Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9626

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-08-2016
Datum publicatie
17-10-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2470
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kostendelersnorm

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand 22a, geldigheid: 2016-07-01
Wet werk en bijstand 24, geldigheid: 2016-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2016/240

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/2470

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.C. Weijsenfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. W. Punter).

Procesverloop

Bij besluit van 22 oktober 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij over de maand oktober 2015 recht heeft op een uitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) naar de norm van een alleenstaande met kostendeler.

Bij besluit van 22 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De beroepsgronden zijn nadien aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2016.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich eveneens laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiser ontvangt sinds 10 augustus 2015 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder, met de toepassing van de kostendelersnorm. De echtgenote van eiser is niet rechthebbend op een uitkering. Het gezin heeft 2 minderjarige kinderen, geboren in 2006 respectievelijk 2009. Eiser en zijn kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De echtgenote heeft de Iraanse nationaliteit.

1.2

Per 10 augustus 2015 wordt aan eiser in aanvulling op de algemene bijstand bijzondere bijstand verstrekt als gift. Aanvankelijk is het gezin door de gemeente opgevangen. In oktober 2015 is het gezin naar een eigen woning verhuisd.

1.3

Bij het primaire besluit, een uitkeringsspecificatie, heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij over de maand oktober 2015 recht heeft op een uitkering ingevolge de Pw naar de norm van een alleenstaande met kostendeler, omdat eiser samenwoont met zijn niet-rechthebbende partner. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen deze uitkeringsspecificatie.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat op grond van artikel 11 van de Pw de echtgenote van eiser geen recht heeft op algemene bijstand, omdat zij niet kan worden aangemerkt als Nederlander of daarmee kan worden gelijkgesteld, aangezien zij illegaal in Nederland verblijft. Daarom ontvangt eiser terecht bijstand naar de alleenstaandennorm. Voorts is overwogen dat eiser naast de algemene bijstand bijzondere bijstand ontvangt (€ 275,04 voor inkomensterugval met niet-rechthebbende partner en € 254,17 voor het nog niet kunnen krijgen van de ALO-kop) waardoor de totale netto uitkering van eiser ongeveer 90% van de gezinsnorm bedraagt. Verweerder heeft aangeven dat hiervoor is gekozen omdat toepassing van de kostendelersnorm in gevallen als die van eiser onevenredig uitpakt. Volgens verweerder is eiser hiermee volledig gecompenseerd voor de financiële gevolgen van de toepassing van de kostendelersnorm. De totale verstrekte bijstand waarborgt een adequate levensstandaard ten aanzien van de kinderen, zodat geen sprake is van strijd met de bepalingen van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), aldus verweerder.

3. Eiser voert aan dat verweerder er ook voor had kunnen kiezen om de kostendelersnorm en artikel 24 van de Pw niet toe te passen. De hoogte van de bijstand moet volgens eiser worden aangepast naar de gezinsnorm, die als adequate levensstandaard moet worden beschouwd, zoals het dagelijks bestuur van WerkSaam Westfriesland in voorkomende gevallen doet. Nu komen eisers kinderen onder de armoedegrens terecht, hetgeen in strijd is met artikel 2 van het IVRK. Eiser heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 24 januari 2006 (ECLI:NL:CRVB:2006:AV0197) en naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de CRvB van 8 augustus 2005 (ECLI:NL:CRVB:2005:AU0687).

Voorts stelt eiser dat niet duidelijk is hoe lang de bijzondere bijstand gewaarborgd wordt.

4.1.1

Ingevolge artikel 22a, eerste lid, van de Pw is, indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende:

Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, en B voor de rekennorm.

4.1.2

Op grond van het derde lid, onder a, van dit artikel, voor zover hier van belang, is het eerste lid niet van toepassing op de belanghebbende die gehuwd is en alleen met zijn echtgenote in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, tenzij die echtgenoot geen recht heeft op algemene bijstand.

4.2

Artikel 24, van de Pw bepaalt dat indien één van de gehuwden geen recht heeft op algemene bijstand, voor de rechthebbende echtgenoot de norm gelijk is aan de norm die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

5.1

Allereerst dient te worden beoordeeld of eiser voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Voor het bestaan van voldoende procesbelang is volgens vaste rechtspraak bepalend of het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met zijn beroep nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het bereiken van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van voldoende procesbelang. zie onder andere de uitspraak van de CRvB van 9 juni 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:2061).

5.2

Niet in geschil is dat eiser vanuit de algemene en bijzondere bijstand ongeveer 90% ontvangt van de gezinsnorm. Eiser meent evenwel dat hij recht heeft op bijstand naar de norm van een gezin, omdat dit gelet op zijn gezinssituatie de adequate levensstandaard is. Dit is een voldoende feitelijk belang om procesbelang aan te nemen.

6. Met betrekking tot de beroepsgrond dat eiser recht heeft op bijstand naar de norm van een gezin omdat toepassing van artikel 22a en artikel 24 van de Pw leidt tot een dusdanig lage uitkering dat strijd ontstaat met de rechten die de kinderen van eiser ontlenen aan het IVRK overweegt de rechtbank het volgende. De aan eiser toegekende bijstand is voldoende om te voorzien in het levensonderhoud van eiser en de kinderen. Eiser ontvangt immers wat ook anderen naar de norm van een alleenstaande ouder ontvangen. Het feit dat van de toegekende bijstand door eiser ook in het levensonderhoud wordt voorzien van zijn niet-rechthebbende echtgenote, maakt niet dat daarmee kan worden gezegd dat door de bepalingen van de Pw de kinderen onder de armoedegrens worden gebracht. Het is de keuze van eiser, hoe begrijpelijk dat ook mag zijn, om de aan hem toegekende uitkering niet alleen ten behoeve van zichzelf en zijn kinderen aan te wenden maar ook aan zijn illegaal in Nederland verblijvende echtgenote.
Daarnaast kan de rechtbank er niet aan voorbij gaan dat weliswaar gezegd kan worden dat de gezinsnorm een gezin in staat stelt een adequate levensstandaard te hebben maar dat voor de minimale levensstandaard, de zogenaamde beslagvrije voet, 90% van de bijstandsnorm voor een gezin is vastgesteld. Dat daarmee niet in de opvoeding en verzorging van de kinderen kan worden voorzien, is dan ook niet aannemelijk.

7. Het voorgaande betekent dat het beroep ongegrond is.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. H.M. Braam, rechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 augustus 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.