Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9678

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-07-2016
Datum publicatie
18-08-2016
Zaaknummer
AWB 15 / 20290
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Machtiging voorlopig verblijf (MVV) in het kader van nareis afgewezen wegens het ontbreken van een familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent, de oom van eiseres. Geen toestemmingsverklaring van de nog in leven zijnde biologische moeder. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 15 / 20290

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.A.C.M. Prins).

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘gezinshereniging in het kader van nareis’ afgewezen.

Bij besluit van 26 oktober 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2016. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 2000 en heeft de Eritrese nationaliteit. Zij stelt de pleegdochter van de heer [naam referent] (referent), haar oom van vaderskant, te zijn. Op 4 november 2014, ontvangen door verweerder op 6 november 2014, heeft referent ten behoeve van eiseres bovengenoemde aanvraag om verlening van een mvv met als doel ‘gezinshereniging in het kader van nareis asiel’ ingediend. Eiseres beoogt (uiteindelijk) verblijf bij referent, die in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de bovengenoemde aanvraag afgewezen. Daarbij heeft verweerder zich onder meer op het standpunt gesteld dat eiseres noch referent documenten hebben overgelegd die de identiteit van eiseres aantonen en die aantonen dat er sprake is van een familierechtelijke relatie tussen eiseres en referent. Evenmin is aangetoond dat er op dit punt sprake is van bewijsnood. Daarnaast heeft verweer zich op het standpunt gesteld dat eiseres geen toestemmingsverklaring heeft overgelegd van haar biologische moeder, waaruit blijkt dat zij instemt met het vertrek van eiseres naar Nederland, terwijl eiseres noch de referent aannemelijk heeft gemaakt dat de biologische moeder niet kan worden verzocht de vereiste toestemming te geven.

3. Eiseres heeft zich niet met het primaire besluit kunnen verenigen en namens haar is hiertegen bezwaar gemaakt.

4. Bij brief van 10 juli 2015 heeft verweerder de gemachtigde van eiseres gevraagd binnen welke afzienbare termijn eiseres in de gelegenheid zal zijn om Eritrea te verlaten en uit te reizen naar Addis Abeba in Ethiopië, zodat aldaar onderzoek gedaan kan worden naar de gestelde feitelijke gezinsband. Verzocht wordt om aan te geven of eiseres binnen een redelijke termijn van vier weken Eritrea zal uitreizen zodat zij zich bij de Nederlandse vertegenwoordiging te Addis Abeba kan melden.

5. Bij brief van 21 juli 2015 heeft gemachtigde op het verzoek van verweerder gereageerd en zich op het standpunt gesteld dat de gegeven termijn voor eiseres te kort is om te halen, vooral nu er in Eritrea sprake is van een regenseizoen dat tot half augustus zal duren en hetgeen reizen extreem moeizaam maakt. Gemachtigde verzoekt verweerder eiseres een termijn te gunnen tot uiterlijk 1 oktober 2015.

6. Bij brief van 30 juli 2015 heeft verweerder aangegeven akkoord te gaan met het voorstel van de gemachtigde van eiseres en de termijn te verlengen tot 1 oktober 2015, hetgeen betekent dat eiseres zich uiterlijk op 30 september 2015 moet hebben gemeld bij de Nederlandse ambassade in Addis Abeba. Daarbij heeft verweerder aangegeven dat, wanneer eiseres zich op deze datum niet heeft gemeld, de aanvraag in bezwaar zal worden afgewezen omdat eiseres niet beschikbaar is voor onderzoek.

7. Voorts heeft verweerder de referent op 15 oktober 2015 gehoord naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift. Gedurende de hoorzitting heeft de gemachtigde van eiseres aangegeven dat inmiddels het regenseizoen ten einde is gekomen, dat de toestemmingsverklaring van de biologische moeder is ingevuld en opgestuurd (naar Eritrea) en dat, zodra de toestemmingsverklaring in zijn bezit is, eiseres een afspraak kan maken met de Nederlandse vertegenwoordiging. Daarnaast heeft referent aangegeven dat eiseres eerder vanwege het regenseizoen niet de grens over kon steken, maar dat dit nu wel gaat. Ook gaf hij aan dat het misschien drie weken kan duren voordat eiseres de grens overgestoken is en een plaats heeft bereikt waar een goede telefoonverbinding is.

8. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Hierbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres tot op heden niet beschikbaar is geweest voor onderzoek, omdat zij in Eritrea verblijft en niet is afgereisd naar de diplomatieke post in Addis Abeba in Ethiopië. Volgens verweerder geldt, in het geval dat een vreemdeling niet kan uitreizen en onduidelijk blijft binnen afzienbare termijn dit mogelijk wordt, dat die persoon niet beschikbaar is voor onderzoek, hetgeen op voorhand een gegronde reden is om de aanvraag af te wijzen. De omstandigheid dat tijdens de hoorzitting is aangegeven dat het regenseizoen inmiddels voorbij zou zijn en dat eiseres zich kan melden bij de Nederlandse vertegenwoordiging zodra de toestemmingsverklaring van de biologische moeder voorhanden is, neemt volgens verweerder niet weg dat eiseres tot op heden niet beschikbaar is voor onderzoek. Het valt niet in te zien dat eiseres zich niet al veel eerder had kunnen melden bij de diplomatieke post en er is geen plausibele uitleg gegeven waarom zij zich niet reeds eerder – vóór het regenseizoen – is uitgereisd omwille van de beschikbaarheid voor het onderzoek. Eiseres heeft bovendien geen tijdsindicatie gegeven binnen welke afzienbare termijn zij zich alsnog zou melden.

Voor zover wel aan de inhoud wordt toegekomen stelt verweerder zich op het standpunt dat de gestelde feitelijke gezinsband tussen eiseres en de referent, als gestelde pleegouder, niet aannemelijk is geworden. Eiseres komt hierdoor niet in aanmerking voor een afgeleide verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a of b, van de Vw 2000. Ten slotte stelt verweerder zich op het standpunt dat, zelfs wanneer uitgegaan zou worden van een feitelijke gezinsband, er geen toestemmingsverklaring namens de achterblijvende ouder is overgelegd, zonder dat is gebleken van een onmogelijkheid daartoe en zonder dat is gebleken van aantoonbare zichtbare inspanningen ter verkrijging hiervan.

9. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en betoogt daartoe – samengevat weergegeven – het volgende.

Eiseres stelt zich allereerst op het standpunt dat zij momenteel wel beschikbaar is voor onderzoek. In verband met omstandigheden, waaronder het regenseizoen, heeft eiseres niet eerder de mogelijkheid gehad om Eritrea uit te reizen en zich te melden bij de Nederlandse ambassade. Bovendien mogen Eritreeërs niet het land verlaten zonder toestemming van de autoriteiten. Een vluchtpoging kan leiden tot de dood. Eiseres betreurt dat zij zich nog niet heeft kunnen melden, maar verzoekt verweerder ermee rekening te houden dat het gaat om overmacht. Daarbij was de communicatie tussen referent en eiseres ook niet altijd even makkelijk, nu de voorzieningen in dit verband niet optimaal zijn.

Inzake de gestelde feitelijke gezinsband benadrukt referent dat hij wel de pleegvader is van eiseres. De oudere broers van referent zijn in militaire dienst en daarom nooit lang thuis. De vader van referent is al jaren ziek en lijdt aan tuberculose. Dit was reeds in 2004 het geval. Omdat de vader en de broers geen optie waren om de zorg voor eiseres op zich te nemen, was referent destijds de enige optie. Voorts stelt eiseres zich op het standpunt dat het ook zonder documenten mogelijk is om aan te tonen dat er sprake is van een feitelijke gezinsband. Artikel 11 van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (Gezinsherenigingsrichtlijn) bepaalt dat een aanvraag niet enkel op basis van het ontbreken van documenten mag worden afgewezen. Eiseres en referent kunnen aannemelijke en consistente verklaringen omtrent de gezinsband verstrekken, zoals referent reeds heeft gedaan gedurende de hoorzitting. De andere familieleden van de referent en eiseres kunnen hieraan bijdragen. Daarnaast is het mogelijk om gebruik te maken van de zogenaamde oom-tante DNA-test om de familierelatie aan te tonen, nu eiseres het nichtje is van referent. Bij dit alles dient verweerder mee te wegen dat het lastig, al dan niet onmogelijk, is om vanuit Nederland documenten te bemachtigen in Eritrea.

Voorts maakt referent zich ernstige zorgen over eiseres in Eritrea. Eritrea is erg arm en uit een rapport van de Verenigde Naties in 2011 blijkt dat zeventig procent niet in de eigen voedselbehoefte kan voorzien. Het is daarmee onduidelijk of de ouders van referent in de basisvoorzieningen van henzelf en eiseres kunnen voorzien. Bovendien kunnen de ouders van referent niet heel lang meer voor eiseres zorgen, gelet op de reeds eerder genoemde tuberculose en de omstandigheid dat Eritrese mannen meestal sowieso niet ouder worden dan zestig jaar. Voorts is eiseres afgelopen juli vijftien jaar geworden. Vanaf deze leeftijd krijgen kinderen militaire training in Eritrea. Zowel mannen als vrouwen moeten verplicht achttien maanden in militaire dienst, waarna deze dienst verlengd kan worden voor onbepaalde tijd. Dit laatste gebeurt regelmatig.

Ten slotte heeft referent inmiddels contact gehad met de biologische moeder van eiseres. De moeder heeft reeds eerder de toestemmingsverklaring ondertekend, maar helaas was de verklaring niet volledig ingevuld en niet op de juiste plek ondertekend. Thans is er wel een ingevulde verklaring voorhanden. Daarbij meent referent dat er reeds rekening gehouden moet worden met het gegeven dat de moeder van eiseres de toestemmingverklaring heeft ondertekend en dat hieruit blijkt dat zij instemt met het vertrek van eiseres. De moeder van eiseres stemt bovendien sowieso in met de rol van referent als pleegvader, aangezien haar nieuwe partner een stiefdochter niet op prijs stelt. Sinds het overlijden van de vader van eiseres, de broer van referent, ligt de verantwoordelijkheid voor eiseres sowieso niet meer bij de biologische moeder, nu het gebruikelijk is in Eritrea dat een mannelijk familielid de verantwoordelijkheid krijgt voor een vrouwelijk familielid in het geval dat de vader overlijdt.

10. De rechtbank overweegt als volgt.

11. Ingevolge artikel 29, tweede lid, van de Vw 2000 kan een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 worden verleend aan de hierna te noemen gezinsleden, indien deze op het tijdstip van binnenkomst van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling behoorden tot diens gezin en gelijktijdig met die vreemdeling Nederland zijn ingereisd dan wel zijn nagereisd binnen drie maanden nadat aan die vreemdeling de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, is verleend:

a. de echtgenoot of het minderjarige kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling;

b. de vreemdeling die als partner of meerderjarig kind van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling zodanig afhankelijk is van die vreemdeling, dat hij om die reden behoort tot diens gezin;

c. de ouders van de in het eerste lid bedoelde vreemdeling, indien die vreemdeling een alleenstaande minderjarige is in de zin van artikel 2, onder f, van de Gezinsherenigingsrichtlijn.

12. Ingevolge onderdeel C2/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) verleent verweerder de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29 tweede lid, Vw, als de kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner feitelijk behoren tot het gezin van de referent. De referent in Nederland moet aantonen dat zijn kinderen, ouders, echtgeno(o)t(e) of partner vóór binnenkomst van de referent in Nederland feitelijk tot zijn gezin hebben behoord en dat die feitelijke gezinsband niet verbroken is. De referent onderbouwt dit met documenten. De referent moet aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen verstrekken over het feitelijk behoren tot zijn gezin van zijn kinderen of ouders, als de referent de feitelijke gezinsband niet met documenten kan onderbouwen.

Vorenstaande is ook van toepassing op niet-biologische (adoptie- of pleeg)kinderen.

Anders dan bij biologische kinderen kan bij (meerderjarige en minderjarige) adoptie- en pleegkinderen niet door middel van een DNA-onderzoek worden aangetoond dat de referent en het kind tot elkaar in relatie staan. In deze gevallen moet op een andere manier worden getoetst of er sprake was van een feitelijke gezinsband tussen de referent en het pleegkind. De referent en de vreemdeling moet dit aannemelijk maken.

Bij de beoordeling of het (meerderjarige en minderjarige) pleegkind feitelijk deel uitmaakt van het gezin van de referent, wordt onder meer betrokken:

• • de duur van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent;

• • de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van referent;

• • de reden waarom het pleegkind is opgenomen in het gezin en, als dit aan de orde is, de reden dat een pleegkind tijdelijk buiten het gezin is geplaatst. Dit is van belang bij het vaststellen of anderen de zorg voor het kind hebben overgenomen waarmee het pleegkind feitelijk hun pleegkind is geworden.

In het geval van pleegkinderen worden alle feiten en omstandigheden van voor binnenkomst van de referent in Nederland betrokken bij de beoordeling van de gezinssituatie. Het moet daarbij gaan om feiten en omstandigheden die erop wijzen dat er sprake is geweest van een feitelijke gezinsband met de referent.

Als de feitelijke gezinsband tussen het pleegkind en de referent is vastgesteld, dan zijn de voorwaarden voor het verbreken van de feitelijke gezinsband voor niet-biologische kinderen gelijk aan die van biologische kinderen.

Indien na aankomst in Nederland wordt geconstateerd dat het pleegkind niet feitelijk behoorde tot het gezin, moet het pleegkind vreemdelingrechtelijk als alleenstaande minderjarige vreemdeling worden beschouwd en behandeld. Het pleegkind, dat door de IND wordt beschouwd als alleenstaande minderjarige vreemdeling, of diens wettelijke vertegenwoordiger moet dan alsnog een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indienen.

Toestemmingsverklaring

Verweerder verleent geen mvv voor gezinshereniging in het kader van nareis, als de achterblijvende biologische ouder(s) geen toestemmingsverklaring heeft afgegeven met het oog op het vertrek van de kinderen naar Nederland.

Verweerder verleent een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, tweede lid, Vw uitsluitend als:

• • de referent documenten heeft overgelegd, waaruit blijkt dat de achterblijvende biologische ouder geen toestemmingsverklaring kan overleggen;

• • de referent aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen heeft verstrekt over de reden waarom de toestemmingsverklaring niet kan worden overgelegd, indien de referent het ontbreken van een toestemmingsverklaring niet met documenten kan onderbouwen;

• • de kinderen voldoen aan de overige voorwaarden uit deze paragraaf.

13. De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiseres tot op heden niet beschikbaar is geweest voor onderzoek. Verweerder heeft eiseres eerst een termijn van vier weken geboden om zich te melden bij de Nederlandse ambassade. Op verzoek heeft verweerder deze termijn vervolgens verlengd tot 1 oktober 2015. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de termijn nog verder had moeten verlengen en is van oordeel dat verweerder eiseres voldoende in de gelegenheid heeft gesteld gehoord te worden. In dit verband acht de rechtbank van belang dat de gemachtigde van eiseres in zijn brief van 21 juli 2015 enkel heeft aangegeven dat eiseres niet kon uitreizen vanwege het regenseizoen en dat het regenseizoen tot halverwege augustus zou duren. Gelet op deze informatie heeft verweerder een voldoende ruime termijn gehanteerd door (conform het verzoek van de gemachtigde) tot 1 oktober 2015 eiseres in de gelegenheid te stellen zich te melden. Vervolgens is er vóór 1 oktober 2015 geen nieuw verlengingsverzoek meer ingediend door eiseres en heeft eiseres evenmin uitgelegd waarom zij buiten haar schuld niet in staat was zich te melden in de periode tussen augustus en oktober. Verweerder heeft, gelet hierop, niet langer hoeven wachten en heeft over kunnen gaan tot besluitvorming. De omstandigheid dat gedurende de hoorzitting van 15 oktober 2015 is aangegeven dat het regenseizoen inmiddels was afgelopen en dat eiseres zich zou melden zodra een toestemmingsverklaring van haar moeder voor handen was, maakt dit niet anders. Nu werd het zich melden immers afhankelijk gesteld van een nieuwe omstandigheid waarvan het nog onduidelijk was hoe lang dit zou duren (het ontvangen van de toestemmingsverklaring). Ten slotte brengt ook het betoog van eiseres in beroep en ter zitting de rechtbank niet tot een ander oordeel. Wat er verder ook zij van het betoog dat Eritreeërs hun land niet mogen verlaten zonder toestemming van de autoriteiten (uitreizen vindt plaats via een moeilijk te verkrijgen uitreisvisum) en dat een poging het land te ontvluchten zeer gevaarlijk is en kan leiden tot de dood; eiseres heeft deze omstandigheden pas in beroep aangevoerd en heeft van tevoren nooit aangegeven dat zij vertraging opliep omdat het moeilijk was (illegaal) uit te reizen en er sprake was van een overmachtssituatie. Ook gedurende de hoorzitting werd in dit verband enkel het regenseizoen aangehaald. Daarnaast werd gedurende de hoorzitting door referent aangegeven dat het, als gebruik wordt gemaakt van omwegen om je schuil te houden, zes uur lopen is om de grens over te steken. Reeds vanaf het begin was eiseres aldus voornemens de grens illegaal over te steken en uit het bovenstaande kan niet worden opgemaakt dat dit erg lastig of onmogelijk was. Zelfs als het gevaarlijk is Eritrea uit te reizen, dan doet dit naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de omstandigheid dat het aan eiseres en referent is de gestelde feitelijke gezinsband aannemelijk te maken. Daartoe heeft verweerder het nodig kunnen achten om ook eiseres te horen. Het voorstel van de gemachtigde van eiseres ter zitting om voorshands een mvv te verlenen, eiseres naar Nederland te laten komen, en in Nederland na te gaan of de verklaringen van referent over het bestaan van een feitelijke gezinsband stroken met die van eiseres, kan de rechtbank, gelet op voornoemde bewijslastverdeling, niet volgen. Verweerder zou met de aanwezigheid van eiseres hier te lande immers met een voldongen feit worden geconfronteerd. Dit geldt temeer nu het de vraag is of, zoals verderop in de uitspraak zal worden overwogen, in de door referent beschreven situatie sprake is (geweest) van een feitelijke gezinsband tussen hem en eiseres.

14. De rechtbank ziet voorts aanleiding in te gaan op de overige door verweerder gebezigde redenen voor de afwijzing van de aanvraag van eiseres.

15. De rechtbank overweegt allereerst dat de aanvraag van eiseres gekwalificeerd dient te worden als een aanvraag om verlening van een mvv in het kader van nareis asiel. Een aanvraag om een mvv dient te worden beoordeeld aan de hand van dezelfde criteria als die gelden voor de beoordeling van een aanvraag om verlening van de (uiteindelijk) beoogde verblijfsvergunning. Naar de rechtbank begrijpt is het doel van eiseres om uiteindelijk in het bezit gesteld te worden van een afgeleide verblijfsvergunning asiel, als bedoeld in artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Voor de onderhavige procedure is daarom van belang de vraag of eiseres feitelijk deel uitmaakt van het gezin van referent. Eiseres dient, zoals gezegd, dit aannemelijk te maken.

16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een feitelijke gezinsband met referent. De rechtbank constateert allereerst dat eiseres geen documenten heeft overgelegd die de gestelde gezinsband onderbouwen. De rechtbank ziet echter geen noodzaak voor het (doen) uitvoeren van een oom-tante DNA test, nu niet in geschil is dat eiseres de dochter is van de overleden broer van referent. Voorts dient, zoals eiseres ook stelt, te worden bezien of eiseres en referent door middel van aanvullende gegevens en/of plausibele, aannemelijke en consistente verklaringen aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van een gezinsband. Hier zijn zij niet in geslaagd. Verweerder heeft zich in dit verband op goede gronden op het standpunt gesteld dat het onaannemelijk is dat referent de zorg zou hebben gekregen over eiseres op het moment dat hij zelf pas dertien jaren oud was en hij als minderjarig kind nog deel uitmaakte van het gezin van zijn ouders. Het lag dan meer in de rede dat de ouders van referent de zorg over eiseres zouden krijgen. Dit wordt bevestigd door de verklaring van referent gedurende het eerste gehoor van zijn asielprocedure dat de zorg voor eiseres in eerste instantie aan zijn ouders was overgedragen. Het betoog van referent dat hij de zorg over eiseres kreeg omdat zijn vader reeds in 2004 leed aan tuberculose en zijn moeder ook een slechte gezondheid (hoge bloeddruk) had volgt de rechtbank, nog daargelaten dat dit betoog niet met documenten is onderbouwd, niet. Immers, kennelijk stond de ziekte van de vader en de gezondheid van de moeder van referent er niet aan in de weg dat zij, zoals verklaard in het eerste gehoor, in eerste instantie de feitelijke zorg over eiseres kregen. Ook kan niet gezegd worden dat de ouders van referent in 2004 al dermate oud waren dat zij niet voor eiseres konden zorgen. Immers, de vader en moeder van referent waren in 2004 respectievelijk 53 en 41 jaar oud en hadden binnen het eigen gezin nog de zorg over referent en een dochter van slechts vier jaar oud. Het betoog van de gemachtigde van eiseres ter zitting dat het in Eritrea anders is qua leeftijd dan in Nederland, dat van een kind van dertien jaar oud meer wordt gevergd en dat mensen al eerder ‘oud’ zijn brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel als hierboven overwogen. Aannemelijk is dat zowel referent als eiseres tot het gezin van hun (groot)ouders hebben behoord, dat er aldus met deze grootouders een feitelijke gezinsband heeft bestaan en dat referent en eiseres niet binnen het gezin van hun (groot)ouders een apart eigen gezin hebben gevormd. De enkele omstandigheid dat referent zich (veel) bezig hield met de zorg voor eiseres, maakt niet dat reeds daarom zijn gezinsband met zijn ouders als verbroken moet worden beschouwd en dat er een nieuw gezin is ontstaan. Het beeld ontstaat dat er sprake is geweest van een groot gezamenlijk gezin met de (groot)ouders waarbij referent, zoals ook gebruikelijk is als mannelijk gezinslid in de betreffende cultuur, een belangrijke rol vervulde, maar waarin hij niet fungeerde als gezinshoofd, zoals zijn ouders wel deden. Uit de verklaringen van referent gedurende de hoorzitting van 15 oktober 2015 volgt met name dat hij, omdat hij werk had, bijdroeg aan de financiering van zaken zoals scholing, de kleding en voeding, en dat hij belangrijke beslissingen nam met betrekking tot eiseres. Echter geeft referent ook aan dat hij (slechts) soms hielp bij het bereiden van het eten of het voeren, maar dat dit ook soms door zijn moeder werd gedaan. Dit bevestigd het bovenbeschreven beeld.

17. Op grond van het bovenstaande heeft verweerder op goede gronden geconcludeerd dat aannemelijk is dat eiseres in 2004 feitelijk tot het gezin van haar grootouders is gaan behoren. Ook toen referent zijn militaire dienstplicht moest vervullen is eiseres altijd bij haar grootouders blijven wonen en tot op de dag van vandaag zijn zij in staat gebleken om voor eiseres te zorgen. Zodoende kan ook niet worden geconcludeerd dat de gezinsband tussen eiseres en haar grootouders inmiddels is verbroken.

18. Hetgeen eiseres heeft aangevoerd omtrent de omstandigheden in Eritrea en de gezondheidssituatie van de ouders van referent kan aan het bovenstaande niet afdoen. Dit maakt immers niet dat er, anders dan voorheen, thans wel sprake is van een gezinsband tussen eiseres en referent en dat er niet langer van een gezinsband tussen eiseres en haar grootouders kan worden gesproken. Wat er verder ook zij van de gestelde medische problematiek van de grootouders; vooralsnog is niet gebleken dat zij niet langer in staat zijn zorg te dragen voor eiseres. Dit geldt eveneens voor het betoog van eiseres dat Eritrea erg arm is en dat een groot deel van de bevolking niet in de eigen voedselbehoefte kan voorzien. Niet gesteld of gebleken is dat dit ook geldt voor het gezin van eiseres. Ten slotte acht de rechtbank in dit verband van belang dat in de onderhavige procedure niet de vraag voorligt of eiseres in Eritrea bepaalde risico’s loopt, ongeacht of deze risico’s betrekking hebben op een verlies van basisvoorzieningen of op de in Eritrea bestaande dienstplicht. Aangezien er getoetst dient te worden aan de eisen van artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, ligt enkel de vraag voor of eiseres aangemerkt kan worden als het pleegkind van referent en of er sprake is van een feitelijke gezinsband. De vraag of er sprake is van risico’s als bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 speelt hierbij geen rol.

19. Nu eiseres en referent de gestelde feitelijke gezinsband niet aannemelijk hebben gemaakt, is niet gebleken dat eiseres het pleegkind is van referent en dat artikel 29, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 op haar van toepassing is. Reeds hierom komt eiseres niet in aanmerking voor een mvv en heeft verweerder de aanvraag van eiseres af kunnen wijzen.

20. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat hetgeen eiseres tot nu toe in dit verband heeft overgelegd onvoldoende is om een toestemmingsverklaring als bedoeld in onderdeel C2/4.1 van de Vc 2000 aanwezig te achten. Anders dan de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft betoogd, kan verweerder de eis stellen dat er sprake moet zijn van een identiteitsbewijs met een zichtbare handtekening, die vervolgens kan worden vergeleken met de handtekening op de toestemmingsverklaring. Op de kopie van het door de gemachtigde van eiseres overgelegde identiteitsbewijs is de handtekening niet duidelijk te zien. Voorts heeft verweerder ter zitting op goede gronden verwezen naar de brief van verweerder van 9 februari 2015, waaruit volgt dat (in beginsel) nodig is dat de toestemmingsverklaring door de achtergebleven ouder in persoon wordt afgegeven bij een diplomatieke post, zodat door middel van DNA-onderzoek de gestelde biologische band met eiseres kan worden onderzocht. Niet gebleken is dat de biologische moeder van eiseres niet in staat is een deugdelijke toestemmingsverklaring over te leggen bij een diplomatieke post. Immers, zij is niet vermist of overleden en er is tussen haar en referent contact geweest. Het is van groot belang dat de situatie waarbij eiseres zonder toestemming van haar biologische ouder naar Nederland wordt gehaald, wordt vermeden.

21. Ten slotte merkt de rechtbank op dat verweerder heeft aangegeven dat, mocht er opnieuw voor eiseres een aanvraag worden ingediend om een mvv in het kader van nareis, de nareistermijn door de onderhavige procedure veilig is gesteld.

22. Gelet op het bovenstaande is het beroep ongegrond.

23. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.J. Rutten, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.M. van Diem, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: 25 juli 2016

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.