Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9530

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
12-08-2016
Zaaknummer
16/15315
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Kosovo / veilig land van herkomst / concept EU-lijst en nationale lijst van veilige landen van herkomst / motivering / conclusie A-G Widdershoven / toewijzing voorlopige voorziening

Betrokkene is van mening dat Kosovo ten onrechte op de lijst van veilige landen van herkomst is geplaatst. Volgens hem kan dit land gelet op de landeninformatie in zijn algemeenheid niet als veilig land van herkomst gelden. Dat zes landen Kosovo als veilig aanmerken is onvoldoende om Kosovo als zodanig aan te merken, aldus betrokkene.

De basisnorm voor de aanmerking als veilig land van herkomst is dat in een land ‘algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging, van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing’ (artikel 3.37f lid 1 Voorschrift Vreemdelingen). De voorzieningenrechter acht de conclusie van Staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven van 20 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2040) over het begrip ‘veilig land’ ook van betekenis voor de zaak van betrokkene. Hij concludeert onder meer dat de staatssecretaris in alle gevallen een eigen verantwoordelijkheid heeft om na zorgvuldig onderzoek op basis van in elk geval de in artikel 3.105ba, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit voorgeschreven bronnen een kenbaar en deugdelijk gemotiveerd oordeel te geven over de vraag of een land gelet ook op de daadwerkelijk naleving van de mensenrechten aan de basisnorm voldoet. Indirect ‘bewijs’, zoals bijvoorbeeld de omstandigheid dat andere lidstaten een land als veilig aanmerken, kan daarbij een rol spelen, mits dat zelf aan de zorgvuldigheids- en motiveringseisen voldoet. De bewijslast voor de aanmerking van een land als ‘veilig land van herkomst’ ligt volledig bij de staatssecretaris. Volgens Widdershoven kan de staatssecretaris naar de concept EU-lijst verwijzen, maar is de betekenis hiervan bijzonder beperkt. Als de staatssecretaris naar die lijst verwijst, maakt hij de door de Europese Commissie gemaakte afweging tot de zijne. De staatssecretaris blijft evenwel zelf verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van de aanmerking van veilige landen van herkomst op de nationale lijst. Dat de Europese Commissie, na onderzoek en gemotiveerd, een concept-lijst heeft opgesteld, betekent geenszins dat die motivering en dat onderzoek aan de eisen in de Procedurerichtlijn voldoet. In de nationale procedure zal de nationale rechter moeten beoordelen of die motivering en dat onderzoek aan die eisen voldoet. Het feit dat de Europese Commissie een land na onderzoek heeft aangemerkt als veilig, legt daarbij geen bijzonder gewicht in de schaal, aldus Widdershoven (zie punt 5.14 van de conclusie).

Het beroepschrift heeft een redelijke kans van slagen. Gelet op de conclusie van Widdershoven valt niet uit te sluiten dat het onderzoek en de motivering die de staatssecretaris ten grondslag heeft gelegd aan de plaatsing van Kosovo op de nationale lijst van veilige landen van herkomst, niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Voor een oordeel ten gronde hierover is mede van belang hoe de Afdeling uiteindelijk zal oordelen in de zaken waarin zij Widdershoven heeft gevraagd een conclusie te nemen. Het onderzoek in de beroepszaak zal derhalve eerst worden hervat zodra de Afdeling in die zaken uitspraak heeft gedaan. Toewijzing voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/15315 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 augustus 2016 in de zaak tussen

[naam] , verzoeker,

mede namens zijn minderjarig kind [kind] ,

(gemachtigde: mr. A. Kurt-Gecoglu),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. F.S. Schoot).

Procesverloop

Bij besluit van besluit van 9 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zoals bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 31 van de Vw 2000 juncto artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Daarnaast is aan verzoeker ambtshalve geen verblijfsvergunning regulier verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Evenmin is aan verzoeker uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000. Aan verzoeker is verder een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar, gerekend vanaf de datum dat zij Nederland daadwerkelijk hebben verlaten. Dit inreisverbod geldt niet voor zijn minderjarig kind.

Verzoeker heeft op 12 juli 2016 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroepschrift is geregistreerd onder zaaknummer AWB 16/15314. Tevens heeft verzoeker de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat het verweerder wordt verboden hem en zijn kind uit te zetten totdat op het beroep is beslist. Dit verzoekschrift is geregistreerd onder zaaknummer AWB 16/15315.

De behandeling van het beroep en het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft plaatsgevonden ter zitting van 4 augustus 2016, waar verzoeker en zijn gemachtigde met voorafgaande berichtgeving niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover hierbij het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing (uitspraak) in die procedure.

De voorafgaande procedure

2. Verzoeker heeft eerder, op 9 augustus 2015, een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft die aanvraag bij besluit van 30 oktober 2015 niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. Verzoeker heeft op 30 oktober 2015 tegen dit besluit beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 27 november 2015 is het beroep ongegrond verklaard (AWB 15/19338). Bij uitspraak van gelijke datum heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen (AWB 15/19339). De uitspraak van de rechtbank van 27 november 2015 is bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) bij uitspraak van 30 december 2015, met zaak nr. 201508908/1/V3. Verzoeker is voorts niet binnen de termijn zoals genoemd in artikel 29, tweede lid, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (de Dublinverordening) aan de autoriteiten van Duitsland overgedragen.

De huidige procedure

3. Op 28 juni 2016 heeft verzoeker wederom een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Ter onderbouwing van die aanvraag heeft verzoeker aangevoerd dat hij [naam] heet en geboren is op [geboortedag] 1986. Hij is afkomstig uit Kosovo, behoort tot de Albanese bevolkingsgroep en is moslim. Verzoeker was danstrainer en heeft in Kosovo dansles gegeven. Op 7 augustus 2015 is hij getrouwd met een vrouw uit Macedonië met wie hij al ongeveer vier jaar een relatie had. Zij is ook etnisch Albanees. De problemen begonnen toen hij zijn partner na twee à drie jaar voor het eerst meenam naar huis en haar wilde voorstellen aan zijn familie. De familieleden van verzoeker zijn extreme moslims. Zij hebben verzoeker verboden te dansen en wilden niet dat hij met deze vrouw ging trouwen. De familie van verzoeker wilde dat zij bedekt was en vond het storend dat zijn vrouw een litteken bij haar bovenlip heeft en uit Macedonië afkomstig is. Kosovaren en Macedoniërs haten elkaar. Uiteindelijk zijn verzoeker en zijn partner uit het ouderlijk huis van verzoeker gezet. Zijn familie heeft zijn vrouw ook geslagen. Verzoeker probeerde de ruzie te sussen, maar slaagde daar niet in. Vervolgens begon zijn familie, zijn ouders en zijn ooms, hen te bedreigen. Ze wilden niet dat verzoeker en zijn vrouw zouden samen blijven. Verzoeker is niet rechtsreeks door zijn ouders met de dood bedreigd, maar indirect lijkt het erop. Hij is niet naar de politie gegaan omdat men al klappen krijgt voordat men het politiebureau binnenkomt. Iedereen van de maffia heeft connecties met de mensen in de regering, de staat. Verre familieleden van verzoeker werken bij de politie en zullen zijn familie op de hoogte stellen als verzoeker naar de politie gaat. Verzoeker zag zich genoodzaakt om weg te gaan. Hij is naar Duitsland gegaan en heeft zijn echtgenote achtergelaten bij haar familie in Macedonië. Verzoeker heeft haar daar weggehaald toen zij problemen kreeg met haar familie.

Het bestreden besluit

4. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van verzoeker de volgende relevante elementen:

- Verzoeker is genaamd [naam] heeft de Albanese etniciteit, is van Kosovaarse nationaliteit en is afkomstig uit Kosovo.

- Verzoeker heeft verklaard dat hij is vertrokken uit zijn land omdat hij en zijn echtgenote familieproblemen hebben ondervonden met zijn familie vanwege zijn echtgenote.

4.1.

Verweerder heeft de verklaringen van verzoeker over zijn identiteit, nationaliteit, herkomst en reden van vertrek uit zijn land, geloofwaardig geacht. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, omdat verzoeker afkomstig is uit een veilig land van herkomst en hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat er, in afwijking van de algehele situatie in Kosovo, aanleiding is aan te nemen dat dit land jegens hem persoonlijk haar verdragsverplichtingen niet nakomt. Verzoeker heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat voor hem geen mogelijkheid bestaat om tegen zich voordoende problemen de bescherming in te roepen van de autoriteiten van Kosovo.

4.2.

Verweerder beschouwt Kosovo als een veilig land van herkomst. Hiertoe is overwogen dat met Kosovo in 2012 de visumverplichtingen zijn versoepeld. Het doel is om uiteindelijk ook voor Kosovaarse burgers de visumplicht op te heffen. Hiervoor moest de regering van Kosovo echter nog belangrijke hervormingen doorvoeren op het gebied van reisdocumenten en migratie- en asielmanagement. In februari 2013 en juli 2014 kwam de Europese Commissie met rapporten over de voortgang die Kosovo heeft gemaakt over de vereiste veranderingen. In beide rapporten kwam naar voren dat Kosovo goed op weg was, maar dat de visumplicht pas opgeheven kan worden wanneer aan alle voorwaarden is voldaan.

4.3.

Verweerder geeft verder aan dat in de Mededeling van de Europese Commissie omtrent de ‘Uitbreidingsstrategie en voornaamste uitdagingen 2014-15’ van 8 oktober 2014 over Kosovo het volgende wordt opgemerkt:

Achterstallige rechtszaken en een onpartijdige, onafhankelijke rechtsgang blijven een uitdaging.

(…)

De mensenrechten en de grondrechten worden in Kosovo over het algemeen bij wet gegarandeerd. De onafhankelijke mediacommissie is opnieuw aan de slag gegaan. De plegers van geweld tegen de krant Kosovo 2.0 kregen voorwaardelijke straffen. Bedreigingen en aanvallen tegen lesbische, biseksuele, transseksuele en interseksuele activisten en journalisten blijven doorgaan, hetgeen een ernstig punt van zorg is. De voorwaarden voor vrijheid van meningsuiting en persvrijheid dienen te worden gecreëerd. Eigendomsrechten moeten op een correcte manier worden afgedwongen, met inbegrip van de toegang van vrouwen tot erfenissen. Kosovo moet zijn institutionele systeem inzake de bescherming van de mensenrechten nog stroomlijnen. De diverse verantwoordelijkheden zijn niet precies afgebakend, waardoor de toepassing en het toezicht van de wetgeving worden gehinderd.

4.4.

Voorts hebben ten minste zes lidstaten Kosovo aangemerkt als veilig land van herkomst. Daarnaast is in artikel 22 van de Grondwet van Kosovo vastgelegd dat mensenrechten die zijn vastgelegd in de volgende verdragen direct kunnen worden ingeroepen: 1) Universal Declaration of Human Rights; 2) European Convention for the Protection of Human Rights and Fundamental Freedoms and its Protocols; 3) International Covenant on Civil and Political Rights and its Protocols; 4) Council of Europe Framework Convention for the Protection of National Minorities; 5) Convention on the Elimination of All Forms of Racial Discrimination; 6) Convention in the Elimination of All Forms of Discrimination Against Women; 7) Convention on the Rights of the Child; en 8) Convention against Torture and Other Cruel, Inhumane or Degrading Treatment or Punishment.

4.5.

Gelet hierop gaat verweerder ervan uit dat Kosovo in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft. Verzoeker heeft niet aannemelijk gemaakt dat Kosovo ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en in zijn geval niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Verweerder merkt allereerst op dat verzoeker heeft verklaard over de problemen die hij heeft meegemaakt in 2014/2015. Vervolgens heeft verzoeker begin 2015 asiel aangevraagd in Duitsland welke aanvraag op inhoudelijke gronden is afgewezen, waarna verzoeker naar Nederland is gegaan voor het doen van een asielaanvraag. Na de eerdere (niet inhoudelijke) afwijzing in Nederland eind 2015 heeft verzoeker zich gemeld bij de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) voor vrijwillige terugkeer. Nu verzoeker heeft aangegeven vrijwillig te willen terugkeren naar zijn land van herkomst, wordt overwogen dat hij kennelijk niets heeft te vrezen in Kosovo. Daarnaast wordt opgemerkt dat de asielaanvraag van zijn echtgenote in 2015 is afgewezen op grond van dezelfde problemen die verzoeker heeft aangedragen over de bedreigingen van zijn familie. De echtgenote van verzoeker is hiertegen niet in beroep gegaan. Van verzoeker mag overigens worden verwacht dat hij voor zijn gestelde familieproblemen bescherming of hulp vraagt bij de autoriteiten van zijn land. De stelling van verzoeker in de zienswijze dat hij vreest voor bloed- en/of eerwraak wordt niet gevolgd. In de verklaringen van verzoeker tijdens het gehoor wordt geen aanleiding gezien zulks aannemelijk te achten. Verzoeker heeft het toen niet gehad over bloed- en/of eerwraak, maar enkel over verbale bedreigingen in de trant dat hij en zijn echtgenote uit elkaar moeten gaan en dat zijn kind van zijn echtgenote zal worden afgepakt. Verder heeft verzoeker niet verklaard over andere incidenten die wijzen op bloed- en/of eerwraak, noch over vrees daarvoor bij terugkeer. Voor de problemen met de familie die wel aannemelijk worden geacht, mag worden verwacht dat verzoeker hulp of bescherming vraagt bij de (hogere) autoriteiten. Gesteld noch gebleken is dat zij verzoeker niet willen of kunnen helpen, nu hij geen enkele poging heeft gedaan om hulp te vragen. Dat verzoeker zich niet tot de politie of andere (hogere) autoriteiten heeft gewend, aangezien hij daarin kennelijk op voorhand al geen heil zou hebben gezien, leidt tot de conclusie dat hij voor zijn komst naar Nederland onvoldoende inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht mogen worden. Verzoeker heeft reeds hierdoor niet aannemelijk gemaakt dat hij in zijn land van herkomst geen mogelijkheden zou hebben om zijn beklag te doen en zijn situatie te verbeteren.

4.6.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder verduidelijkt dat ofschoon bloed- en/of eerwraak niet aannemelijk wordt geacht, het relaas op zichzelf niettemin voldoende zwaarwegend is om een risico als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aannemelijk te achten, zij het dat van verzoeker verwacht had mogen worden dat hij voorafgaand aan zijn vertrek uit Kosovo daar de bescherming van de (hogere) autoriteiten had ingeroepen.

4.7.

Verweerder is verder van mening dat de bijzondere individuele omstandigheid die verzoeker naar voren heeft gebracht, namelijk zijn passie voor dansen en het kunnen meedoen aan danswedstrijden in (andere) Europese landen, niet voldoende is om af te zien van het opleggen van een inreisverbod. Daarbij wordt nog opgemerkt dat verzoeker zijn passie ook elders kan voortzetten.

Gronden beroep en voorlopige voorziening

5. Verzoeker is van mening dat verweerder Kosovo ten onrechte op de lijst van veilige landen van herkomst heeft geplaatst. Gezien de landeninformatie over Kosovo, kan dit land in zijn algemeenheid niet als veilig land van herkomst gelden. Verzoeker betoogt dat hij voor zijn problemen geen bescherming kan krijgen van de autoriteiten in Kosovo. Dat zes landen Kosovo als veilig aanmerken, is onvoldoende om Kosovo als veilig land van herkomst aan te merken. De landeninformatie waar verweerder in het voornemen naar heeft verwezen, is van dien aard dat daaruit genoegzaam blijkt dat Kosovo niet per definitie als veilig is aan te merken.

5.1.

Verweerder heeft de omstandigheid dat verzoeker is getrouwd met een burger van Macedonië volledig buiten beschouwing gelaten. Daarbij komt dat verzoeker tot de bevolkingsgroep van Albanezen behoort. Het probleem op grond waarvan het asielverzoek is ingediend betreft een familiekwestie. Het probleem dat zich volgens verweerder in de privésfeer afspeelt is echter van het soort dat in Kosovo heel vaak mensenlevens kost. Het gaat hier om een soort bloedwraak en/of familie-eerkwestie. Dat verzoeker het woord bloedwraak of eerwraak niet in de mond heeft genomen, doet niet af aan het probleem dat hij duidelijk heeft beschreven. Zij ouders en overige familieleden belijden de islam op zeer orthodoxe wijze. Door niet te trouwen met een vrouw die voldoet aan de criteria van zijn familie, heeft eiser de familie-eer bezoedeld. Dit werd hem niet in dank afgenomen. Dit is typisch een voorbeeld van eerwraak in familiesfeer. Verweerder lijkt veel belang te hechten aan het verloop van de asielprocedure van zijn echtgenote. Zij heeft in eerste instantie wel degelijk beroep ingesteld tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. In de opvang werd door het COA en VluchtelingenWerk aan verzoeker en zijn echtgenote verteld dat haar aanvraag totaal geen kans had. Omdat verzoeker in die periode de nationale asielprocedure niet in Nederland mocht doorlopen, en omdat de oorzaak van hun problemen in wezen met verzoeker te maken hadden (het waren immers zijn ouders en zijn familieleden die hen hadden bedreigd), heeft zijn echtgenote besloten de beroepsprocedure niet door te zetten. Hierna hebben zij zich wederom op initiatief van het COA en VluchtelingenWerk bij het IOM aangemeld voor vrijwillig vertrek. Ze hebben vanwege hun vrees voor wat de familie hen kan aandoen, besloten af te zien van vrijwillig vertrek.

5.2.

Verzoeker verwijst verder naar informatie van het Landelijk Bureau van VluchtelingenWerk Nederland. Bloedwraak is een eeuwenoude Albanese traditie die door voorschriften van de ‘kanun’ – een oude Albanese vorm van gewoonterecht – nader is geregeld. In het ambtsbericht van 23 juni 2009 staat dat op grond van de ‘kanun’ bloedwraak geldt als genoegdoening voor bepaalde gevallen waarin de eer van een man, zijn familie of clan door een andere man die tot een andere familie of clan behoort, is geschonden. Ook moorden kunnen in het kader van bloedwraak worden gewroken waardoor een vicieuze cirkel kan ontstaan. In een informatieverzoek aan de Immigration and Refugee Board of Canada van oktober 2013 wordt de Kosovaarse praktijk van bloedwraak toegelicht. M. Sadiku beschrijft de gang van zaken rond het huwelijk zoals beschreven in de ‘kanun’. De ouders hebben hierin volgens de bron een belangrijke rol en zijn bepalend bij het selecteren van een huwelijkskandidaat. Boman en Krasniqi schrijven in hun masterthesis over de rol van de ouders bij het vinden van een huwelijkskandidaat. Zij schrijven dat het voor respondenten in hun onderzoek van groot belang was dat de ouders instemmen met het huwelijk. Genc Trnavci schrijft ook over de beslissende rol van de ouders bij het aangaan van een huwelijk.

5.3.

Verzoeker stelt zich op het standpunt dat bescherming tegen bloedwraak en familie-eerproblemen in het algemeen niet mogelijk is en dat het rechtssysteem in Kosovo tekortschiet. Het US Department of State schrijft in het mensenrechtenrapport van 25 juni 2015 dat het recht op een rechtvaardige en publiekelijke rechtsgang over het algemeen werd gerespecteerd. Echter, het rechtssysteem wordt beschouwd als inefficiënt en honderdduizenden zaken moeten nog worden behandeld. Verder stelt het Immigration and Refugee Board of Canada in oktober 2013 dat bronnen stellen dat er geen wetgeving is die het specifieke probleem van bloedwraak aanpakt. Wel kunnen daders op basis van andere wetsartikelen vervolgd worden. Een woordvoerder van de OSCE-missie in Kosovo stelt dat er geen instellingen zijn die zich bezighouden met bloedwraak. Volgens een professor aan de Indiana University-Purdue University Fort Wayne en een Mediation Manager voor Partners Kosovo is er geen speciale bescherming voor mogelijke slachtoffers. De ombudsman stelt dat in de twee gevallen van bloedwraak die bij zijn organisatie tussen 2010-2013 zijn gemeld, de autoriteiten niet adequaat en in overeenstemming met de wet reageerden. Bedreigingen worden niet serieus genomen. De Mediation Manager stelt dat iemand die zich bedreigd voelt naar de politie kan gaan waarop de politie meer patrouilleert, maar dat er geen beschermende opvang is en de politie mensen niet 24 uur per dag kan beschermen. De professor zegt dat de politie over het algemeen een goede reputatie heeft, maar vaak niet betrokken wil raken bij bloedwraakkwesties wegens de eigen veiligheid. De politie kan wel maatregelen nemen als geweld eenmaal heeft plaatsgevonden en de professor kent zaken waarin verdachten van bloedwraakmoord zijn gearresteerd. De Mediation Manager stelt dat bloedwraakzaken worden onderzocht en vervolgd, straffen variëren van 15 tot 25 jaar. De professor stelt dat rechtbanken in Kosovo over het algemeen ineffectief zijn. Deze informatie wordt bevestigd door Freedom House, die stelt dat ‘de achterstand in zaken hoog is’. In een artikel van Agence France Presse van 1 juli 2011 geeft een politieagent uit Kosovo aan dat de politie hulpeloos is in de strijd tegen de kanuntraditie.

5.4.

Met betrekking tot het opleggen van het inreisverbod is verzoeker van mening dat zijn belang is gelegen in het visumvrij naar EU-gebied kunnen reizen, dit mede gezien zijn verleden in Duitsland. Hij heeft in de periode 2000-2009 in Duitsland gewoond. Tijdens zijn verblijf daar heeft hij zich laten opleiden tot danscoach. Na zijn vertrek uit Duitsland naar zijn land van herkomst heeft hij meerdere keren deelgenomen aan danswedstrijden in andere Europese landen. In 2008 is hij in verband met een danswedstrijd naar Nederland gekomen. Hij heeft onder andere ook Griekenland, Bulgarije en Italië aangedaan om daar deel te nemen aan danswedstrijden. Door het opleggen van een inreisverbod wordt het voor verzoeker onmogelijk op dit niveau uiting te geven aan zijn grootste passie. Hij wil kunnen deelnemen aan wedstrijden in andere Europese landen, wat hij in het verleden met zijn dansgroep/dansschool vaak heeft gedaan. Daarin is zijn belang gelegen.

Het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter

6. Ingevolge artikel 3.37f, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (VV 2000) wordt een land als veilig land van herkomst beschouwd als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, onder b, van de Wet, wanneer op basis van de rechtstoestand, de toepassing van de rechtsvoorschriften in een democratisch stelsel en de algemene politieke omstandigheden kan worden aangetoond dat er algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging, noch van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, noch van bedreiging door willekeurig geweld in het kader van een internationaal of intern gewapend conflict. Ingevolge het tweede lid van artikel 3.37f van het VV 2000 wordt bij de beoordeling of een land als veilig land van herkomst wordt beschouwd, onder meer rekening gehouden met de mate waarin bescherming wordt geboden tegen vervolging of mishandeling door middel van:

a. de desbetreffende wetten en andere voorschriften van het betrokken land en de wijze waarop die worden toegepast;

b. de naleving van de rechten en vrijheden die zijn neergelegd in het EVRM en/of het IVBPR en/of het Verdrag van de Verenigde Naties tegen foltering, in het bijzonder de rechten waarop geen afwijkingen uit hoofde van artikel 15, lid 2, van het EVRM zijn toegestaan;

c. de naleving van het beginsel van non-refoulement overeenkomstig het Vluchtelingenverdrag;

d. het beschikbaar zijn van een systeem van daadwerkelijke rechtsmiddelen tegen schending van voornoemde rechten en vrijheden.

6.1.

Op grond van artikel 3.105ba, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) kan bij ministeriële regeling een lijst worden opgesteld van veilige landen van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn. Ingevolge het tweede lid van dit artikel (en overeenkomstig het bepaalde in artikel 37, derde lid, van de Procedurerichtlijn) dient de beoordeling of een land een veilig land van herkomst is te stoelen op een reeks van informatiebronnen, waaronder in het bijzonder informatie uit andere lidstaten, het Europees Ondersteuningsbureau voor asielzaken (EASO), de UNHCR, de Raad van Europa en andere relevante organisaties.

6.2.

Bij brief van 3 november 2015 heeft verweerder de Tweede Kamer bericht dat de westelijke Balkanlanden – te weten Albanië, Bosnië-Herzegovina, Kosovo, Macedonië, Montenegro en Servië – als veilig land van herkomst zullen worden aangemerkt. De motivering die verweerder hiervoor geeft, is:

a. Op Kosovo na hebben alle landen het Vluchtelingenverdrag en het EVRM geratificeerd. De Commissie geeft hierbij aan dat Kosovo hiertoe niet in staat is vanwege zijn omstreden status als onafhankelijke staat. Wel heeft Kosovo in artikel 22 van de Grondwet een achttal verdragen opgenomen die zien op waarborgen ten aanzien van mensenrechten;

b. Inwoners van deze landen zijn vrijgesteld van de visumplicht voor de EU. In het geval van Kosovo geldt een versoepeld regime wat betreft de visumplicht;

c. Albanië Macedonië., Montenegro en Servië zijn formeel kandidaat-lidstaten voor de EU. Bosnië-Herzegovina en Kosovo zijn aangemerkt als potentiële kandidaat-lidstaten voor de EU. De Commissie beoordeelt jaarlijks de voortgang die deze landen maken, onder andere ten aanzien van de mensenrechtensituatie en de bescherming van minderheden;

d. Andere lidstaten, waaronder België, Denemarken, Luxemburg, Oostenrijk en het Verenigd Koninkrijk, alsmede Noorwegen en Zwitserland hebben deze landen ook aangeduid als veilig land van herkomst.

6.3.

In de brief van 3 november 2015 wordt verder nog gezegd dat de rechtbanken de afgelopen jaren ten aanzien van Bosnië, Macedonië, Montenegro en Servië reeds overwogen hebben dat er, op basis van bovenstaande argumenten a tot en met c en het feit dat er geen ambtsberichten zijn waaruit blijkt dat deze landen elementaire mensenrechten schenden, een algemeen rechtsvermoeden bestaat dat er geen rechtsgrond bestaat voor het verlenen van internationale bescherming.

6.4.

Bij Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 10 november 2015, nummer 695431, houdende wijziging van het VV 2000 is als bijlage 13, behorende bij artikel 3.37f, derde lid, van het VV 2000, een nationale lijst van veilige landen van herkomst opgenomen. De grondslag hiervoor is artikel 3.105ba, eerste lid, van het Vb 2000. Op deze lijst staan onder meer genoemde westelijke Balkanlanden, waaronder Kosovo. In de Toelichting laat verweerder weten dat de Europese Commissie op 9 september 2015 een pakket maatregelen met betrekking tot migratie heeft voorgesteld. Eén van deze maatregelen is een ontwerp-Verordening voor een Europese lijst met veilige landen van herkomst waarop onder andere de westelijke Balkanlanden staan. Op basis van alle relevante informatie waarover de Europese Commissie beschikt, met name verslagen van de Europese dienst voor extern optreden (EDEO) en informatie van de lidstaten, het EASO, de Raad van Europa, de UNHCR en andere relevante internationale organisaties, is de Europese Commissie tot de conclusie gekomen dat Albanië, Bosnië en Herzegovina, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Kosovo, Montenegro en Servië veilige landen van herkomst zijn in de zin van Richtlijn 2013/32/EU (Procedurerichtlijn) en moeten worden opgenomen in de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst. In de ontwerp-Verordening is opgenomen dat de lidstaten is toegestaan om naast de Europese lijst een aanvullende nationale lijst te hanteren. Zodra de Europese lijst van veilige landen van herkomst van kracht wordt, zullen de landen die op de Europese lijst staan worden geschrapt van de nationale lijst. Vervolgens worden door verweerder de belangrijkste redenen gegeven om deze landen als veilige landen aan te merken en op een nationale lijst te plaatsten. Dit is een herhaling van de brief van verweerder van 3 november 2015.

6.5.

In de ontwerp-Verordening van de Europese Commissie van 9 september 2015 is over Kosovo het volgende gezegd:

In Kosovo vormt de materiële en procedurele mensenrechten- en anti-discriminatiewetgeving een adequate rechtsgrondslag voor bescherming tegen vervolging en mishandeling. Het feit dat Kosovo geen partij is bij relevante internationale instrumenten op het gebeid van de mensenrechten, zoals het EVRM, vloeit voort uit het ontbreken van een internationale consensus over zijn status als soevereine staat. Er zijn geen aanwijzingen voor eventuele refoulement-incidenten met betrekking tot de eigen burgers. Discriminatie of geweld tegen personen uit kwetsbare groepen, zoals vrouwen, leden van de LHBTI-gemeenschap en personen die deel uitmaken van etnische minderheden, met inbegrip van etnische Serviërs, komt in individuele gevallen nog steeds voor. In 2014 waren de lidstaten van oordeel dat 6,3 % (830) van de asielaanvragen van burgers van Kosovo gegrond was. Ten minste zes lidstaten hebben Kosovo als veilig land van herkomst aangemerkt. De hierboven genoemde omstandigheden moeten door de lidstaten in het bijzonder in aanmerking worden genomen wanneer zij beoordelen of een derde land dat voorkomt op de gemeenschappelijke EU-lijst van veilige landen van herkomst voor een specifieke asielzoeker als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt, of wanneer zij een verzoek beoordelen met gebruikmaking van de in Richtlijn 2013/32/EU bedoelde procedurele voorziening voor verzoekers uit een veilig land van herkomst. Op basis hiervan concludeert de Commissie dat Kosovo een veilig land van herkomst is in de zin van Richtlijn 2013/32/EU.

6.6.

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 19 april 2016 (AWB 15/20475 en AWB 15/20477) Staatsraad Advocaat-Generaal mr. R.J.G.M. Widdershoven gevraagd een conclusie te nemen, als bedoeld in artikel 8:12a van de Awb, over de betekenis van het begrip ‘veilig land’ in asielzaken (ECLI:NL:RVS:2016:2040). Zijn conclusie van 20 juli 2016 is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook van betekenis voor de zaak van verzoeker.

6.7.

Widdershoven concludeert, voor zover hier van belang, dat de basisnorm voor de aanmerking als veilig land van herkomst is dat in een land ‘algemeen gezien en op duurzame wijze geen sprake is van vervolging, van foltering of onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing’ (artikel 3.37f, eerste lid, van het VV 2000). De factoren die onder meer moeten worden meegewogen staan in artikel 3.37f, tweede lid, van het VV 2000. Die bepaling laat ruimte om ook andere factoren mee te wegen. Widdershoven merkt op dat de staatssecretaris (verweerder) ook van die ruimte gebruik heeft gemaakt en bij de aanmerking van de westelijke Balkanlanden als veilig bijvoorbeeld ook laat meewegen dat deze landen kandidaat-lidstaten van de EU zijn en de naleving van mensenrechten daarom jaarlijks door de Europese Commissie wordt beoordeeld, dat de inwoners vrijgesteld zijn van de visumplicht en dat andere lidstaten deze lidstaten ook als veilig aanmerken. Volgens Widdershoven kunnen deze factoren als indirect ‘bewijs’ gewicht in de schaal leggen, maar passen bij de waarde ervan enige kanttekeningen. In de eerste plaats kan uit de status van een land als kandidaat-lidstaat en het enkele feit dat het land jaarlijks wordt beoordeeld door de Europese Commissie op zichzelf niet worden afgeleid dat het land aan de basisnorm voldoet. Uit die rapportage kan ook blijken dat de naleving van de mensenrechten in de praktijk van een land nog veel te wensen overlaat. Is de rapportage op dit punt wel positief en wordt het oordeel ook goed onderbouwd, dan kan zij wel een belangrijke factor zijn. Ook bij de toepassing van het criterium dat andere landen een land als veilig hebben aangemerkt past voorzichtigheid, aldus Widdershoven, omdat dat geen inzicht biedt in de door die landen toegepaste afweging (en of die voldoet aan de criteria) en dan ook het complete beeld moet worden geboden. Daarvoor is bijvoorbeeld ook van belang waarom andere landen een land als niet veilig hebben aangemerkt en hoe de rechters over die aanmerking als veilig land hebben geoordeeld (zie punt 5.9 van de conclusie).

6.8.

Widdershoven concludeert dat verweerder in alle gevallen een eigen verantwoordelijkheid heeft om na zorgvuldig onderzoek op basis van in elk geval de in 3.105ba, tweede lid, van het Vb 2000 voorgeschreven bronnen een kenbaar en deugdelijk gemotiveerd oordeel te geven over de vraag of een land gelet ook op de daadwerkelijke naleving van de mensenrechten aan de basisnorm voldoet. Indirect ‘bewijs’ als genoemd kan daarbij een rol spelen, mits dat zelf aan de zorgvuldigheids- en motiveringseisen voldoet. De bewijslast voor de aanmerking van een land als ‘veilig land van herkomst’ ligt volledig bij verweerder. Naar de mening van Widdershoven kan verweerder naar de concept EU-lijst verwijzen, maar is de betekenis hiervan bijzonder beperkt. Als verweerder naar die lijst verwijst, maakt hij de door de Europese Commissie gemaakte afweging, de daarvoor gegeven motivering en het daartoe verrichte onderzoek tot de zijne. In de visie van Widdershoven blijft verweerder evenwel zelf verantwoordelijk voor de rechtmatigheid van de aanmerking van veilige landen van herkomst op de nationale lijst. Dat de Europese Commissie, na onderzoek en gemotiveerd, een concept-lijst heeft opgesteld, betekent geenszins dat die motivering en dat onderzoek aan de eisen in de Procedurerichtlijn voldoet. In de nationale procedure zal de nationale rechter moeten beoordelen of die motivering en dat onderzoek aan die eisen voldoet. Het feit dat de Europese Commissie een land na onderzoek heeft aangemerkt als veilig, legt daarbij geen bijzonder gewicht in de schaal, aldus Widdershoven (zie punt 5.14 van de conclusie).

6.9.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker primair van mening is dat verweerder Kosovo, gelet op de landeninformatie, ten onrechte op de nationale lijst van veilige landen van herkomst heeft geplaatst. Dat zes landen Kosovo als veilig aanmerken, is naar de mening van verzoeker onvoldoende om Kosovo als veilig land van herkomst aan te merken.

6.10.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het beroepschrift een redelijke kans van slagen. Gelet op de conclusie van Staatsraad Advocaat-Generaal Widdershoven valt niet uit te sluiten dat het onderzoek en de motivering die verweerder ten grondslag heeft gelegd aan de plaatsing van Kosovo op de nationale lijst van veilige landen van herkomst, niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen. Niet is uit te sluiten derhalve dat het bestreden besluit op dat punt in rechte geen stand houdt en dat verweerder de presumptie dat verzoeker afkomstig is uit een veilig land van herkomst – onder de thans gegeven motivering – niet kan handhaven. Voor een oordeel ten gronde hierover is mede van belang hoe de Afdeling uiteindelijk zal oordelen in de zaken waarin zij de Staatsraad Advocaat–Generaal heeft gevraagd een conclusie te nemen. Het onderzoek in de beroepszaak van verzoeker zal derhalve eerst worden hervat zodra de Afdeling in genoemde zaken uitspraak heeft gedaan.

6.11.

Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe en schorst de werking van het bestreden besluit totdat op het beroep is beslist.

6.12.

De voorzieningenrechter ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 496,- (één punt voor het indienen van een – aanvullend – verzoekschrift, met een waarde per punt van € 496,- en wegingsfactor 1). Van andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet gebleken.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toe;

  • -

    schorst de werking van het bestreden besluit totdat op het beroep is beslist;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 496,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.A. Buijs, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van

mr. A.A.M.J. Smulders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken

op 10 augustus 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.