Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9625

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-08-2016
Datum publicatie
16-08-2016
Zaaknummer
AWB 16/7837
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Irak, Bagdad, 3 EVRM, 15c Definitierichtlijn, gemengde soennitisch/sjiitische relatie, alleenstaande vrouw

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, onder verwijzing naar het ambtsbericht en de uitspraak van het Upper Tribunal van 5 oktober 2015, terecht op het standpunt gesteld dat in Bagdad-stad geen sprake is van een 15c-situatie. Het geweld in Bagdad-stad onderscheidt zich naar het oordeel van de rechtbank van het geweld in de in paragraaf C7/13.4.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) genoemde gebieden, waaronder de ‘Bagdad-belts’, waar gestreden wordt door en tegen ISIS. Zoals het Upper Tribunal heeft overwogen, wordt het geweld in Bagdad-stad met name veroorzaakt door sporadische terroristische aanvallen en niet door “all out fighting”. Voorts blijkt uit het ambtsbericht dat per (zelfmoord)aanslag een relatief klein aantal burgers om het leven komt. Daarnaast volgt uit de uitspraak van het Upper Tribunal dat het dagelijks leven in Bagdad-stad doorgaat ondanks alle geweldsincidenten in de stad. Verweerder heeft terecht als ondersteunend argument gebruikt dat, anders dan in de 15c-gebieden als aangeduid in voornoemd beleid in paragraaf C7/13.4.1 Vc, minder sprake is van een wegtrekkende bevolking en dat juist sprake is van ontheemden die naar Bagdad trekken. Uit de door eiseres overgelegde informatie volgt geen wezenlijke verslechtering van de veiligheidssituatie in Bagdad ten opzichte van de periode die aan de orde was in de uitspraak van de Upper Tribunal.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich, onder verwijzing naar het ambtsbericht en de uitspraak van het Upper Tribunal (paragraaf 136), terecht op het standpunt heeft gesteld dat het feit dat eiseres soenniet is, gelet op de positie van soennieten in Bagdad, niet reeds op zichzelf meebrengt dat zij bij terugkeer naar Bagdad een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM loopt. Uit de door eiseres aangehaalde informatie blijkt weliswaar dat sprake is van ontvoeringen, verdwijningen en deportaties van soennieten uit delen van Irak, maar niet is gebleken dat soennieten in Bagdad-stad systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. Het beroep op het Country Expert Report van Dr. Rebwar Fatah van 10 maart 2016, leidt niet tot een ander oordeel.

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat eiseres een relatie heeft met een Nederlandse man met een Iraaks/sjiitische achtergrond niet tot de conclusie leidt dat zij bij terugkeer om die reden een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Het beroep van eiseres op de uitspraak van het Upper Tribunal van 16 mei 2011 leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat thans geen sprake is van een huwelijk tussen eiseres en haar partner en eiseres ook heeft gesteld dat haar partner haar niet zal volgen naar Irak, volgt uit voornoemde uitspraak dat in Irak, en meer in het bijzonder in Bagdad, geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade voor personen uit een gemengd soennitisch/sjiitisch huwelijk.

De rechtbank is van oordeel dat, voor zover eiseres zonder haar partner terugkeert naar Irak, verweerder zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid, zoals neergelegd in par. C7/13.4.3 Vc, waarin alleenstaande vrouwen afkomstig uit Centraal- en Zuid-Irak zijn aangewezen als kwetsbare minderheidsgroep in de zin van par. C2/3.3. Vc. Er is immers niet voldaan aan de voorwaarden van het beleid, dat sprake dient te zijn van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen. Verweerder heeft op goede gronden in aanmerking genomen dat eiseres in de voorgaande asielprocedure geen zelfstandig asielrelaas had en dat het asielrelaas van de vader van eiseres bij het eerdere besluit van 27 mei 2010 ongeloofwaardig is geacht. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte bij zijn standpunt betrokken dat eiseres haar gestelde vrees voor ernstige schade van de zijde van haar familie vanwege haar relatie met een sjiitische man niet aannemelijk heeft gemaakt. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 31, geldigheid: 2015-07-20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/7837

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 5 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , van Iraakse nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. A.H.A. Kessels, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: S.Q. Sandifort MSc, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 14 april 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en het eerder bij besluit van 17 juli 2013 tegen haar uitgevaardigde inreisverbod voor de duur van twee jaren gehandhaafd.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eiseres heeft eerder, op 30 november 2006, tezamen met haar ouders, broers en zussen, een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij afzonderlijke besluiten van 7 december 2006 heeft verweerder deze aanvragen afgewezen. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Almelo, van 22 december 2006 (AWB 06/59945) gegrond verklaard. Aan eiseres en haar familieleden is bij besluiten van 3 september 2007 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van het destijds geldende categoriaal beschermingsbeleid, met ingang van 2 april 2007 en geldig tot 2 april 2012.

Bij besluit van 27 mei 2010 heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met ingang van 22 november 2008 ingetrokken. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 25 mei 2011 (AWB 10/21577) ongegrond verklaard.

Eiseres heeft op 11 juli 2011 een aanvraag ingediend om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “verblijf bij partner”. Deze aanvraag is bij besluit van 16 september 2011 afgewezen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 april 2012 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 29 oktober 2012 (AWB 12/14494) is het beroep van eiseres hiertegen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is in hoger beroep door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bij uitspraak van 24 mei 2013 bevestigd (201210666/1/V1).

Bij besluit van 17 juli 2013 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking “niet-tijdelijke humanitaire gronden op grond van de overgangsregeling langdurig in Nederland verblijvende kinderen” afgewezen. Daarnaast heeft verweerder bepaald dat aan eiseres geen termijn voor vrijwillig vertrek wordt verleend en heeft verweerder jegens eiseres een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaren. Bij besluit van 4 februari 2014 heeft verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 22 januari 2015 (AWB 14/4252) ongegrond verklaard.

2. Eiseres heeft aan onderhavige aanvraag – voor zover relevant voor deze procedure – het volgende ten grondslag gelegd. Eiseres heeft in 2010 een relatie gekregen en is met haar partner gaan samenwonen. Samen hebben zij drie kinderen. De partner van eiseres en de kinderen hebben allen de Nederlandse nationaliteit. Eiseres kan niet meer terug naar Irak, omdat haar partner en drie kinderen hier wonen. Als zij terug zou gaan naar Irak, zou dat heel gevaarlijk zijn, omdat zij dan in Irak als alleenstaande vrouw dient te leven. Eiseres is niet getrouwd met haar partner. Als de familie van de moeder van eiseres daar achter komt, krijgt zij problemen met hen. Verder is eiseres soennitisch moslim, terwijl haar partner sjiiet is. Eiseres doet een beroep op de verslechterde veiligheidssituatie in Bagdad.

3. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit materieel vergelijkbaar is met het eerdere besluit van 27 mei 2010 tot intrekking van de aan eiseres verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hoewel daarmee onderhavige aanvraag een opvolgende aanvraag is, heeft verweerder de aanvraag inhoudelijk getoetst zonder toepassing te geven aan artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1759), bestaat er voor de bestuursrechter in vreemdelingenzaken geen ruimte meer om ambtshalve het ne bis-beoordelingskader toe te passen en dient de bestuursrechter elk besluit op een opvolgende aanvraag overeenkomstig artikel 8:69 Awb te toetsen in het licht van de daartegen door de vreemdeling aangevoerde beroepsgronden. Dat verweerder in het verweerschrift zich op het standpunt heeft gesteld dat het toetsingskader voor de rechtbank wordt bepaald door het ne bis in idem-beginsel en er volgens verweerder geen sprake is van rechtens relevante nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en de rechtbank ter zitting het ne-bis-beoordelingskader aan de orde heeft gesteld, doet aan het voorgaande niet af. De rechtbank zal daarom hierna overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden.

De algemene veiligheidssituatie

4. Eiseres voert aan dat de algemene veiligheidssituatie in Irak, en meer specifiek in Bagdad-stad, zodanig is verslechterd dat sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (de Definitierichtlijn), geïmplementeerd in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, Vw (hierna: 15c-situatie). Eiseres verwijst daartoe – onder meer – naar de update van VluchtelingenWerk Nederland van 13 april 2016 (met bijlagen) over de recente veiligheidssituatie in Bagdad. Gezien het grote aantal incidenten in Bagdad in de periode van januari tot april 2016 kan het standpunt van verweerder dat het leven in Bagdad gewoon doorgaat, niet worden gevolgd. Veel incidenten vonden plaats tijdens gewone bezigheden van burgers, zoals tijdens het bijwonen van een voetbalwedstrijd, bezoeken van populaire markten en winkelbezoek. Er zijn veel incidenten gemeld in het zuiden, westen, oosten, noordoosten, het centrum en het noorden van Bagdad. Geen enkel deel van Bagdad wordt gespaard, aldus eiseres.

4.1.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van een 15c-situatie in Bagdad-stad geen sprake is en daartoe onder meer verwezen naar het ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 13 oktober 2015 over de veiligheidssituatie in Irak. In dit ambtsbericht staat in paragraaf 3.1 en 3.2 onder meer het volgende vermeld:

“Aan het eind van de verslagperiode had ISIS de controle in de volgende steden en gebieden eromheen: Mosul, Qayyarah, Sharqat, Hawija, Tal Afar, Ba’aj, Fallujah, Karma, Ramadi, Hit, Qaim, Waleed, Rutba en een aantal kleinere dorpen.

Bagdad blijft de zwaarst getroffen provincie van Irak voor wat betreft aantallen burgerdoden. In de periode 11 december 2014 tot en met 30 april 2015 kwamen minstens 1586 burgers door geweld om het leven en raakten er minstens 4138 burgers gewond. Naast conflict-gerelateerd geweld was er in de provincie Bagdad ook sprake van crimineel of sektarisch geweld, waarbij burgers het slachtoffer zijn geworden. (…)

Gewapende sjiitische milities waren net als in de vorige verslagperiode zichtbaar aanwezig in de stad, voor zover bekend betreft het hier in ieder geval Kata’ib Hezbollah, de Badr organisatie en Asaib Ahl al-Haq. De situatie dat zij in de sjiitische buitenwijken van de stad de veiligheid bewaken en daar in grote mate onafhankelijk in zijn, lijkt in de verslagperiode niet veranderd te zijn. Zij hadden op verschillende plekken in de stad waar sjiieten de meerderheid vormen controleposten opgesteld. Het is onbekend of deze controleposten de bewegingsvrijheid van individuele burgers ernstig beperken. Evenmin is bekend of de sjiitische milities systematische huiszoekingen verrichten in het kader van het bewaken van de veiligheid.

De militie Kata’ib Hezbollah raakte in september 2015 slaags met de federale veiligheidstroepen in het centrum van de stad, waarbij aan beide zijden slachtoffers vielen.

In tegenstelling tot de vorige verslagperiode beperkt het geweld gericht tegen burgers zich niet langer tot wijken waar de sjiieten de meerderheid vormen. De (zelfmoord)aanslagen die dagelijks plaatsvinden in de stad worden zowel in sjiitische, als in soennitische en religieus gemengde wijken gepleegd. Er zijn dagelijks aanslagen waarbij per aanslag een relatief klein aantal burgers om het leven komt. Deze aanslagen worden veelal niet opgeëist en de daders worden veelal niet opgespoord. Hoewel de grote meerderheid van de aanslagen gericht is op burgers, kwamen bij dergelijke aanslagen ook politieagenten en Sahwa-leden om het leven. Waar ISIS in andere provincies ook de Iraakse veiligheidsorganisaties tot doel had, leken de aanslagen in Bagdad niet gericht te zijn op overheidspersoneel of -gebouwen. Ook worden dagelijks lijken gevonden in de stad van personen die door geweld om het leven zijn gebracht. Deze moorden lijken meer sektarisch of crimineel gemotiveerd te zijn. Daarnaast zijn er in de verslagperiode meerdere aanslagen in de stad gepleegd waarbij grote aantallen burgers om het leven kwamen. Een aantal hiervan is door ISIS opgeëist.

In mei 2015 nam het sektarisch geweld toe tijdens een aantal sjiitische feestdagen waar duizenden pelgrims uit verschillende provincies aan deelnamen. Zij werden het doelwit van een aantal gerichte aanvallen, waarbij dodelijke slachtoffers zijn gevallen. Echter, ook de pelgrims zelf gebruikten geweld. Zo staken op 14 mei 2015 pelgrims een soennitisch religieus gebouw in de wijk Adhamiya (soennitische meerderheid) in brand waarbij doden vielen.

In de verslagperiode vonden er bijna elke maand aanslagen plaats waarbij een groot aantal burgers slachtoffer werd. Uit het aantal grote aanslagen met veel burgerslachtoffers is af te leiden dat ISIS nog altijd in staat is dergelijke gerichte aanslagen uit te voeren in de hoofdstad.

(…). ”.

4.1.2

In het verweerschrift heeft verweerder gewezen op zijn brief van 9 december 2015 aan de Tweede Kamer (TK 2015-2016, 19 637, nr. 2015) waarin hij de beleidsconclusies die hij heeft getrokken uit het ambtsbericht heeft medegedeeld. In de brief heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit het ambtsbericht weliswaar blijkt dat er in Irak meerdere strijdende legers, milities en gewapende groeperingen zijn, die meerdere soorten gericht en willekeurig geweld plegen, maar dat in onder meer Bagdad-stad geen sprake is van een 15c-situatie. Verweerder maakt in de brief onderscheid tussen enerzijds het gebied waar ISIS delen onder controle heeft en waar wordt gevochten tussen ISIS en anti-ISIS strijdgroepen en anderzijds de overige delen van Irak, waaronder de stad Bagdad, Zuid-Irak en de Koerdische Autonome regio.

4.1.3

Verder heeft verweerder bij zijn standpunt groot belang gehecht aan de uitspraak van het Britse Upper Tribunal van 5 oktober 2015, AA/06175/2009 (tribunalsdecisions.service.gov.uk/utiac/2015-ukut-544). Het Upper Tribunal oordeelt in die uitspraak over de veiligheidssituatie in Bagdad-stad in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn als volgt:

“126. When viewed in the context of the size of the population of Baghdad city, we do not find the level of civilian deaths and injuries there, even taken at its highest and allowing for the likelihood of underreporting, to be indicative of the level of indiscriminate violence so as to engage Article 15(c). (…)

127. We accept, however, that the statistics as to the level of civilian deaths and injuries in Baghdad are not determinative of the issue before us; indeed if they were then, as Mr [name] properly points out, they are not significantly different to the statistics on deaths and injuries to civilians drawn in relation to some of the governorates in the contested areas. A more holistic approach is required.

128. There are significant differences as between the circumstances in the contested areas and those prevailing in Baghdad. (…).

129. Although displacement levels are clearly a relevant factor when taking the inclusive approach to a consideration of Article 15(c), we are cautious about giving them undue prominence in our holistic assessment. A person who is facing egregious violence in one place may decide to move to another place that, whilst safer, is still far from peaceful. We do, however, accept that the large movement of people from the contested areas to Baghdad city is indicative of there being sufficiently less violence in Baghdad to make the arduous and upsetting process of fleeing one’s home worthwile. The geography also indicates that those moving to Baghdad from the contested area’s do not face a “Hobson’s Choice”, in that some, at least, would appear to have the option of seeking refuge in the Southern Governorates or across the boarder in Jordan.

130. (…) Daily life in Baghdad carries on in the midst of all the violent incidents. Somehow communications, transport, trade and industry and public business go on functioning, in spite of the many restrictions as a result of the many years of misrule, corruption and poor security.

It is also relevant that the violence in Baghdad is largely generated by asymmetrical warfare (i.e. sporadic terrorist attacks) rather than by all out fighting, such as is to be seen in the contested area’s.

(…)

132. Having considered all of the evidence before us, a summary of which we have set out above, in our view we do not find that the level of violence in Baghdad city, or in Baghdad governorate as a whole, comes even close to crossing the Article 15(c) threshold.”.

4.2

De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.2.1

Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 21 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:658) kan uit rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden afgeleid dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, Vw bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeert naar het betrokken land of, in voorkomend geval, naar het betrokken gebied, louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op de in dat artikelonderdeel bedoelde bedreiging. Uit voormelde uitspraak van de Afdeling vloeit voort dat de kans dat een vreemdeling bij terugkeer naar - in dit geval - Bagdad, louter door zijn aanwezigheid daar ernstige schade zal lijden ten gevolge van willekeurig geweld, bepalend is.

4.2.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich, onder verwijzing naar het ambtsbericht en de uitspraak van het Upper Tribunal van 5 oktober 2015, terecht op het standpunt gesteld dat in Bagdad-stad geen sprake is van een 15c-situatie. Het geweld in Bagdad-stad onderscheidt zich naar het oordeel van de rechtbank van het geweld in de in paragraaf C7/13.4.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) genoemde gebieden, waaronder de ‘Bagdad-belts’, waar gestreden wordt door en tegen ISIS. Zoals het Upper Tribunal heeft overwogen, wordt het geweld in Bagdad-stad met name veroorzaakt door sporadische terroristische aanvallen en niet door “all out fighting”. Voorts blijkt uit het ambtsbericht dat per (zelfmoord)aanslag een relatief klein aantal burgers om het leven komt. Daarnaast volgt uit de uitspraak van het Upper Tribunal dat het dagelijks leven in Bagdad-stad doorgaat ondanks alle geweldsincidenten in de stad. Verweerder heeft terecht als ondersteunend argument gebruikt dat, anders dan in de 15c-gebieden als aangeduid in voornoemd beleid in paragraaf C7/13.4.1 Vc, minder sprake is van een wegtrekkende bevolking en dat juist sprake is van ontheemden die naar Bagdad trekken.

4.2.3

De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog ter zitting dat de uitspraak van het Upper Tribunal onjuist is, nu zij dit betoog niet heeft geconcretiseerd. Anders dan eiseres acht de rechtbank het onderzoek van het Upper Tribunal volledig en de uitspraak uitgebreid gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in de informatie waarnaar eiseres ter onderbouwing van haar standpunt heeft verwezen, terecht geen grond gezien anders te concluderen ten aanzien van de veiligheidssituatie in Bagdad-stad dan het Upper Tribunal in zijn uitspraak. Uit de door eiseres aangehaalde recente informatie kan, net als uit genoemd ambtsbericht en de uitspraak van het Upper Tribunal, worden afgeleid dat de situatie in Bagdad niet rooskleurig is, dat er veel aanslagen zijn en er veel burgerslachtoffers vallen, maar uit die informatie blijkt ook dat de meeste aangehaalde bronnen zich uitspreken over de situatie in de provincie Bagdad, en niet zozeer de stad Bagdad. Delen van de provincie Bagdad, de zogenaamde Bagdad-belts, zijn door verweerder weliswaar aangemerkt als 15c-gebied, maar het onderscheid tussen de provincie en de stad Bagdad is relevant, omdat in gebieden in de provincie, anders dan in de stad Bagdad, wordt gestreden door en tegen ISIS.
Uit de door eiseres overgelegde informatie is niet af te leiden dat thans in Bagdad meer burgerslachtoffers te betreuren zijn dan ten tijde van genoemde uitspraak van het Upper Tribunal. De rechtbank vindt hiervoor bevestiging in de op de door eiseres aangehaalde website van Iraq Body Count gepubliceerde cijfers (www.iraqbodycount.org/databse/recent).
Zoals verweerder in het verweerschrift terecht heeft opgemerkt is de door eiseres overgelegde informatie gebaseerd op het ambtsbericht, betreft het informatie uit rapporten die als bron bij de totstandkoming van het ambtsbericht zijn betrokken, dan wel verschilt die informatie niet wezenlijk van hetgeen in het ambtsbericht is gerapporteerd. Verweerder heeft tevens terecht verwezen naar APPENDIX A “Documentary evidence before the Upper Tribunal”, die is gevoegd bij de uitspraak van het Upper Tribunal, waaruit blijkt dat het merendeel van de bronnen overeenkomt met de bronnen die door VluchtelingenWerk Nederland worden aangehaald in de update van januari 2016.

4.2.4

Gelet op vorengaande, waaruit volgt dat de door eiseres overgelegde informatie geen wezenlijke verslechtering van de veiligheidssituatie in Bagdad laat zien ten opzichte van de periode die aan de orde was in de uitspraak van het Upper Tribunal, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat in Bagdad-stad geen sprake is van een 15c-situatie.

De positie van de soennieten in Bagdad

5. Eiseres heeft voorts gewezen op de positie van de soennieten in Bagdad. Zij voert aan dat zij vanwege de omstandigheid dat zij soennitisch moslim is, een reëel risico loopt dat zij bij terugkeer naar Bagdad wordt onderworpen aan een behandeling in strijd met onder meer artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Zij verwijst daartoe naar de update van VluchtelingenWerk Nederland, waaruit blijkt dat met name binnen de soennitische gemeenschappen in gebieden onder controle van ISIS grove mensenrechtenschendingen plaatsvinden. In gebieden die de overheid terugveroverde werden represailles uitgevoerd tegen lokale soennieten, die ervan werden verdacht steun te hebben geboden aan ISIS. Eiseres wijst verder op een bericht van de BBC van 5 februari 2016 en een rapport van Human Rights Watch van 27 januari 2016. Na de inname van Mosul door ISIS nam het geweld in Bagdad toe. Er zijn aanwijzingen dat sjiitische milities hun acties tegen soennieten hebben geïntensiveerd. Ter zitting heeft eiseres gewezen op het Country Expert Report van Dr. Rebwar Fatah van 10 maart 2016. Daaruit blijkt dat sprake is van sektarisch geweld in Bagdad tussen soennieten en sjiieten, waarbij veel soennitische slachtoffers vallen. Volgens Amnesty International zijn soennieten verdreven uit woonwijken met een gemengde populatie.

5.1.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich, onder verwijzing naar het ambtsbericht en de uitspraak van het Upper Tribunal (paragraaf 136), terecht op het standpunt heeft gesteld dat het feit dat eiseres soenniet is, gelet op de positie van soennieten in Bagdad, niet reeds op zichzelf meebrengt dat zij bij terugkeer naar Bagdad een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM loopt. Zoals het Upper Tribunal heeft geoordeeld, brengt het enkele feit dat iemand soenniet of sjiiet is in Bagdad-stad voor die burger nog geen risico in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn met zich. Uit de door eiseres aangehaalde informatie blijkt weliswaar dat sprake is van ontvoeringen, verdwijningen en deportaties van soennieten uit delen van Irak, maar niet is gebleken dat soennieten in Bagdad-stad systematisch worden blootgesteld aan een praktijk van onmenselijke behandelingen. De informatie waaraan in de update van VluchtelingenWerk Nederland wordt gerefereerd, verschilt niet wezenlijk van de informatie die het Upper Tribunal bij zijn oordeel heeft betrokken. De aangehaalde bronnen beslaan voornamelijk het jaar 2015 en juist de informatie uit verschillende rapporten van gezaghebbende bronnen die zien op dat jaar is betrokken bij de uitspraak van het Upper Tribunal en het algemeen ambtsbericht. Daarnaast blijkt dat een aantal bronnen niet ziet op de situatie van soennieten in Bagdad, maar juist op de positie van soennieten in of afkomstig uit gebieden waar tegen en door ISIS wordt gevochten, waar ISIS aan de macht is of die inmiddels zijn terugveroverd op ISIS (onder meer bijlagen 2, 3 en 4 bij de update van VluchtelingenWerk Nederland).

5.1.2

Het beroep van eiseres op het Country Expert Report van Dr. Rebwar Fatah van 10 maart 2016, leidt niet tot een ander oordeel. Uit dit rapport blijkt weliswaar dat er in Bagdad zuiveringsacties zijn gericht tegen soennieten, maar niet gebleken is van een situatie waaraan eiseres zich niet kan onttrekken. Verweerder heeft daarbij terecht erop gewezen dat Dr. Rebwar Fatah zowel mondeling als schriftelijk als getuige-deskundige is gehoord door het Upper Tribunal en dat zijn informatie over Bagdad over de periode van 2015 expliciet is betrokken door het Upper Tribunal bij zijn uitspraak van 5 oktober 2015.

5.1.3

Bij hetgeen hiervoor is overwogen over de positie van soennieten in Bagdad komt nog dat verweerder onweersproken heeft gesteld dat uit de aangehaalde informatie, maar ook het ambtsbericht en de uitspraak van het Upper Tribunal, blijkt dat in Bagdad-stad soennitische wijken zijn waar eiseres zich alleen kan vestigen en gemengde wijken, waar eiseres zich met haar partner en kinderen kan vestigen, als haar partner met eiseres wenst mee te gaan naar Bagdad. Daarbij heeft verweerder terecht van belang geacht dat eiseres haar gehele leven in Bagdad woonachtig is geweest, en dat dientengevolge wordt verondersteld dat zij de taal machtig is, en dat zij aldaar nog familie heeft wonen, zoals blijkt uit haar verklaringen in het gehoor van 8 april 2016.

De situatie voor eiseres wegens haar relatie met een sjiiet

6. Eiseres verwijst naar de uitspraak van het Upper Tribunal van 16 mei 2011 [de rechtbank begrijpt: van 26 september 2011], paragraaf 31, (tribunalsdecisions.service.gov.uk/utiac/2011-ukut-342), waaruit blijkt dat na de invasie van de Verenigde Staten in Irak in 2003 de sektarische scheiding tussen soennieten en sjiieten een rol is gaan spelen. De Iraakse rechtbank meldt dat het aantal scheidingen bij gemengde huwelijken in 2011 is gestegen en religieuze leiders hebben mensen opgeroepen voor hun eigen veiligheid te scheiden bij gemengde huwelijken. Elf leden van Union for Peace, een organisatie die opkomt voor de rechten van mensen in gemengde huwelijken, zijn vermoord en de organisatie werd gedwongen om zich te ontbinden. Een mensenrechtenmedewerker van de Verenigde Naties stelde dat er geen veiligheid geboden kon worden aan mensen in een gemengd huwelijk, toen de sektarische spanningen waren toegenomen in 2007. Gelet hierop bestaat er een reëel risico dat eiseres bij terugkeer met haar sjiitische partner zal worden onderworpen aan een behandeling die is verboden door onder meer artikel 3 EVRM. Verweerder heeft zich hiervan onvoldoende rekenschap gegeven, aldus eiseres.
Eiseres voert verder aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat zij haar Nederlandse partner mee kan nemen naar Irak en aldaar met hem in het huwelijk kan treden. Eiseres ziet niet in waarom zij zou moeten trouwen als zij dat niet wil. Zij kan niet gedwongen worden een huwelijk te sluiten alleen om zich te conformeren aan de Iraakse samenleving en cultuur. Van de partner van eiseres kan niet worden gevergd dat hij zich als sjiiet vestigt in een soennitische wijk.

6.1

Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat eiseres een relatie heeft met een Nederlandse man met een Iraaks/sjiitische achtergrond niet tot de conclusie leidt dat zij bij terugkeer om die reden een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling. Het beroep van eiseres op de uitspraak van het Upper Tribunal van 16 mei 2011 leidt niet tot een ander oordeel. Nog daargelaten dat thans geen sprake is van een huwelijk tussen eiseres en haar partner en eiseres ook heeft gesteld dat haar partner haar niet zal volgen naar Irak, volgt uit voornoemde uitspraak (zie rechtsoverwegingen 39 en 40) dat in Irak, en meer in het bijzonder in Bagdad, geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade voor personen uit een gemengd soennitisch/sjiitisch huwelijk. Voorts blijkt uit deze uitspraak dat wellicht in “rural” en “tribal” gebieden er een verhoogd risico bestaat voor personen uit een gemengd huwelijk, maar dat in die situatie een vestigingsalternatief bestaat onder meer in Bagdad.

De situatie van eiseres als alleenstaande vrouw

7. Eiseres voert tenslotte aan dat zij als alleenstaande soenniet, die nu samenwoont met een sjiitische moslim en moeder is van drie kinderen, bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. Nu de partner van eiseres haar niet zal volgen, zal zij als alleenstaande vrouw terugkeren naar Irak, alwaar zij geen bescherming zal krijgen van familie, haar stam of van de Iraakse autoriteiten. Eiseres merkt op dat alleenstaande vrouwen uit Centraal-Irak ingevolge paragraaf C2/3.2 Vc als een kwetsbare minderheidsgroep zijn aangemerkt. Voorts is de algemene veiligheidssituatie in Irak en in Bagdad verslechterd sinds het besluit van 27 mei 2010, waarbij verweerder de eerder aan eiseres verleende verblijfsvergunning asiel heeft ingetrokken. Daarom kan verweerder niet verwijzen naar dat besluit, waarin hij het asielrelaas van de vader van eiseres, van wie zij destijds afhankelijk was, ongeloofwaardig heeft bevonden. Nu eiseres niet is teruggekeerd naar Irak en er zich sindsdien wijzigingen in haar situatie hebben voorgedaan, had verweerder een risico-inschatting dienen te maken, in het licht van de gewijzigde omstandigheden en de huidige algemene veiligheidssituatie in Irak en Bagdad. Van eiseres kan dan niet worden verwacht dat zij haar vrees aannemelijk maakt met specifieke individuele kenmerken, anders dan de specifieke kenmerken die zij reeds naar voren heeft gebracht. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder deze omstandigheden in onderlinge samenhang heeft meegewogen.

7.1

De rechtbank is van oordeel dat, voor zover eiseres zonder haar partner terugkeert naar Irak, verweerder zich in het bestreden besluit niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van geringe indicaties waaruit blijkt dat zij een risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw, op grond waarvan zij in aanmerking zou komen voor een verblijfsvergunning op grond van het beleid, zoals neergelegd in paragraaf C7/13.4.3 Vc, waarin alleenstaande vrouwen afkomstig uit Centraal- en Zuid-Irak zijn aangewezen als kwetsbare minderheidsgroep als bedoeld in paragraaf C2/3.3 Vc. Er is immers niet voldaan aan de voorwaarden van het beleid, zoals dat is neergelegd in paragraaf C2/3.3 Vc, dat sprake dient te zijn van geloofwaardige en individualiseerbare verklaringen. Verweerder heeft op goede gronden in aanmerking genomen dat eiseres in de voorgaande asielprocedure geen zelfstandig asielrelaas had en dat het asielrelaas van de vader van eiseres bij het eerdere besluit van 27 mei 2010 ongeloofwaardig is geacht. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte bij zijn standpunt betrokken dat eiseres haar gestelde vrees voor ernstige schade van de zijde van haar familie vanwege haar relatie met een sjiitische man niet aannemelijk heeft gemaakt. Uit de verklaringen van eiseres is immers niet gebleken dat haar familie op de hoogte is van haar relatie met haar partner. Evenmin is gebleken dat eiseres eerder problemen heeft ondervonden van de zijde van haar familie.

Inreisverbod

8. Eiseres voert tenslotte aan dat verweerder niet kon volstaan met een verwijzing naar het eerder bij het besluit van 17 juli 2013 uitgevaardigde inreisverbod, zoals gehandhaafd bij het besluit op bezwaar van 4 februari 2014, en naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 22 januari 2015 waarin het beroep tegen het laatstgenoemde besluit ongegrond is verklaard. Zij wijst daartoe op de verslechtering van de algemene veiligheidssituatie in Irak en Bagdad en de situatie van soennieten en alleenstaande vrouwen in Irak en Bagdad. Door het inreisverbod zal eiseres worden gescheiden van haar gezin. Dit levert een schending op van artikel 8 EVRM en de artikelen 3, 9 en 10 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK). Het belang van de kinderen bij het kunnen voortzetten van het gezinsleven weegt zwaarder dan het belang van verweerder om het inreisverbod te handhaven. De kinderen hebben het recht door beide ouders te worden opgevoed en om op te groeien met zowel hun vader als hun moeder in een veilige en stabiele omgeving zoals Nederland.

8.1

Uit hetgeen in het voorgaande is overwogen volgt dat de veiligheidssituatie in Bagdad, mede in aanmerking genomen dat eiseres soennitisch moslim is en zij stelt dat haar partner niet met haar zal terugkeren, geen grond biedt voor het oordeel dat verweerder ten onrechte haar aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft afgewezen. Verweerder heeft daarom terecht om die reden geen aanleiding gezien het eerder tegen eiseres uitgevaardigde inreisverbod op te heffen.
Ten aanzien van het beroep van eiseres op artikel 8 EVRM en de belangen van haar kinderen, heeft verweerder terecht verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 22 januari 2015, waarin onherroepelijk is geoordeeld dat het tegen eiseres uitgevaardigde inreisverbod niet in strijd is met artikel 8 EVRM, en waarbij de belangen van de kinderen zijn betrokken. Eiseres heeft in dat verband geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden naar voren gebracht, die tot opheffing van het inreisverbod hadden dienen te leiden.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, voorzitter, mr. L.M. Kos en mr. J. van der Kluit, leden, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 augustus 2016.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.