Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9630

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
27-09-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 1453
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

maatwerkvoorziening individuele begeleiding Wmo 2015 afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2016/159
JWWB 2016/238

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/1453

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: R.M. Duijn),

en

het college van burgemeester en wethouders van Pijnacker-Nootdorp, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Poldermans).

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlenging van de maatwerkvoorziening individuele begeleiding in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo 2015) afgewezen.

Bij besluit van 15 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn in een later stadium ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2016.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door [persoon 1] als waarnemer van gemachtigde, en vergezeld van haar vader en moeder. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [persoon 2] .

Overwegingen

1.1

Eiseres ontving in het kader van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) een persoonsgebonden budget (PGB) voor individuele begeleiding in verband met de bij haar vanaf haar geboorte bestaande lichamelijke beperkingen. De functie van haar armen en benen is beperkt, waardoor zij onder meer op een rolstoel en een handbike is aangewezen. In verband met het aflopen van de indicatie heeft eiseres zich op 30 januari 2015 gemeld bij verweerder door middel van een WMO-meldingsformulier.

Verweerder heeft een rapport laten uitbrengen.

1.2

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlenging van de maatwerkvoorziening individuele begeleiding op grond van artikel 3.1, tweede lid, van de verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Pijnacker-Nootdorp 2015 (de Verordening) afgewezen. Daarbij is overwogen dat eiseres door het inzetten van haar gezinsleden haar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie heeft weggenomen, zodat ondersteuning in het kader van de Wmo niet noodzakelijk is.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit, conform het advies van de Commissie behandeling bezwaarschriften van 24 november 2015 gehandhaafd. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat als de beperkingen van een belanghebbende niet met de gebruikelijke hulp maar wel door middel van mantelzorg kunnen worden verminderd of weggenomen verweerder geen voorziening verstrekt. Zorg die wordt verleend door een in dezelfde woning wonende ouder merkt verweerder daarbij aan als mantelzorg. Ongeacht in hoeverre de noodzakelijke ondersteuning en zorg verder gaat dan wat als “gebruikelijke zorg” is aan te merken en ongeacht of in alle gevallen sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie van eiseres, kan eiseres met behulp van de voor haar beschikbare mantelzorg haar beperkingen in zelfredzaamheid en participatie verminderen of wegnemen. Daarom moest de aanvraag op grond van artikel 3.1, tweede lid, van de Verordening worden afgewezen, aldus verweerder. Volgens verweerder zijn er geen zodanig bijzondere omstandigheden dat toepassing van de bepalingen van de verordening tot onbillijkheden zou leiden dan wel dat op grond van hardheidsclausule moet worden afgeweken van de Verordening.

3. Eiseres voert aan dat zij weliswaar wordt ondersteund door haar familie, maar dat deze ondersteuning een groot deel van de tijd van haar ouders in beslag neemt. Vanuit het PGB is het volgens eiseres mogelijk om een familielid in te huren voor directe zorg en of ondersteuning, dit blijkt ook uit artikel 5.1, zevende lid, van de Verordening. Daarom is eiseres van mening dat zij wel degelijk ondersteuning moet ontvangen in de vorm van een PGB. Daarnaast voert eiseres aan dat het feit dat haar vader in deeltijd werkt aantoont dat zij extra zorg nodig heeft buiten de gebruikelijke zorg. Als voorbeelden hiervan heeft zij onder meer genoemd: paardrijden, het klaarzetten van de rolstoel en de handbike, het oppakken van attributen op de grond, praktische ondersteuning in de vorm van het organiseren van haar persoonlijke administratie en bij buitenschoolse activiteiten. Voorts heeft eiseres naar het protocol inzake gebruikelijke zorg van het CIZ verwezen en een medische verklaring van revalidatie-arts dr. W.M.A. van der Slot van 4 april 2016 overgelegd.

Ten slotte voert eiseres aan dat verweerder door te stellen dat zij gebruik kan maken van mantelzorg, mantelzorg verplicht stelt, hetgeen in strijd is met de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 februari 2016 (ECLI:NL:RBZWB:2016:899).

4.1

Gemeenten zijn op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen. Die ondersteuning moet in de voorstelling van de wetgever erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. In de memorie van toelichting op de Wmo 2015 (Kamerstukken II, 2013/14, 33 841, nr. 3) is uiteengezet dat het uitgangspunt is dat gemeenten burgers slechts ondersteuning bieden als dat nodig is. Mensen zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor hun leven en dus ook voor hun zelfredzaamheid en participatie. De betrokkene moet eerst bezien in hoeverre hij zelf en zijn directe omgeving een bijdrage kunnen leveren aan het verbeteren van de eigen situatie. Gemeenten hebben de verantwoordelijkheid om de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bij burgers te benutten en te versterken. Indien uit onderzoek van de gemeente blijkt dat (aanvullende) ondersteuning van de gemeente nodig is, beslist de gemeente – binnen de grenzen van wat daarover in het plan en de verordening bedoeld in de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 van de Wmo 2015 is vastgelegd – tot verstrekking van een maatwerkvoorziening die bijdraagt aan het realiseren van een situatie waarin de burger in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie, zodat deze zo lang mogelijk in de eigen omgeving kan blijven wonen.

4.2.1

Artikel 2.1.1, eerste lid, van de Wmo 2015 bepaalt dat het gemeentebestuur zorgdraagt voor de maatschappelijke ondersteuning. Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015, voor zover hier van belang, definieert maatschappelijke ondersteuning als het zoveel mogelijk ondersteunen van de zelfredzaamheid (en de participatie) van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen in de eigen leefomgeving. Artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 definieert zelfredzaamheid als in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

4.2.2

Artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 bepaalt dat de gemeenteraad periodiek een plan vaststelt met betrekking tot het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Het plan beschrijft de beleidsvoornemens voor de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen.

4.2.3

Artikel 2.1.3 van de Wmo 2015 bepaalt dat de gemeenteraad bij verordening regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college ter uitvoering daarvan te nemen besluiten of te verrichten handelingen.

4.3

De gemeenteraad van Pijnacker-Nootdorp heeft ter uitvoering hiervan de Verordening vastgesteld, die met ingang van 1 januari 2015 in werking is getreden.

4.4

In artikel 3.1, tweede lid, van de Verordening is bepaald dat een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening ter compensatie van beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene of voorliggende voorzieningen kan verminderen of wegnemen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 2.4 bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

4.5

Op grond van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder f, van de Verordening wordt onder gebruikelijke hulp verstaan: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.

4.6

Op grond van artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder o, van de Verordening wordt onder mantelzorg verstaan: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

5.1

De rechtbank stelt vast dat verweerder op 25 februari 2015 heeft onderzocht welke beperkingen eiseres in haar zelfredzaamheid ondervindt, door een huisbezoek af te leggen en te spreken met eiseres en haar moeder. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat sprake is van beperkingen van eiseres in haar zelfredzaamheid en participatie en dat zij deze beperkingen wegneemt door gebruik te maken van de hulp van onder meer haar ouders.

5.2

Anders dan in de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 9 februari 2016 waarnaar eiseres verwijst, stelt de rechtbank vast dat eiseres niet alleen woont, maar met haar familieleden in dezelfde woning, zodat behalve van mantelzorg ook sprake is van gebruikelijke hulp.

5.3

Voorts is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiseres met behulp van de voor haar beschikbare gebruikelijke hulp en de mantelzorg van haar ouders haar beperkingen in zelfredzaamheid en participatie vermindert of wegneemt. Daarbij is niet relevant in hoeverre de geboden ondersteuning en hulp verder gaat dan wat als “gebruikelijke hulp” is aan te merken omdat in de Verordening niet alleen sprake is van gebruikelijke hulp maar ook van eigen kracht, mantelzorg en hulp van anderen om beperkingen te compenseren. De door haar ouders geboden hulp en zorg valt daar niet buiten. Niet is gebleken dat de ouders van eiseres dusdanig zwaar belast worden dat dat als onevenredig moet worden aangemerkt. Daarom heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlening van de maatwerkvoorziening individuele begeleiding op grond van artikel 3.1, tweede lid, van de Verordening naar het oordeel van de rechtbank terecht afgewezen.

Dat het, zoals eiseres stelt, vanuit het PGB mogelijk is om een familielid in te huren voor directe zorg en of ondersteuning, zoals volgt uit artikel 5.1, zevende lid, van de Verordening, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat niet eerst de vraag moet worden beantwoord of wel recht bestaat op een PGB.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. H.M. Braam, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.