Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9397

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-08-2016
Datum publicatie
10-08-2016
Zaaknummer
C/09/512975 / KG ZA 16/744
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

De Staat moet de levenslang gestrafte Edwin S. deel laten nemen aan resocialisatieactiviteiten

Edwin S. (eiser) is in 1994 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Hij verblijft sinds 1992, nu ruim 23,5 jaar, in detentie. De Staat weigert tot op heden hem deel te laten nemen aan activiteiten die gericht zijn op zijn mogelijke terugkeer in de samenleving. Eiser is daarom een procedure gestart bij de voorzieningenrechter.

Resocialisatie na 25 jaar detentie

Volgens de voorzieningenrechter moet na een periode van uiterlijk 25 jaar worden beoordeeld hoever de resocialisatie van een levenslang gestrafte is gevorderd. Voor die beoordeling is relevante informatie nodig. Deze informatie betreft de persoon van de veroordeelde en de mogelijkheden van resocialisatie die hem zijn geboden. Op basis van deze gegevens moet worden bezien of het voortduren van zijn levenslange gevangenisstraf gerechtvaardigd is. De voorzieningenrechter acht resocialisatieactiviteiten dus onmisbaar om tot de vereiste herbeoordeling te komen. Hij volgt hiermee de lijn van Europese rechtspraak en een recent arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2016:1325). In dat arrest heeft de Hoge Raad concrete voorwaarden uitgewerkt met betrekking tot de resocialisatie van levenslang gestraften.

Opstellen van resocialisatieplan

Omdat eiser al zeer lang is gedetineerd, zal hij ten minste achttien maanden nodig hebben om vorderingen te kunnen maken in zijn resocialisatie. Hij moet daar nu dus al mee kunnen beginnen. Welke activiteiten aan hem moeten worden aangeboden hangt af van de inhoud van het resocialisatieplan. In dat plan wordt door deskundigen aangegeven welke resocialisatieactiviteiten noodzakelijk zijn om hem voor te bereiden op een mogelijke terugkeer in de samenleving. De Staat moet binnen tien dagen beginnen met het opstellen van dit plan.

Verlof

Eiser is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot het verlenen van verlof. Hiervoor dient hij zich te wenden tot de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2016/197

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/512975 / KG ZA 16/744

Vonnis in kort geding van 10 augustus 2016

in de zaak van

[eiser],

thans verblijvende in P.I. [naam] te [plaats],

eiser,

advocaat mr. T.J. Lindhout te Rotterdam,

tegen:

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. M.F.H. Hirsch Ballin te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘eiser’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de bij de mondelinge behandeling door beide partijen overgelegde pleitnotities.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 27 juli 2016. Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Eiser is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 februari 1994 veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens doodslag, tweemaal poging tot doodslag, diefstal door middel van braak en bedreiging. Eiser verblijft in verband met deze veroordeling sinds 1 december 1992 in detentie.

2.2.

Op 31 juli 2012 heeft eiser een gratieverzoek ingediend. De toenmalige staatssecretaris van Justitie heeft het Openbaar Ministerie bij brief van 28 augustus 2012 verzocht daarover advies uit te brengen.

2.3.

In oktober 2014 heeft eiser de directeur van de Penitentiaire Inrichting (PI) verzocht om hem te laten deelnemen aan resocialisatieactiviteiten. De directeur van de PI heeft dat verzoek afgewezen. Eiser heeft tegen die beslissing van de directeur beklag ingesteld. De Commissie van Toezicht heeft het beklag van eiser ongegrond verklaard. Eiser heeft vervolgens beroep aangetekend bij de beroepscommissie van de Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ). De RSJ heeft het beroep bij uitspraak van 12 november 2015 gegrond verklaard en daarbij overwogen:

“Zoals de beroepscommissie eerder heeft overwogen (...) is zij van oordeel dat voorbereiding op de terugkeer in de maatschappij uitgangspunt dient te blijven gelden voor alle gedetineerden. De enkele omstandigheid dat een gedetineerde levenslang is gestraft kan dan ook niet redengevend zijn voor afwijzing van een verzoek om deelname aan resocialisatie-activiteiten, waaronder reclasseringscontact. In het onderhavige geval geldt dit, gelet op het feit dat klager in 2012 een gratieverzoek heeft ingediend, des te meer.”

2.4.

Naar aanleiding van voornoemde uitspraak van de RSJ heeft eiser meermaals verzocht te mogen aanvangen met resocialisatieactiviteiten.

2.5.

Op 2 februari 2016 heeft eiser verzocht aan hem verlof te verlenen ten behoeve van zijn resocialisatie. Het Openbaar Ministerie en de PI hebben negatief geadviseerd op het verzoek om verlof. Bij beslissing van 4 mei 2016 is het verzoek om verlof afgewezen. Tegen deze beslissing heeft eiser beroep ingesteld bij de RSJ. De mondelinge behandeling van dit beroep vindt op 16 augustus 2016 plaats.

2.6.

Bij brief van 2 juni 2016 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de Tweede Kamer bericht over zijn voorgenomen wijzigingen ten aanzien van de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf (hierna: het voorgenomen beleid). In die brief staat onder meer vermeld:

“Ik ben voornemens om voor levenslanggestraften een ambtshalve periodieke toetsing in te voeren en daartoe een adviescollege in te stellen. Met de introductie hiervan wordt voor de levenslanggestrafte duidelijkheid gecreëerd omtrent de invulling van diens detentie en de mogelijkheden van activiteiten gericht op re-integratie. (...)

In de kern stel ik het volgende voor. Vijfentwintig jaar na de aanvang van de detentie zal het moment zijn waarop een eerste periodieke toetsing zal plaatsvinden. (...)

Het adviescollege brengt naar aanleiding van de onderzoeken die in het kader van de periodieke toetsing worden uitgebracht advies uit aan de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie. Het advies betreft de vraag of en zo ja, op welke wijze een levenslanggestrafte in aanmerking komt voor activiteiten gericht op re-integratie, alsook de termijn waarop vervolgtoetsing plaatsvindt. De staatssecretaris neemt op basis van het advies een beslissing. Dit advies heeft dus geen betrekking op een eventuele verkorting van de detentieperiode.

Indien bij de toetsing is vast komen te staan dat de betrokkene in aanmerking komt voor activiteiten gericht op re-integratie en de staatssecretaris dit advies overneemt, wordt door DJI een persoonlijk detentie- en re-integratieplan opgesteld. Hierbij is sprake van maatwerk op basis van de bestaande activiteiten en programma’s, met name gedragsinterventies, die ook aan andere gedetineerden in de penitentiaire inrichtingen worden aangeboden. Het advies van het adviescollege wordt betrokken bij het opstellen van een detentie- en re-integratieplan.

Als het adviescollege adviseert dat een levenslanggestrafte nog niet in aanmerking komt voor het starten van activiteiten gericht op re-integratie, bijvoorbeeld vanwege delictgevaarlijkheid of de impact op nabestaanden en samenleving, geeft het adviescollege in het advies ook aan wanneer een volgende toetsing zou moeten plaatsvinden. In dat geval wordt expliciet in het detentieplan vastgelegd dat er geen activiteiten worden aangeboden die gericht zijn op re-integratie.

Vervolg

In geval de levenslanggestrafte volgens het advies van het adviescollege in aanmerking komt voor activiteiten gericht op re-integratie en de staatssecretaris dit advies heeft overgenomen, dienen na verloop van tijd vervolgtoetsingen plaats te vinden. Daarbij wordt beoordeeld hoe de levenslanggestrafte de activiteiten heeft uitgevoerd en hoe hij daarop heeft gereageerd. Aan de hand daarvan wordt bepaald of de levenslanggestrafte in aanmerking kan komen voor verdergaande activiteiten gericht op re-integratie, waarbij verlof eventueel mogelijk is. De slachtoffers en nabestaanden worden hierbij betrokken. Voor het toekennen van verlof is het advies van het adviescollege zwaarwegend. Voor de vervolgtoetsing wordt per individueel geval en per toetsing door het adviescollege beoordeeld welke onderzoeken er (opnieuw) dienen te worden uitgevoerd.”

2.7.

Op 16 juni 2016 heeft eiser een brief van de directeur van de PI ontvangen waarin aan hem wordt meegedeeld dat hij van de wachtlijst voor de cursus ‘Werk en inkomen’ is geschrapt. In de brief staat voorts vermeld:

“Inmiddels heeft de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie bij brief van 2 juni 2016 de Tweede Kamer geïnformeerd omtrent de wijzigingen in de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf. (...)

Uit de brief kan worden opgemaakt dat gedurende de eerste vijfentwintig jaar van de detentie activiteiten aan een levenslang gestrafte worden aangeboden die in het teken staan van een humane detentie, met het oog op een zinvolle dagbesteding en het verbeteren van het sociaal functioneren. Er worden in deze periode nadrukkelijk geen activiteiten aangeboden die gericht zijn op re-integratie (de vijf leefgebieden: werk en inkomen, onderdak, ID-bewijs, schulden en zorg). Pas na vijfentwintig jaar kunnen levenslang gestraften in aanmerking komen voor activiteiten gericht op re-integratie indien een commissie daartoe adviseert.

De cursus ‘Werk en inkomen’ is gericht op re-integratie. Daarmee komt de aanbieding van deze cursus aan u thans in strijd met de wijzigingen in de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf, omdat u nog niet een periode van vijfentwintig jaar in detentie verblijft. Overigens merk ik op dat ook voor 2 juni 2016 geen activiteiten gericht op re-integratie aan levenslang gestraften werden aangeboden.”

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert, zakelijk weergegeven:

I. de Staat te gebieden eiser binnen tien dagen een aanvang te laten maken met resocialisatieactiviteiten, waaronder in ieder geval moet worden begrepen het opstellen van een resocialisatieplan door het DOK (voorzieningenrechter: een forensisch psychiatrische poli- en dagkliniek) en begeleiding van het DOK bij de ontwikkeling van diverse vaardigheden binnen de PI, waaronder gebruik van een mobiele telefoon en internet, het verrichten van gepaste werkzaamheden, het zelf aanvragen van een uitkering, het volgen van een gepaste opleiding, het openen van een bankrekening en het uitzoeken van geschikt vrijwilligerswerk en maandelijkse beoordeling van de voortgang van de resocialisatie van eiser door middel van een voortgangsreportage, althans de uitvoering van het resocialisatieplan onder begeleiding van het DOK;

II. de Staat te bevelen binnen een termijn van twee maanden het eerste incidenteel verlof te verlenen ten behoeve van het ontwikkelen van de benodigde vaardigheden buiten de PI, waarna ten minste eens per twee weken een dergelijk verlof zal plaatsvinden;

alles op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2.

Daartoe voert eiser – samengevat – het volgende aan. Uit Europese en Nederlandse jurisprudentie volgt dat eiser – als levenslang gestrafte – het recht heeft op herbeoordeling van de voortzetting van zijn detentie zodra hij 25 jaar gedetineerd is geweest. De Staat handelt onrechtmatig jegens eiser door hem nu, in de aanloop naar het genoemde beoordelingsmoment, geen activiteiten gericht op re-integratie aan te bieden. Bij de beoordeling moeten immers de vorderingen in het resocialisatietraject worden meegewogen. Zonder deelname aan resocialisatieactiviteiten voordat de termijn van 25 jaar in detentie is verstreken, wordt herbeoordeling van de voortzetting van de detentie feitelijk ineffectief en illusoir.

Ook de afwijzing van de verlofaanvraag van eiser door de staatssecretaris is onrechtmatig. Het standpunt, zoals vermeld in de motivering van de afwijzing, dat eiser als levenslang gestrafte niet in aanmerking komt voor verlof is in strijd met Europese en nationale jurisprudentie Ook is het negatieve advies van het Openbaar Ministerie, dat tot de afwijzing heeft geleid, in strijd met het vertrouwensbeginsel. De advocaat-generaal heeft in correspondentie met de voormalige advocaat van eiser immers toegezegd dat proefverloven deel zouden uitmaken van een resocialisatietraject van eiser.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De Staat heeft allereerst betoogd dat eiser niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vorderingen. Dit betoog wordt niet gevolgd voor zover het de vordering betreft strekkende tot deelname aan resocialisatieactiviteiten (als genoemd onder I). Daartoe is het volgende redengevend.

4.2.

Besluiten over deelname aan resocialisatieactiviteiten zijn voorbehouden aan de directeur van de PI. Tegen dergelijke besluiten staat beroep open bij de RSJ, terwijl de beroepsprocedure bij de RSJ ingevolge vaste jurisprudentie moet worden aangemerkt als een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang. Echter, de competentie van de RSJ is beperkt tot concrete beslissingen van een directeur van de PI. De kernvraag in het kader van de onder I genoemde vordering is of de algemeen voor levenslang gestraften geldende regels voldoen aan de in de jurisprudentie geformuleerde voorwaarden. Aan de orde is dus niet een klacht van eiser tegen een concrete beslissing van de directeur van de PI over de toepassing van de regels aan de hand van zijn specifieke persoonlijke omstandigheden, maar een klacht over een algemene regeling die het belang van de individuele gedetineerde (eiser) overstijgt. Nu de mogelijkheden van beklag of beroep niet beschikbaar zijn voor klachten over algemene regelingen, is eiser voor wat betreft zijn vordering als genoemd onder I ontvankelijk in dit kort geding. Eiser heeft zijn spoedeisend belang bij het gevorderde voldoende onderbouwd met de stelling dat hij vóór het beoordelingsmoment over de voortgang van zijn detentie, dat binnen afzienbare tijd moet plaatsvinden, in de gelegenheid moet zijn gesteld vorderingen te maken in een resocialisatietraject. Over deze vordering zal dan ook een inhoudelijk oordeel worden gegeven.

4.3.

Het voorgaande geldt niet voor de vordering als genoemd onder II. Bij deze vordering staat een concrete beslissing centraal waarin een gevraagd verlof is geweigerd. Eiser heeft tegen die beslissing beroep aangetekend bij de RSJ. Op grond van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen sluit deze met voldoende waarborgen omklede rechtsgang de weg naar de burgerlijke rechter in beginsel af. Dat kan slechts anders liggen indien in een dergelijke (bijzondere) procedure geen voorlopige voorziening kan worden verkregen in een spoedeisende situatie. De stelling van eiser dat deze situatie zich voordoet, kan niet worden gevolgd. De mondelinge behandeling van het beroep op de afwijzende beslissing op de verlofaanvraag van eiser staat immers reeds gepland op 16 augustus aanstaande. Nog daargelaten of eiser die behandeling en een daarop volgende beslissing kan afwachten, heeft de Staat onweersproken aangevoerd dat ook de RSJ een spoedvoorziening kan geven. Gesteld noch gebleken is dat eiser zich (tevergeefs) met een verzoek daartoe tot de RSJ heeft gewend. Eiser zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering strekkende tot het verlenen van verlof.

4.4.

Ten aanzien van de vordering die betrekking heeft op het deelnemen aan resocialisatieactiviteiten, overweegt het voorzieningenrechter het volgende. De Staat heeft in zijn betoog een onderscheid gemaakt tussen enerzijds activiteiten gericht op resocialisatie en anderzijds activiteiten gericht op re-integratie. Onder de eerste categorie vallen algemene faciliteiten die aan alle gedetineerden worden aangeboden, zoals de mogelijkheid om aan sport deel te nemen en bezoek te ontvangen. De tweede categorie ziet op activiteiten ten behoeve van de praktische voorbereiding van een gedetineerde op een terugkeer in de samenleving, zoals praktische vaardigheidstrainingen en verlof, aldus de Staat. Gelet op de concrete invulling van de vordering van eiser is zonder meer duidelijk dat hij wenst deel te nemen aan activiteiten die door de Staat worden aangeduid als re-integratieactiviteiten. Vaststaat dat hem die mogelijkheid op dit moment niet wordt geboden. Dat volgt al uit het feit dat geen resocialisatieplan voor eiser is opgesteld, normaliter de eerste concrete stap bij de voorbereiding tot een mogelijke terugkeer in de samenleving. Het verweer van de Staat dat eiser al deelneemt aan resocialisatieactiviteiten, zoals die worden geboden aan iedere gedetineerden in het reguliere detentieregime, doet dan ook niet ter zake. Waar in het vervolg wordt gesproken van resocialisatieactiviteiten wordt gedoeld op begeleiding die nodig is voor een eventuele terugkeer in de samenleving.

4.5.

Voor zover eiser stelt dat zijn vordering op grond van de beslissing van de RSJ van 12 november 2005 reeds moet worden toegewezen, kan die stelling niet worden gevolgd. Uit die beslissing kan weliswaar worden afgeleid dat eiser recht heeft op deelname aan resocialisatieactiviteiten, maar niet vanaf welk moment. Partijen twisten in dit geschil over de vraag of eiser op dit moment recht heeft op deelname aan resocialisatieactiviteiten. De Staat stelt zich op het standpunt dat dat niet het geval is, en verwijst daarvoor – net als de directeur van de PI in zijn brief van 16 juni 2016 – naar het voorgenomen beleid van de staatssecretaris. Getoetst dient te worden of dat standpunt in overeenstemming is met Europese en nationale jurisprudentie.

4.6.

Artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) behelst onder meer een verbod om iemand te onderwerpen aan onmenselijke bestraffingen. De vraag onder welke voorwaarden de oplegging van een levenslange gevangenisstraf en de tenuitvoerlegging van een dergelijke straf zich verdragen met de uit artikel 3 EVRM voortvloeiende eisen, is in de afgelopen jaren in diverse uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) aan de orde gekomen. Naar aanleiding van die uitspraken is het voorgenomen beleid, zoals geciteerd onder 2.6., opgesteld. De Staat heeft ter zitting aangevoerd dat in deze procedure niet moet worden vooruitgelopen op het proces van politieke besluitvorming over dit voorgenomen beleid. Aangezien het inhoudelijke verweer van de Staat in deze zaak identiek is aan de inhoud van het voorgenomen beleid, is toetsing van dat beleid evenwel onvermijdelijk voor de beoordeling van het thans voorliggende geschil.

4.7.

Het voorgenomen beleid behelst een toetsing bij elke gedetineerde na 25 jaar detentie. Een nieuw te vormen adviescollege dient advies uit te brengen aan de staatssecretaris over de vraag of de betreffende levenslang gestrafte in aanmerking komt voor activiteiten die op re-integratie in de maatschappij zijn gericht. De staatssecretaris neemt een beslissing op grond van het advies.

4.8.

De Staat heeft betoogd dat in de rechtspraak van het EHRM wordt overwogen dat na een periode van 25 jaar na oplegging van de levenslange gevangenisstraf een herbeoordeling moet plaatsvinden, terwijl een eerste toetsing op grond van het voorgenomen beleid (in de meeste gevallen) al eerder plaatsvindt, namelijk na 25 jaar detentie. Volgens de Staat wordt er met de uitvoering van het voorgenomen beleid dan ook voorzien in een toetsing op een eerder moment dan het door het EHRM genoemde moment. Wat daar ook van zij, vaststaat dat de Staat met het invoeren van een toetsing na 25 jaar detentie invulling wil geven aan de herbeoordeling zoals door het EHRM voorgeschreven. Waar het dus om gaat is of de toets voldoet aan de voorwaarden die daaraan in de jurisprudentie worden gesteld. Daarover wordt het volgende overwogen.

4.9.

Bij arrest van 5 juli 2016 heeft de Hoge Raad aan de hand van uitspraken van het EHRM concrete voorwaarden geformuleerd voor de wijze van tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf in Nederland (HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1325). Uit dit arrest moet worden afgeleid dat na verloop van tijd herbeoordeling van de straf dient plaats te vinden, met andere woorden: of verkorting van de straf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling van de gedetineerde moet volgen. De Hoge Raad overweegt voorts “Bij de herbeoordeling moet de vraag aan de orde komen of zich zodanige veranderingen aan de zijde van de veroordeelde hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar resocialisatie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet langer is gerechtvaardigd. (...) Bij de herbeoordeling moet dan ook informatie worden betrokken betreffende de ontwikkelingen met betrekking tot de persoon van de veroordeelde alsmede de geboden mogelijkheden van resocialisatie. (...) Tot slot is met het oog op het bieden van een reële mogelijkheid tot herbeoordeling van belang dat de veroordeelde zich tijdens de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf – ook voordat de vorengenoemde herbeoordeling plaatsvindt – moet kunnen voorbereiden op een eventuele terugkeer in de samenleving en dat in verband daarmee binnen het kader van de tenuitvoerlegging mogelijkheden tot resocialisatie moeten worden geboden.”

4.10.

De Staat betoogt dat eiser in ieder geval tot het moment van beoordeling niet in aanmerking komt voor activiteiten gericht op re-integratie. Met het oog op voornoemd arrest kan dat betoog niet slagen. De door de Staat beoogde toets betreft slechts de vraag of de gedetineerde een begin mag maken met resocialisatieactiviteiten (“re-integratieactiviteiten”) en niet de vraag naar het al dan niet voortzetten van de straf. Volgens de Hoge Raad moet evenwel getoetst worden of de straf eventueel beëindigd moet worden in het licht van een beoordeling van de ontwikkelingen die de gedetineerde heeft doorgemaakt in zijn of haar resocialisatie. De beoordeling van de voortzetting van de straf is niet goed denkbaar zonder dat een gedetineerde vóór dat beoordelingsmoment in de gelegenheid is gesteld om deel te nemen aan resocialisatieactiviteiten en daarbij voldoende tijd krijgt om vorderingen te maken. Dit wordt bevestigd door de Hoge Raad in zijn arrest, waar wordt geoordeeld dat een levenslang gestrafte zich tijdens de tenuitvoerlegging van de straf en ook voordat de herbeoordeling plaatsvindt moet kunnen voorbereiden op een eventuele terugkeer in de samenleving. In verband daarmee moeten aan de veroordeelde mogelijkheden tot resocialisatie worden geboden, aldus de Hoge Raad. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het standpunt van de Staat, gebaseerd op het voorgenomen beleid, op voornoemde punten strijdig is met de voorwaarden die de Hoge Raad noemt.

4.11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat eiser in de gelegenheid moet worden gesteld om (i) deel te nemen aan resocialisatieactiviteiten en (ii) daarbij vorderingen te maken alvorens hij 25 jaar in detentie verblijft. Eiser heeft onweersproken gesteld dat in zijn geval – gelet op zijn zeer lange detentie – resocialisatie op basis van een langzaam gefaseerd plan nodig is. De Staat heeft voorts niet betwist dat ten aanzien van eiser de concrete verwachting bestaat dat hij ten minste achttien maanden nodig zal hebben om vorderingen te kunnen maken in zijn resocialisatie. Nu eiser thans ruim 23,5 jaar in detentie verblijft en de beoordeling van de voortzetting van zijn detentie dan ook over minder dan achttien maanden zal moeten plaatsvinden, zal zijn vordering worden toegewezen voor zover die strekt tot het opstellen van een resocialisatieplan en het op grond daarvan deelnemen aan resocialisatieactiviteiten. Nu de Staat geen separaat verweer heeft gevoerd tegen het deel van de vordering tot het maandelijks beoordelen van de voortgang van de resocialisatie van eiser, komt ook dat deel voor toewijzing in aanmerking. Voor oplegging van een dwangsom bestaat geen grond, aangezien de Staat gerechtelijke uitspraken pleegt na te komen.

4.12.

Voor zover de vordering van eiser ziet op het binnen tien dagen aanvangen van specifieke resocialisatieactiviteiten zal de vordering worden afgewezen. De aard van de resocialisatieactiviteiten is immers afhankelijk van de inhoud van het nog op te stellen resocialisatieplan, terwijl eiser zelf heeft betoogd dat voor het opstellen van een dergelijk plan een periode van drie tot vier maanden nodig is. De Staat heeft voorts terecht betoogd dat thans, op voorhand, geen verplichting bestaat tot het aanbieden van specifieke resocialisatieactiviteiten en dat aan hem bij de vaststelling daarvan een grote beoordelingsvrijheid toekomt. Welke vaardigheden van eiser nadere ontwikkeling behoeven, dient te worden beoordeeld door de opsteller van het resocialisatieplan en het stapsgewijs verdere vervolg daarvan is eveneens afhankelijk van de door eiser te maken vorderingen. De vordering zal dan ook worden afgewezen voor zover die strekt tot het bepalen van de concrete inhoud van het resocialisatieplan.

4.13.

De Staat zal, als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

gebiedt de Staat binnen een termijn van tien dagen na heden een aanvang te (doen) maken met het opstellen van een resocialisatieplan door een daartoe geëigende instantie en eiser vervolgens deel te laten nemen aan de daarin genoemde resocialisatieactiviteiten, waarbij de voortgang van de resocialisatie van eiser maandelijks beoordeeld dient te worden door middel van een voortgangsreportage;

5.2.

veroordeelt de Staat in de proceskosten, tot op dit vonnis in totaal begroot op € 989,08, waarvan:

a. € 895,-- te voldoen aan eiser (€ 816,-- aan salaris advocaat en € 79,-- aan griffierecht);

b. € 94,08, inclusief BTW, wegens explootkosten, aan de griffier van de rechtbank na ontvangst van een nota;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

verklaart eiser niet-ontvankelijk in zijn vordering strekkende tot het verlenen van verlof;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2016.

hvd