Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9729

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-08-2016
Datum publicatie
18-08-2016
Zaaknummer
09/842110-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering in persoonlijke dienstbetrekking en van het plegen van witwassen een gewoonte maken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/842110-14

Datum uitspraak: 18 augustus 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 4 augustus 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. Sleeswijk Visser en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. M.W. Stoet, advocaat te Den Haag, en door verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting medegedeeld dat hij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting – ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 12 september 2013 te 's-Gravenhage, althans in Nederland en/of in Roemenië en/of in Egypte opzettelijk een of meerdere geldbedrag(en) waaronder (in ieder geval) 11.931,44 euro (ING Commercial cards) en/of 16.901,06 euro (GECB Mastercard) en/of 44.105,77 euro (American Express Service) (credicards) en/of 409.987,18 euro (contante geldopnamen) en/of een of meerdere geldbedrag(en) (een of meerdere overboeking(en) naar zijn, verdachtes, rekening(en) en/of naar een of meerdere rekening(en) van zijn, verdachtes, partner en/of familie(leden)), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde] en/of [benadeelde] ,

in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren)

verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als General Manager en/of Financieel Manager, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 12 september 2013 te 's-Gravenhage, althans in Nederland en/of in Roemenië en/of in Egypte met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een geldautomaat/pinautomaat en/of van een of meerdere bankrekening(en) heeft weggenomen een of meerdere geldbedrag(en) waaronder (in ieder geval) 11.931,44 euro (ING Commercial cards) en/of 16.901,06 euro (GECB Mastercard) en/of 44.105,77 euro (American Express Service) (credicards) en/of 409.987,18 euro (contante geldopnamen) en/of een of meerdere geldbedrag(en) (een of meerdere overboeking(en) naar zijn, verdachtes, rekening(en) en/of naar een of meerdere rekening(en) van zijn, verdachtes, partner en/of familie(leden)), in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] en/of [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, zulks na zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik te hebben gebracht door onbevoegd gebruik te maken van een of meerdere creditcard(s) en/of een of meerdere bankpas(sen) (met bijbehorende pincode(s)) ten name van [benadeelde] en/of [benadeelde] ;

en/of

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 12 september 2013 te 's-Gravenhage, althans in Nederland en/of Roemenië en/of in Egypte met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [benadeelde] en/of [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van een of meerdere geldbedrag(en) waaronder (in ieder geval) 11.931,44 euro (ING Commercial cards) en/of 16.901,06 euro (GECB Mastercard) en/of 44.105,77 euro (American Express Service) (credicards) en/of 409.987,18 euro) (contante geldopnamen) en/of een of meerdere geldbedrag(en) (een of meerdere overboeking(en) naar zijn, verdachtes, rekening(en) en/of naar een of meerdere rekening(en) van zijn, verdachtes, partner en/of familie(leden),

in elk geval van enig goed, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk -

zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid (telkens) een of meerdere betalingsopdracht(en) klaar gezet in een batch, waarbij hij, verdachte, bij een of meerdere betaling(en) zijn, verdachtes, rekeningnummer(s) en/of de/het rekeningnummer(s) van zijn partner ( [medeverdachte] ) heeft gezet en/of (vervolgens) deze batch (ter goedkeuring) doorgestuurd naar de Financial controller en/of een of meerdere klant(en) briefpapier en/of (een) factu(u)r(en) gestuurd met daarop het oude en/of slapende rekeningnummer van [benadeelde] en/of (vervolgens) een of meerdere van dit/deze door (de) klant(en) gestorte bedrag(en) middels een/meerdere pintransactie(s) opgenomen en/of naar zijn, verdachtes, rekeningnummer(s) gestort en/of voor een of meerdere prive aanko(o)p(en) aangewend en/of deze aanko(o)p(en) voorzien van (een) andere omschrijving(en), waardoor [benadeelde] en/of [benadeelde] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 12 september 2013 te Den Haag en/of elders in Nederland en/of Roemenië en/of Egypte (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft/hebben hij, verdachte en/of een of meer van zijn mededader(s) (telkens)

- van onderstaande voorwerp(en), de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats en/of vervreemding en/of verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verhuld en/of verborgen wie de rechthebbende op dat/die voorwerp(en) is/was en/of dat/die voorwerp(en) voorhanden heeft/had en/of

- onderstaand(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet of van genoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt,

te weten een (een deel/delen van) een of meer geldbedrag(en), van in totaal

888.755,10 euro

terwijl verdachte en/of verdachtes mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

3 Voorvragen

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van feit 1 eerste cumulatief/alternatief (partieel) nietig dient te worden verklaard. Volgens de verdediging is de feitelijke omschrijving van dit deel van de tenlastelegging onvoldoende concreet. Bovendien ontbreekt er een gedeelte van de tekst, welk gedeelte te groot is om ‘in te lezen’ of om als kennelijke verschrijving te worden opgevat.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de verdediging dient te worden verworpen. Naar zijn mening is de tenlastelegging ten aanzien van feit 1 eerste cumulatief/alternatief voldoende duidelijk en wist verdachte goed waartegen hij zich moest verdedigen.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer. Naar haar oordeel voldoet de tenlastelegging ten aanzien van feit 1 eerste cumulatief/alternatief aan de eisen zoals in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering gesteld. De verweten gedragingen volgen voldoende concreet uit de tenlastelegging. Voorts is tijdens het onderzoek ter terechtzitting op generlei wijze gebleken dat bij verdachte sprake was van verwarring of onduidelijkheid met betrekking tot de handelingen die hem onder dit feit worden verweten. Overigens is de tenlastelegging ook taalkundig in orde, hetgeen ook mag blijken uit de bewezenverklaring. De dagvaarding is mitsdien geldig.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Verdachte wordt (kort gezegd) verweten dat hij zich gedurende een periode van ruim zeven jaar schuldig heeft gemaakt aan verduistering van geldbedragen uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking als General Manager / Financieel Manager bij [benadeelde] en/of [benadeelde] (hierna ook tezamen aangeduid als [benadeelde] ) en/of diefstal met valse sleutels van geldbedragen en/of oplichting van [benadeelde] ter zake van geldbedragen (feit 1). Daarnaast wordt hij verdacht van witwassen van geldbedragen van in totaal € 888.755,10 (feit 2).

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Met betrekking tot feit 1 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dit feit kan worden opgesplitst in een viertal verschillende handelingen met bijbehorende kwalificatie, te weten (kort gezegd):

  1. dat verdachte klanten geldbedragen heeft laten overmaken naar de slapende rekening van [benadeelde] , welke geldbedragen hij zich vervolgens heeft toegeëigend, zijnde verduistering in dienstbetrekking (eerste cumulatief/alternatief);

  2. dat verdachte van de rekening van [benadeelde] en/of [benadeelde] contante geldbedragen heeft opgenomen, zijnde verduistering in dienstbetrekking (eerste cumulatief/alternatief);

  3. dat verdachte heeft gepind met een creditcard/betaalpas van [benadeelde] en/of [benadeelde] , zijnde diefstal met valse sleutels (tweede cumulatief/alternatief);

  4. dat verdachte betalingsopdrachten heeft klaargezet in een batch, waarbij verdachte bij de betaling het rekeningnummer van de en/of-bankrekening van hem en zijn partner [medeverdachte] heeft gezet en vervolgens deze batch ter goedkeuring heeft doorgestuurd naar de financial controller, zijnde oplichting (derde cumulatief/alternatief).

Met betrekking tot feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat sprake is van gewoontewitwassen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich met betrekking tot feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot feit 2 heeft de verdediging (partiële) vrijspraak bepleit op diverse gronden. Deze zullen hierna bij de beoordeling van de tenlastelegging besproken worden.

4.4

Het oordeel van de rechtbank1

Ten aanzien van feit 1:

Nu verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren heeft bekend en nadien niet anders heeft verklaard, en hij noch zijn raadsman vrijspraak hebben bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 augustus 2016;

  • -

    proces-verbaal van aangifte [naam] namens [naam] , d.d. 13 september 2013, p. 30 – 33;

  • -

    proces-verbaal van aanvulling aangifte [naam] , d.d. 28 mei 2014 en ondertekend op 13 juni 2014, p. 50 – 59;

  • -

    proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van door ING Bank N.V. verstrekte transactiegegevens van bankrekening 69.07.60.450 ten name van [benadeelde] , d.d. 13 juni 2014, p. 219 – 222;

  • -

    proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van door Rabobank verstrekte transactiegegevens van bankrekening 14.22.53.715 ten name van [verdachte] en/of [medeverdachte] , d.d. 17 juni 2014, p. 599 – 602;

  • -

    proces-verbaal van bevindingen naar aanleiding van door ABN Amro Bank N.V. verstrekte transactiegegevens van bankrekening 88.61.33.017 ten name van [verdachte] en/of [medeverdachte] , d.d. 17 juni 2014, p. 652 – 657.

Ten aanzien van feit 2:

Onder feit 2 wordt verdachte verweten meerdere geldbedragen te hebben witgewassen. Onder verwijzing naar de onder feit 1 aangehaalde bewijsmiddelen komt de rechtbank allereerst tot de vaststelling dat deze geldbedragen een criminele herkomst hebben, namelijk de eigen misdrijven van verdachte (verduistering in dienstbetrekking, diefstal met valse sleutels en oplichting).

Verdachte heeft verklaard dat hij van de uit misdrijven afkomstige geldbedragen in totaal een bedrag van € 497.628,00 heeft uitgegeven. Dit bedrag valt uiteen in een bedrag van € 326.305,00 betreffende grote uitgaven (reizen naar Roemenië, de aankoop, verbouw en inrichting van een appartement in Bacau (Roemenië), partner- en kinderalimentatie, de aanschaf van een auto, de verbouw en inrichting van zijn woning aan [adres] in Den Haag en de aankoop van stuk grond in Roemenië), een bedrag van € 64.511,00 aan privé-uitgaven, contante opnames in het buitenland en gebruik van de creditcard (zoals berekend door [benadeelde] ), en een bedrag van € 106.812,00 samenhangend met een exorbitant uitgavenpatroon (dure vakanties en uitjes, dure pakken en diners). Ter onderbouwing heeft de verdediging een overzicht van deze uitgaven overgelegd.2

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat voor het ten laste gelegde bedrag van € 888.755,10. Wel is er, op grond van de verklaring van verdachte, voldoende bewijs voor een totaalbedrag van € 497.628,00.

Vrijspraak eerste gedachtestreepje – artikel 420bis lid 1 onder a Wetboek van Strafrecht

De rechtbank zal verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijspreken nu niet is gebleken dat verdachte handelingen heeft verricht waarmee de werkelijke aard of herkomst van de geldbedragen zijn verborgen of verhuld. De geldbedragen zijn immers rechtstreeks op de bankrekening van verdachte terechtgekomen en vervolgens uitgegeven dan wel, met gebruikmaking van de betaalpas of creditcard van [benadeelde] , onmiddellijk aangewend voor de aanschaf van goederen of diensten.

Bewezenverklaring tweede gedachtestreepje – artikel 420bis lid 1 onder b Wetboek van Strafrecht

De verdediging heeft vrijspraak bepleit van de uitgaven die verdachte heeft gedaan met gebruikmaking van de pinpas of creditcard van [benadeelde] . In deze gevallen valt het verwervingsmisdrijf steeds samen met het uitgeven. In dat geval is geen sprake van witwassen, omdat niet expliciet blijkt van gedragingen die (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het voorwerp, aldus de verdediging.

De rechtbank overweegt omtrent dit verweer als volgt. Verdachte heeft zich door gebruikmaking van de betaalpas en de creditcard van [benadeelde] de girale geldbedragen wederrechtelijk toegeëigend en heeft deze geldbedragen vervolgens direct gebruikt voor de aanschaf van goederen of diensten. Aldus valt de handeling van verdachte (het zonder toestemming betalen met betaalpas of creditcard) uiteen in twee van elkaar te onderscheiden strafbare feiten, namelijk diefstal met valse sleutels en witwassen in de zin van verwerven, omzetten en gebruik maken. Dat staat echter niet in de weg aan een bewezenverklaring van beide feiten.

Voor zover het verweer van de raadsman ziet op de kwalificatie ‘witwassen’, komt dit hierna bij de strafbaarheid van het bewezenverklaarde aan de orde.

Gewoontewitwassen

Gelet op de lange periode en het grote aantal uitgaven is de rechtbank van oordeel dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van geldbedragen.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van verdachte bewezen dat:

1.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 12 september 2013 te 's-Gravenhage opzettelijk geldbedragen (overboekingen naar zijn, verdachtes, rekening(en) en/of van zijn, verdachtes, partner) die toebehoorden aan [benadeelde] en/of [benadeelde] en die verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als General Manager en/of Financieel Manager onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

en

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 12 september 2013 in Nederland en in Roemenië en in Egypte met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een geldautomaat/pinautomaat heeft weggenomen geldbedragen, toebehorende aan [benadeelde] en/of [benadeelde] , zulks na zich de weg te nemen goederen onder zijn bereik te hebben gebracht door onbevoegd gebruik te maken van een of meerdere creditcard(s) en een of meerdere bankpas(sen) (met bijbehorende pincode(s)) ten name van [benadeelde] en/of [benadeelde] ;

en

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 12 september 2013 te 's-Gravenhage met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door een listige kunstgreep, [benadeelde] heeft bewogen tot de afgifte van geldbedragen (overboekingen naar zijn, verdachtes, rekening(en) en/of van zijn, verdachtes, partner), hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk telkens een of meerdere betalingsopdracht(en) klaar gezet in een batch, waarbij hij, verdachte, bij een of meerdere betaling(en) zijn, verdachtes, rekeningnummer en/of van zijn partner ( [medeverdachte] ) heeft gezet en vervolgens deze batch ter goedkeuring doorgestuurd naar de Financial controller, waardoor [benadeelde] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 1 januari 2006 tot en met 12 september 2013 te Den Haag en/of elders in Nederland en Roemenië en Egypte van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft hij, verdachte, telkens

- onderstaande voorwerpen verworven en voorhanden gehad en omgezet en van genoemde voorwerpen gebruik gemaakt,

te weten meerdere geldbedragen van in totaal 497.628,00 euro,

terwijl verdachte wist dat die voorwerpen - onmiddellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Voor zover de verdediging een beroep heeft gedaan op de kwalificatieuitsluitingsgrond, treft dit verweer geen doel. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

De geldbedragen, zoals bewezen verklaard, zijn uit eigen misdrijf afkomstig. Het enkele verwerven of voorhanden hebben van deze geldbedragen kan daarom niet zonder meer als witwassen worden aangemerkt. De rechtbank heeft echter ook bewezen verklaard dat verdachte de geldbedragen heeft omgezet en hiervan gebruik heeft gemaakt. Of in de woorden van verdachte zelf: ‘Alles is opgegaan’. Dit maakt dat wel degelijk sprake is van witwassen. Het geld is weg en aan de door verdachte aangeschafte goederen, voor zover nog aanwezig, valt op zich niet af te leiden dat deze een criminele herkomst hebben.

Het bewezenverklaarde is derhalve volgens de wet strafbaar, omdat er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 eerste cumulatief/alternatief:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 1 tweede cumulatief/alternatief:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 1 derde cumulatief/alternatief:

oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken.

6 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van vijftien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, zal worden opgelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om rekening te houden met de volgende omstandigheden. Verdachte is first offender en heeft de feiten erkend. Daarnaast heeft verdachte afstand gedaan van alle onder hem inbeslaggenomen goederen. De gevolgen van zijn handelen, het civiele vonnis en de (dreigende) langdurige gevangenisstraf zijn voor verdachte en zijn gezin enorm. Hij heeft geen contact meer met zijn ouders en zus en zal een baan op zijn oude niveau niet meer kunnen vervullen. Ook zal hij, als kostwinner, bij een langdurige gevangenisstraf zijn gezin financieel niet meer kunnen onderhouden. Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van een schending van de redelijke termijn nu de ‘criminal charge’ is gaan lopen op het moment van de huiszoeking op 24 juni 2014 en de behandeling van de strafzaak pas op 4 augustus 2016 heeft plaatsgevonden. Gelet op al deze omstandigheden heeft de verdediging verzocht te volstaan met een straf waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte van een eventueel op te leggen gevangenisstraf zoveel mogelijk wordt beperkt. Tot slot heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte eventueel bereid is tot het verrichten van een taakstraf.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

Verdachte, die sinds september 1992 in dienst was bij [benadeelde] waarbij de laatste jaren in de functie van financieel manager en general manager, heeft zijn werkgever over een periode van ruim zeven jaar ongeveer € 500.000 afhandig gemaakt. Hij heeft geld overgemaakt naar zijn eigen bankrekeningen en privé-uitgaven gedaan met de betaalpas en creditcard van [benadeelde] . Daarnaast heeft hij op slinkse wijze een zogenoemde ‘batch’ ter betaling klaargezet, waarin hij ten onrechte zijn partner had vermeld als ‘taaltrainer’, teneinde een goedkeuring voor de batch te verkrijgen en een uitbetaling op zijn eigen bankrekening te ontvangen. Het geld dat verdachte hiermee tot zijn beschikking kreeg, heeft hij met name gebruikt voor de aanschaf van luxegoederen en een exorbitant uitgavenpatroon. Mede door het handelen van verdachte is [benadeelde] in een krappe financiële situatie terecht gekomen, waardoor het bedrijf op enig moment zelfs medewerkers heeft moeten ontslaan om het hoofd boven water te kunnen houden. Deze ontslaggesprekken werden nota bene door verdachte zelf gevoerd. Verdachte heeft aldus op grove wijze en op grote schaal bewust misbruik gemaakt van zijn positie als financieel/general manager. Het vertrouwen in hem was mede door zijn jarenlange dienstverband groot, maar met zijn handelen heeft hij dat vertrouwen ernstig beschaamd. Verdachte heeft kennelijk gehandeld uit een zucht naar geld en status, maar dat hij zijn werkgever en zijn collega’s hierdoor enorm heeft benadeeld, heeft voor hem gedurende deze zeven jaren blijkbaar geen enkele rol gespeeld. Een civiele vordering van [benadeelde] is inmiddels weliswaar toegewezen, maar het ziet ernaar uit dat [benadeelde] haar geld nooit meer terugziet, omdat verdachte niet of nauwelijks verhaal biedt. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

Documentatie

De rechtbank heeft kennisgenomen van een uittreksel justitiële documentatie d.d. 6 juli 2016, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder wegens strafbare feiten met politie of justitie in aanraking is gekomen.

Persoon van de verdachte

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsadvies van 17 maart 2016, opgemaakt door G. Ingosi-Out, reclasseringswerker bij GGZ Reclassering Palier. Door de reclassering wordt de kans op recidive als laag ingeschat. Enkele maanden na de onderhavige feiten heeft verdachte gesprekken met een psycholoog gehad, maar thans heeft hij geen hulpvraag meer. De reclassering ziet geen meerwaarde in bijzondere voorwaarden zoals een meldplicht of een behandelverplichting, omdat verdachte in staat is deze hulp zelf te organiseren. De reclassering adviseert dan ook om aan verdachte een onvoorwaardelijke straf op te leggen.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij vanaf het begin van het onderzoek zijn volledige medewerking heeft verleend en de feiten heeft bekend, en dat hij ter terechtzitting zijn verantwoordelijkheid heeft genomen en ook richting zijn werkgever spijt heeft betuigd.

De redelijke termijn

De rechtbank constateert dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM van bijna twee maanden, gerekend vanaf de doorzoeking van de woning van verdachte op 24 juni 2014 tot het vonnis van heden. De rechtbank volstaat, gelet op de geringe duur van de overschrijding, met de vaststelling daarvan.

Straf

Gelet op de ernst, omvang en duur van de feiten is de rechtbank van oordeel dat alleen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf als strafmodaliteit in aanmerking komt. Gelet op al het bovenstaande, volgt de rechtbank de officier van justitie in de door hem gedane strafeis. De rechtbank merkt hierbij nog op dat de bewezenverklaring van het gewoontewissen de op te leggen gevangenisstraf niet significant heeft verhoogd, nu de rechtbank in het kader van de straftoemeting alle feiten als onderdeel van één feitencomplex beschouwt.

8 De schadevergoedingsmaatregel

8.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat, hoewel er geen sprake is van een vordering van de benadeelde partij, wel de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte wordt opgelegd ten bedrage van € 500.000,00. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel het mogelijk zou maken om het beslag, dat reeds door het openbaar ministerie conservatoir op de goederen van verdachte is gelegd, te executeren ten behoeve van het slachtoffer. De officier van justitie verzet zich er niet tegen indien de rechtbank de vervangende hechtenis tot een minimum zal beperken.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om aan verdachte geen schadevergoedingsmaatregel op te leggen, nu dit met zekerheid zal leiden tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis aangezien verdachte met zekerheid niet in staat zal zijn de schade terug te betalen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om de duur van de vervangende hechtenis op één dag te stellen, althans een aanzienlijk kortere periode dan een jaar.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat oplegging van de schadevergoedingsmaatregel mogelijk is, nu verdachte voor de onder 1 bewezenverklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer [benadeelde] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten is toegebracht. De rechtbank begrijpt het belang van de schadevergoedingsmaatregel aldus dat het openbaar ministerie – op grond van artikel 94a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering – de mogelijkheid krijgt om ten behoeve van het slachtoffer conservatoir beslag te leggen.

Ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad kan het gebrek aan drachtkracht bij verdachte onder omstandigheden reden zijn om af te zien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen waarbij gedacht kan worden aan gevallen waarin op voorhand vaststaat dat het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van vervangende hechtenis. Het enkele feit dat het gaat om een groot bedrag (€ 497.628,00) en verdachte thans niet zou beschikken over vermogensbestanddelen, is daarvoor echter onvoldoende.

De rechtbank zal daarom aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel opleggen, waarbij de hoogte wordt vastgesteld op een bedrag van € 497.628,00. Wel zal de rechtbank, gelet op de beperkte draagkracht van verdachte en het belang dat met de schadevergoedingsmaatregel wordt nagestreefd, de vervangende hechtenis stellen op één dag.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 57, 311, 322, 326 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 eerste, tweede en derde cumulatief/alternatief en onder 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 eerste cumulatief/alternatief:

verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 1 tweede cumulatief/alternatief:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 1 derde cumulatief/alternatief:

oplichting, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (VIJFTIEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 497.628,00 (vierhonderdzevenennegentigduizend zeshonderdachtentwintig euro), ten behoeve van het [benadeelde] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 1 (één) dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R. Elkerbout, voorzitter,

mr. M.L. Ruiter, rechter,

mr. N.F.H. van Eijk, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. L. Peet, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 augustus 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1512/2013/180203, van de regiopolitie Haaglanden, unit interregionaal Fraude Team, met bijlagen (doorgenummerd p. 1 t/m 1295).

2 Verklaring verdachte ter terechtzitting van 4 augustus 2016; een geschrift te weten een (ter terechtzitting overgelegde) ‘Verklaring uitgaven [verdachte] 2006 – september 2013.