Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9735

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2016
Datum publicatie
18-08-2016
Zaaknummer
AWB 15 / 20692
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Machtiging voorlopig verblijf (MVV) in het kader van nareis afgewezen wegens het ontbreken van een feitelijke gezinsband tussen eisers en referent, de oudere broer van eisers. Na het overlijden van de vader heeft referent moeder ondersteund bij de opvoeding van de jongere kinderen. De rechtbank oordeelt dit onvoldoende om een feitelijke gezinsband op te baseren, temeer nu moeder nog steeds bepaalde taken voor haar rekening neemt. De gezinsband tussen moeder en eisers is niet doorbroken. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15 / 20692

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2016 in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

[eiseres 1] , eiseres 1,

[eiseres 2] , eiseres 2,

tezamen te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. M.J.C. van den Hoff),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van eisers om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘gezinshereniging in het kader van nareis’ afgewezen.

Bij besluit van 28 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2016. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en de heer [naam referent] (referent). Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 , eiseres 1 op [geboortedatum] 2003 en eiseres 2 op [geboortedatum] 2005. Zij hebben allen de Ethiopische nationaliteit. Op 13 februari 2015 heeft referent ten behoeve van eisers bovengenoemde aanvragen om verlening van een mvv met als doel ‘gezinshereniging in het kader van nareis asiel’ ingediend. Eisers beogen (uiteindelijk) verblijf bij referent, hun oudere broer en gesteld pleegvader, die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de bovengenoemde aanvragen afgewezen. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat referent, voorafgaand aan zijn vertrek, in één woning samenwoonde met zijn moeder, zijn broertje en zijn zusjes. Uit het eerste gehoor van de asielprocedure van referent en het begeleidend schrijven bij de aanvragen blijkt dat eisers momenteel bij hun moeder woonachtig zijn. Zij is verantwoordelijk voor de zorg voor deze vreemdelingen. Het betoog van referent dat zijn vijftigjarige moeder bejaard is, lijdt niet tot een andere conclusie. Verweerder is daarom van oordeel dat eisers tot het gezin van de moeder van referent behoren en niet tot het gezin van referent zelf. Daarmee behoren eiseres niet tot een van de categorieën, genoemd in artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 en komen zij niet in aanmerking voor een afgeleide status op grond van het nareisbeleid.

3. Eisers hebben zich niet met het primaire besluit kunnen verenigen en namens hen is hiertegen bezwaar gemaakt. Op 20 oktober 2015 is referent door verweerder gehoord.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat onbetwist is dat de moeder van eisers nog in leven is, dat de ratio van het nareisbeleid luidt dat er altijd sprake is van gezinsleven tussen ouders en biologische kinderen en dat niet valt in te zien dat de feitelijke gezinsband tussen eisers en hun moeder als verbroken zou moeten worden beschouwd. Volgens verweerder leidt de omstandigheid dat referent na de verdwijning van zijn vader als pleegouder gefungeerd zou hebben en dat hij zijn moeder ondersteund zou hebben bij de opvoeding en verzorging van eisers niet tot een andere conclusie. Dit geldt eveneens voor het betoog van eisers in bezwaar dat zij en hun moeder momenteel apart van elkaar – op vier uren reisafstand – wonen en de gestelde medische klachten van de moeder van eisers. Niet gebleken is dat de moeder van eisers qua zorg afhankelijk zou zijn van referent en dat zij niet in staat was voor eisers te zorgen. Referent heeft bovendien nagelaten de aard van de gestelde gezondheidsklachten van zijn moeder te onderbouwen met (indicatieve) bewijsstukken, hetgeen voor eigen risico komt. De klachten zijn kennelijk niet van dermate ernstige aard dat de moeder van eisers hiervoor onder behandeling van een arts staat. Voorts wordt de conclusie dat er sprake is van een gezinsband tussen eisers en hun moeder versterkt door de verklaring van referent dat hij de financiële verantwoordelijkheid voor het gezin droeg en zijn moeder de dingen thuis deed. Hoewel wellicht nog aannemelijk is dat eisers financieel afhankelijk waren van referent is niet aannemelijk dat referent, mede gelet op de werkzaamheden die hij zou hebben verricht om het gezin financieel te ondersteunen, ook belast was met de dagelijks verzorging en opvoeding van eisers. Vanuit het perspectief van het kind wordt echter het belast zijn met de dagelijkse zorg in het kader van de onderhavige beoordeling wezenlijker geacht dan de financiële zorg. Verweerder verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 23 mei 2013 (ECLO:NL:RBDHA:2013:CA0996). Gelet op het bovenstaande is verweerder van oordeel dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000, nu eisers niet tot een van de categorieën personen horen waarvoor nareis is bedoeld.

Ten aanzien van het beroep van eisers op artikel 8 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) stelt verweerder zich op het standpunt dat artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 beperkt dient te worden opgevat, in die zin dat geen nadere afweging in het kader van artikel 8 van het EVRM dient plaats te vinden dan de afweging die reeds in die bepaling besloten ligt.

5. Eisers kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen en betogen daartoe – samengevat weergegeven – het volgende.

Eisers zijn van mening dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet valt in te zien dat de feitelijke gezinsband tussen eisers en hun moeder als verbroken zou moeten worden beschouwd. Uit het dossier blijkt dat referent, na verdwijning van zijn vader, diens rol in het gezin volledig heeft overgenomen. Zijn rol was daarmee gelijkwaardig aan die van zijn vader. Referent zorgde bovendien niet enkel voor de financiën, maar nam ook doorslaggevende beslissingen over eisers en werd door eisers ook gehoorzaamd. In zoverre had hij een opvoedende verantwoordelijkheid en taken. Daarnaast had hij andere zorgtaken, zo deed hij de was en boodschappen (water kopen). Verweerder bagatelliseert ten onrechte de rol van referent binnen het gezin.

Voorts volgt uit het dossier dat de moeder van eisers vanwege gezondheidsklachten gebrekkig functioneerde, waardoor de verantwoordelijkheid en de zorg van de zijde van referent meeromvattend was dan dat het geval zou zijn geweest als zijn moeder volledig zou hebben gefunctioneerd.

Hierbij komt dat sinds het vertrek van referent uit Ethiopië de situatie dusdanig is veranderd dat het niet meer mogelijk is dat eisers samenwonen met hun moeder. Eisers en hun moeder wonen thans niet meer samen, hetgeen is veroorzaakt door omstandigheden die noch eisers noch hun moeder hebben gewild, maar die zij niet kunnen veranderen. Dit maakt dat er geen sprake meer is van het feitelijk behoren tot het gezin van de moeder. Het ziet er niet naar uit dat deze situatie op korte termijn zal veranderen in die zin dat eisers en hun moeder weer samen zullen zijn. Verweerder neemt dit onvoldoende in zijn overweging mee.

Vervolgens wijzen eisers op onderdeel C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) en hetgeen daarin staat opgenomen over pleegkinderen. Verweerder heeft niet alle in het beleid genoemde omstandigheden betrokken in de besluitvorming.

Daarnaast stellen eisers zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte concludeert dat niet is gebleken dat de moeder van eisers momenteel onder behandeling staat van een arts en dat is nagelaten de aard van de gestelde gezondheidsklachten verder te onderbouwen met (indicatieve) bewijsstukken. Het asielrelaas van referent is geloofwaardig bevonden en ook hetgeen hij gedurende de hoorzitting naar voren heeft gebracht is niet in twijfel getrokken. In zoverre dient verweerder ook uit te gaan van de verklaringen van referent over de gezondheid van zijn moeder en haar rol in het gezin. De moeder van eisers sukkelt al langdurig met haar gezondheid en wordt behandeld met maagtabletten, injecties en een lokaal medicijn, hetgeen niet ongeloofwaardig is te achten, gelet op de context en hetgeen bekend is over de situatie in Ethiopië. Nog daargelaten dat het praktisch onmogelijk is om de medische situatie te onderbouwen en er zodoende sprake is van bewijsnood, heeft deze onderbouwing ook geen toegevoegde waarde.

Ten slotte zijn eisers van mening dat het weigeren een mvv toe te kennen een schending oplevert van artikel 8 van het EVRM.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

7. Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

a. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling;

b. de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin;

c. de ouders van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 2, onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

8. Ingevolge onderdeel C2/4.1 van de Vc 2000, voor zover hier van belang, verleent verweerder de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 tweede lid, Vw, als de kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner feitelijk behoren tot het gezin van de referent. De referent in Nederland moet aantonen dat zijn kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner vóór binnenkomst van de referent in Nederland feitelijk tot zijn gezin hebben behoord en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. De referent onderbouwt dit met documenten. De referent moet aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen verstrekken over het feitelijk behoren tot zijn gezin van zijn kinderen of ouders, als de referent de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen.

Vorenstaande is ook van toepassing op niet-biologische (adoptie- of pleeg)kinderen.

Er is altijd sprake van gezinsleven tussen ouders en hun, tijdens het huwelijk of met het huwelijk gelijkgestelde relatie geboren, minderjarige biologische kinderen in de zin van artikel 8 EVRM. Als sprake is van gezinsleven, wordt aangenomen dat het minderjarige biologische kind feitelijk behoort tot het gezin.

Ook als men niet heeft samengewoond of maar heel kort heeft samengewoond, of indien er in een periode weinig of geheel geen contact is geweest, zijn er andere zwaarwegende feiten nodig om het gezinsleven als beëindigd te kunnen aanmerken.

Het uitgangspunt is dat voor biologische minderjarige kinderen geldt dat de biologische band tussen de ouder(s) en het kind als feitelijke gezinsband wordt aangemerkt. Slechts in zeer uitzonderlijke situaties eindigt de gezinsband tussen ouders en hun minderjarige biologische kinderen.

Indien er sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden (contra-indicaties), kan in ieder geval worden aangenomen dat het kind niet langer feitelijk tot het gezin van de ouder(s) behoort:

• het kind woont zelfstandig en voorziet in eigen onderhoud;

• het kind is een huwelijk of relatie aangegaan;

• het kind is belast met de zorg voor een buitenechtelijk kind.

Indien het kind zelf de zorg heeft voor afhankelijke gezinsleden, onder wie (buitenechtelijke) kinderen, is dit alleen een reden om aan te nemen dat het niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouder(s), indien daarnaast sprake is van één van de eerste twee hiervóór genoemde omstandigheden.

Anders dan bij biologische kinderen kan bij (meerderjarige en minderjarige) adoptie- en pleegkinderen niet door middel van een DNA-onderzoek worden aangetoond dat de referent en het kind tot elkaar in relatie staan. In deze gevallen moet op een andere manier worden getoetst of er sprake was van een feitelijke gezinsband tussen de referent en het pleegkind. De referent en de vreemdeling moet dit aannemelijk maken.

Bij de beoordeling of het (meerderjarige en minderjarige) pleegkind feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de referent, wordt onder meer betrokken:

• • de duur van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent;

• • de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van referent;

• • de reden waarom het pleegkind is opgenomen in het gezin en, als dit aan de orde is, de reden dat een pleegkind tijdelijk buiten het gezin is geplaatst. Dit is van belang bij het vaststellen of anderen de zorg voor het kind hebben overgenomen waarmee het pleegkind feitelijk hun pleegkind is geworden.

In het geval van pleegkinderen worden alle feiten en omstandigheden van voor binnenkomst van de referent in Nederland betrokken bij de beoordeling van de gezinssituatie. Het moet daarbij gaan om feiten en omstandigheden die erop wijzen dat er sprake is geweest van een feitelijke gezinsband met de referent.

Als de feitelijke gezinsband tussen het pleegkind en de referent is vastgesteld, dan zijn de voorwaarden voor het verbreken van de feitelijke gezinsband voor niet-biologische kinderen gelijk aan die van biologische kinderen.

Indien na aankomst in Nederland wordt geconstateerd dat het pleegkind niet feitelijk behoorde tot het gezin, moet het pleegkind vreemdelingrechtelijk als alleenstaande minderjarige vreemdeling worden beschouwd en behandeld. Het pleegkind, dat door de IND wordt beschouwd als alleenstaande minderjarige vreemdeling, of diens wettelijke vertegenwoordiger moet dan alsnog een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indienen.

9. De rechtbank overweegt allereerst dat de aanvragen van eisers gekwalificeerd dienen te worden als aanvragen om verlening van een mvv in het kader van nareis asiel. Een aanvraag om een mvv dient te worden beoordeeld aan de hand van dezelfde criteria als die gelden voor de beoordeling van een aanvraag om verlening van de (uiteindelijk) beoogde verblijfsvergunning. Naar de rechtbank begrijpt is het doel van eisers om uiteindelijk in het bezit gesteld te worden van een afgeleide verblijfsvergunning asiel, als bedoeld in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Voor de onderhavige procedure is daarom van belang de vraag of eisers feitelijk deel uitmaakten van het gezin van referent. Eisers dienen dit aannemelijk te maken.

10. De rechtbank begrijpt, mede gelet op het hierboven aangehaalde beleid, het standpunt van verweerder in het bestreden besluit aldus dat biologische kinderen (in beginsel) tot het gezin van hun ouders behoren en dat deze gezinsband slechts in zeer uitzonderlijke situaties eindigt. Ook in het geval dat een kind zelf de zorg heeft voor afhankelijke gezinsleden, zoals referent stelt dat het geval was bij hem en eisers, brengt dit niet met zich dat het kind niet langer feitelijk behoort tot het gezin van de ouders, behalve als het betreffende kind zelfstandig woont en voorziet in zijn eigen onderhoud, dan wel als het kind een huwelijk of relatie is aangegaan. Van een van de twee laatstgenoemde omstandigheden is niet gebleken. De rechtbank acht het door verweerder gehanteerde beleid noch de toepassing hiervan en de stellingname in het bestreden besluit onredelijk. Voor de onderhavig zaak brengt het bovenstaande met zich dat in beginsel ervan uitgegaan moet worden dat zowel referent als eisers tot het gezin van hun moeder behoren en dat de omstandigheid dat referent, zoals hij beschrijft, zijn moeder feitelijk (onder meer financieel) ondersteund heeft bij de opvoeding en verzorging van eisers, net als zijn vader voorheen deed, niet maakt dat op grond hier van een ‘pleegouder-pleegkind’ relatie kan worden aangenomen tussen referent en eisers of dat hiermee een apart (pleeg)gezin is ontstaan. Immers, niet is gebleken dat de moeder geen verzorgende en opvoedende rol meer vervulde en dat dit hoofdzakelijk door referent werd gedaan. Verweerder heeft in dit verband meer waarde kunnen hechten aan de biologische band tussen de moeder en eisers en de verzorgende rol die de moeder in het gezin had, ten opzichte van de overwegend financieel ondersteunde rol die referent (waarbij hij overigens in enige mate werd geholpen door zijn broer [naam broer] ) vervulde (hetgeen niet betekent dat hij niet belast was met zorgtaken, zoals het doen van boodschappen en de was). Vervolgens rijst de vraag of er andere omstandigheden spelen waardoor geconcludeerd moet worden dat de feitelijke gezinsband tussen eisers en hun moeder verbroken moet worden geacht, maar waardoor er wel sprake zou zijn van een feitelijke gezinsband tussen hen en referent. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

11. Hetgeen eisers naar voren hebben gebracht over de medische situatie van hun moeder leidt niet tot het oordeel dat niet langer kan worden gesproken van een feitelijke gezinsband. Immers, niet is gebleken dat zij vanwege de medische klachten niet in staat was zorg voor eisers te dragen of als gezinshoofd te fungeren, dan wel dat zij zelf volledig afhankelijk was van referent. Referent heeft immers aangegeven dat zijn moeder in huis deed wat zij kon doen voor gezinsleden (waaronder koken) en dat zij helder van geest was. Verweerder heeft zich in dit verband verder op goede gronden op het standpunt gesteld dat niet is gebleken dat de moeder van eisers onder actieve behandeling van een arts stond. Eisers hebben weliswaar in dit verband betoogd dat het asielrelaas van referent geloofwaardig is bevonden en dat ook ervan moet worden uitgegaan dat de verklaringen over de gezondheid van de moeder correct zijn, maar dit laat onverlet dat ook uit de verklaringen van eisers en referent niet volgt dat hun moeder onder behandeling stond van een arts. Referent heeft enkel verklaard dat zijn moeder al langdurig sukkelt met haar gezondheid en dat hij voor haar medicijnen (maagtabletten) en Vinto (een soort jus van geperst fruit) kocht en injecties haalde bij de apotheek. Gelet hierop is niet gebleken dat de klachten van de moeder van eisers van dermate serieuze aard waren dat zij niet meer de rol van hoofd van het gezin kon vervullen en de gezinsband tussen haar en haar kinderen daarom als verbroken zou moeten worden beschouwd.

12. Met betrekking tot de gewijzigde situatie na het vertrek van referent uit Ethiopië en de omstandigheid dat eisers en hun moeder thans gescheiden leven, overweegt de rechtbank dat dit niet valt aan te merken als een uitzonderlijke situatie waardoor het gezinsleven als beëindigd moet worden aangemerkt. Zoals overwogen onder 8 maakt de omstandigheid dat er in een periode weinig of geheel geen contact is geweest tussen ouders en biologische kinderen nog niet dat er geen sprake meer is van een feitelijke gezinsband en zijn er andere zwaarwegende feiten nodig om het gezinsleven als beëindigd te kunnen aanmerken. Deze zijn in het onderhavige geval niet gebleken. Daarbij komt dat, nu niet is gebleken van een feitelijke gezinsband (in de vorm van een pleegouder-pleegkinderen verhouding) tussen referent en eisers vóór de binnenkomst van referent in Nederland, het verminderde contact tussen eisers en hun moeder nog niet maakt dat er thans wel een feitelijke gezinsband tussen referent en eisers is ontstaan. Als door het gescheiden leven de gezinsband tussen moeder en kinderen als verbroken beschouwd zou moeten worden, geldt dit temeer voor de gezinsband tussen referent en eisers.

13. Gelet op het bovenstaande hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij niet meer behoren tot het gezin van hun moeder en dat er sprake is van een feitelijke gezinsband tussen hen en referent. De rechtbank is niet gebleken dat verweerder niet alle omstandigheden in de besluitvorming zou hebben betrokken en dat in strijd met onderdeel C2/4.1 van de Vc 2000 zou zijn gehandeld.

14. Ten slotte overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) de Vw 2000 buiten artikel 29, tweede lid, geen grond biedt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel ter bescherming van "family life", als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en dat de beoordeling van de toepassing van artikel 8 van het EVRM buiten voormelde bepalingen plaats dient te vinden in de procedure over een verblijfsvergunning regulier (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 1 augustus 2013, ECLI:NL:RVS:2013:651). Reeds hierom kan het beroep van eisers op artikel 8 van het EVRM niet slagen.

15. Nu geen van de aangevoerde beroepsgronden slagen is het beroep ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Diem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 25 juli 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.