nadat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris) had ingestemd met het verzoek om tijdelijke overplaatsing, is de tenuitvoerlegging van de aan [eiser] opgelegde respectievelijke gevangenisstraffen vanaf 2 november 2014 in Nederland ter hand genomen. De einddatum is 8 juni 2016. Ingevolge de ORD 2 dient [eiser] vóór die datum terug te keren naar Sint Maarten.

2.8.

[eiser] heeft de staatssecretaris verzocht om hem niet te laten terugkeren naar Sint Maarten. De staatssecretaris heeft dit verzoek afgewezen.

2.9.

In een rapport van Meldpunt GRIP, onderdeel van de Landelijke Eenheid van de politie, van 24 mei 2016 staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Sprake is van:

- voortgezet crimineel handelen

- het voorbereiden van liquidaties

- Liquidatiedreiging

(…)

[eiser] wordt gezien als een van de kopstukken van een Curaçaose bende, de [Naam] ( [X] ) en zit gedetineerd ter zake handel in cocaïne, bezit van hennep, deelname aan een criminele organisatie en bezit van een vuurwapen.

(…)

[eiser] is geplaatst vanuit Sint Maarten in de PI [plaats 2] en heeft hier in detentie gezeten tot 3 mei 2016. Hij is vervolgens vanwege een veiligheidsrisico overgeplaatst naar PI [plaats 1] . Het risico kwam onder andere voort uit uitspraken die [eiser] tegen het personeel van PI [plaats 2] had gedaan. Dit was onder andere de volgende uitspraak:

“Als ik word terug gezonden naar Sint Maarten zal ik mij doodvechten”

(of woorden van gelijke strekking)

Informatie uit politieonderzoeken:

Uit informatie blijkt dat de kans op liquidaties groot is als [eiser] in vrijheid wordt gesteld. Aan de ene kant loopt [eiser] zelf een groot gevaar, omdat verschillende partijen hem dood willen hebben. Aan de andere kant is [eiser] vastberaden om een aantal vijanden te (laten) liquideren. Indien [eiser] in Nederland wordt vrijgelaten is er een gevaar dat er in Nederland een gewelddadig treffen plaats gaat vinden tussen de partijen. Concrete liquidatie dreigingen op het leven van [eiser] gelden nu voor Sint Maarten, Curaçao en Nederland.

Bronnen: Politie Rotterdam en TCI

(…)”

2.10.

In een rapport van korps politie Sint Maarten van 30 mei 2016 staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“(…)

Inleiding

In de PI [plaats 1] in Nederland, zit gedetineerd de veroordeelde crimineel [eiser] . Bijnaam [Q] . In dit document wordt hij verder [Q] genoemd.

(…)

De persoon [Q] is vermoedelijk een leidinggevende in een criminele groepering die zowel in Nederland, St. Maarten en Curaçao leden heeft. De naam van deze groep is [X] . [X] staat voor [Naam] . (…) De [X] groep is vermoedelijk verantwoordelijk voor ripdeals, internationale drugshandel, afpersing, bedreiging en moord. Leden van de groep zijn vermoord, zitten gedetineerd of zijn vrij.

Dreigingsbeeld

Bij opsporingsdiensten op St. Maarten is bekend dat [Q] de inzet van geweld niet schuwt om geld te maken en om zijn positie binnen de groepering en daarbuiten veilig te stellen. Het is de taal van de straat. Het draait om respect in de onderwereld waardoor balans en machtsposities worden bewerkstelligd en veiliggesteld.

(…)

Er zijn een reeks bekende en onbekende personen waarop [Q] op St. Maarten zijn gewelddadig activiteiten kan gaan richten. De vermeende gewelddadige handelingen zijn enerzijds gericht op herstel van de straatorde voor wat betreft het maken van geld en anderzijds mogelijk op het uitvoeren van vergelding voor moord op [X] leden.

(…)

Uit de samenwerking van de Info Unit KPSM met andere diensten is op dit moment geen actuele tactische informatie ter beschikking gekomen, die duidt op een acute levensdreiging voor [Q] . Dat wil echter niet zeggen dat die dreiging er niet is.

(…)

Er is sprake van een reële dreiging op St. Maarten, dat hij zelf wordt geliquideerd of dat hij anderen liquideert of laat liquideren.

(…)”

2.11.

Op 18 mei 2016 heeft [eiser] het Gemeenschappelijk Hof van Justitie verzocht het openbaar ministerie op Sint Maarten te verbieden hem over te brengen naar Sint Maarten of de Antillen, althans het openbaar ministerie op Sint Maarten te bevelen dat [eiser] in Nederland in vrijheid wordt gesteld. Bij beschikking van 2 juni 2016 is dit verzoek afgewezen. Daartoe is, voor zover hier van belang, het volgende overwogen:

“(…)

3.2.

Uit de rapportage van 30 mei 2016 van het korps politie Sint Maarten met als onderwerp “dreigingsbeeld Sint Maarten” blijkt dat er sprake is van een reële (algemene) dreiging in Sint Maarten dat verzoeker zal worden geliquideerd dan wel dat hij anderen liquideert dan wel laat liquideren, zonder dat daarbij is gebleken van een acute, actuele, of concrete dreiging tegen verzoeker. Uit deze rapportage en de daarop gegeven toelichting van de procureur-generaal ter terechtzitting blijkt dat de genoemde reële dreiging sterk samenhangt met de persoon van verzoeker en zijn vermoedelijke leidinggevende positie binnen een criminele groepering die zowel in Nederland, Sint Maarten en Curaçao opereert en leden heeft. Hieruit volgt dat de genoemde reële dreiging zich niet beperkt tot Sint Maarten maar eveneens in Nederland en Curaçao aanwezig is. Het in vrijheidstellen van de verzoeker in Nederland lijkt derhalve dezelfde veiligheidsrisico’s met zich te brengen als het in vrijheidstellen van verzoeker in Sint Maarten. Van concrete aanknopingspunten die tot een ander oordeel moeten leiden, is thans niet gebleken.

3.3.

Het hof begrijpt het verzoek van verzoeker aldus dat hij voor zijn leven vreest indien hij naar Sint Maarten wordt overgebracht en daar in vrijheid wordt gesteld en dat dit laatste daarom in Nederland moet gebeuren. Nu evenwel, zoals hiervoor overwogen, moet worden aangenomen dat ook in Nederland een reële dreiging bestaat, ziet het Hof geen aanleiding om – in afwijzing van bovengenoemde regeling – het verzoek toe te wijzen.

3.4.

In beginsel rust op het Openbaar Ministerie de verplichting om preventieve maatregelen te treffen aangaande het waarborgen van de veiligheid van een gedetineerde, indien, zoals in dit geval, sprake is van een reële dreiging jegens die gedetineerde. Blijkens de toelichting van de procureur-generaal ter terechtzitting is het Openbaar Ministerie druk doende om – in overleg met verzoeker en zijn raadslieden – dergelijke preventieve maatregelen ter bescherming van verzoeker te treffen. Dat deze beoogde preventieve maatregelen ontoereikend zullen zijn is – met in achtneming van het voorgaande – niet gebleken. Aldus ziet het Hof geen aanleiding om overigens tot het treffen van een voorziening over te gaan of het subsidiair verzochte toe te wijzen.

(…)”

3 Het geschil

3.1.

Zakelijk weergeven en na wijziging van eis vordert [eiser] :

primair:

i) de Staat te verbieden dat [eiser] naar Sint Maarten dan wel een ander deel van de Antillen wordt teruggebracht;

ii) de Staat te bevelen dat [eiser] na afloop van zijn straf in Nederland in vrijheid wordt gesteld en daartoe de nodige (veiligheids)maatregelen te treffen;

subsidiair:

iii) de Staat te bevelen inzicht te geven in de door de Staat uitgevoerde veiligheidsanalyse en voorts onderzoek te doen naar i) de veiligheid op Sint Maarten en de Antillen, ii) de reis daar naartoe en iii) de op Sint Maarten te nemen maatregen, met afgifte aan de voorzieningenrechter.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – aan dat er een reële kans is dat hij na zijn vrijlating op Sint Maarten aldaar van het leven zal worden beroofd. Het onderzoek naar de moordaanslag in de gevangenis op Sint Maarten is nog steeds niet afgerond. Het is dan ook niet bekend wie behalve de schutter er nog meer bij betrokken zijn geweest en het dus op zijn leven gemunt hebben. Recent is ook de partner en een neef van [eiser] op Sint Maarten geliquideerd. Verder heeft de politie op Sint Maarten onlangs een vriend van [eiser] gewaarschuwd dat [eiser] op Sint Maarten moet vrezen voor zijn leven. Door [eiser] in weerwil van deze dreiging naar Sint Maarten over te brengen handelt de Staat in strijd met artikel 2 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De Staat dient [eiser] ter bescherming van zijn leven in Nederland in vrijheid te stellen. De minister van Justitie van Sint Maarten heeft te kennen heeft gegeven daartegen geen bezwaar te hebben, zodat hiervoor ook in zoverre geen beletsel is.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Naar de voorzieningenrechter begrijpt, legt [eiser] aan zijn vordering ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – gegeven om van de vordering van [eiser] kennis te nemen.

4.2.

[eiser] bevindt zich in Nederland op grond van de ORD 2. De ORD 2 voorziet in een tijdelijke overdracht van een gedetineerde vanuit de Caribische koninkrijksdelen naar het Europese deel van Nederland in gevallen waarin medische gronden of, zoals in het geval van [eiser] , dringende redenen van veiligheid verdere tenuitvoerlegging in het land van veroordeling onverantwoord doen zijn. Uitgangspunt daarbij is dat de gedetineerde vóór het tijdstip waarop de tenuitvoerlegging van de straf eindigt, terugkeert. Nu deze terugkeer op grond van de ORD2 feitelijk wordt geeffectueerd door het openbaar ministerie van Sint Maarten, is het onder i) gevorderde verbod aan de Staat om [eiser] over te brengen naar Sint Maarten reeds op grond hiervan niet toewijsbaar.

4.3.

Voor wat betreft de vordering om [eiser] in Nederland in vrijheid te stellen overweegt de voorzieningenrechter dat uit de ORD 2 voorts volgt dat wanneer de opgelegde straf is ondergaan, er in beginsel geen basis meer is voor verder verblijf in Nederland. Het bepaalde in artikel 2 EVRM maakt dat in het onderhavige geval niet anders. Uit het rapport van de politie op Sint Maarten blijkt immers dat er op dit moment geen aanwijzingen zijn voor een acute levensbedreiging voor [eiser] . Weliswaar is blijkens de rapporten van Meldpunt GRIP en de politie op Sint Maarten wel sprake van een algemene dreiging jegens [eiser] , maar deze is volgens diezelfde rapparten niet beperkt tot Sint Maarten, nu deze dreiging samenhangt met zijn (vermoedelijk leidinggevende) positie binnen een criminele groepering die zowel op Sint Maarten als in Nederland leden én vijanden heeft. Gelet hierop kan niet worden vastgesteld dat invrijheidstelling op Sint Maarten meer veiligheidsrisico’s met zich brengt dan invrijheidstelling in Nederland. Bij die stand van zaken kan van de Staat niet worden verlangd [eiser] in Nederland in vrijheid te stellen. De recente incidenten waar [eiser] ten slotte nog naar verwijst, waaronder de liquidatie van zijn vriendin en neef, maken dit niet anders, omdat bij gebrek aan informatie over de achtergrond van deze liquidaties, niet kan worden vastgesteld dat deze verband houden met de persoon van [eiser] . Conclusie is dat het onder ii) gevorderde niet toewijsbaar is.

4.4.

Het subsidiair gevorderde is evenmin toewijsbaar, nu de Staat met de hiervoor geciteerde rapporten de veiligheidssituatie van [eiser] naar voorshands oordeel voldoende inzichtelijk heeft gemaakt. Dat meer of andersluidende informatie beschikbaar zou zijn, is niet aannemelijk gemaakt. Voor zover [eiser] meent dat de Staat nader onderzoek moet doen naar de veiligheid van [eiser] op Sint Maarten (en de Antillen) en de op grond daarvan te nemen maatregelen, wordt ook daaraan voorbijgegaan, nu de veiligheid van [eiser] aldaar primair de verantwoordelijkheid is van de lokale autoriteiten.

4.5.

Slotsom is dat de vorderingen zullen worden afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.435,--, waarvan 816,-- aan salaris advocaat en € 619,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op

3 juni 2016.

MvE