Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9357

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-08-2016
Datum publicatie
11-08-2016
Zaaknummer
16 / 5111
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- aanvraag verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk

- beroep op artikel 15

- eerste lid Gezinsherenigingsrichtlijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/5111
V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 11 augustus 2016 in de zaak tussen

[naam], eiseres,

gemachtigde: mr. V. Sarkisian,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 9 maart 2016 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 7 juli 2016. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Thaise nationaliteit. Bij besluit van 27 oktober 2015 heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam partner 2]’ ingetrokken met terugwerkende kracht tot 3 juli 2015. Op 6 juli 2015 heeft eiseres een aanvraag tot het wijzigen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam partner 2]’, in een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘humanitair niet- tijdelijk’, ingediend. Bij voornoemd besluit van 27 oktober 2015 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen.

2. Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van eiseres daartegen ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerder overwogen dat eiseres heeft aangegeven dat de relatie met [naam partner 2] verbroken is en zij zelfstandig is gaan wonen. Dientengevolge voldoet zij niet meer aan de voorwaarden voor deze verblijfsvergunning. Daarnaast heeft eiseres niet vijf jaar aaneengesloten in Nederland verbleven als houder van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘verblijf als familie of gezinslid van een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht’. Er is een zogenoemd verblijfsgat van 1 juli 2013 tot 14 aug 2013 vastgesteld. Eiseres voldoet derhalve evenmin aan de voorwaarden van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Voorts is niet gebleken dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden.

3. Eiseres heeft in beroep gesteld dat uit artikel 15, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn (2003/86/EG) (hierna: de Richtlijn) volgt dat een zelfstandige verblijfstitel verkregen kan worden na een verblijfsduur van vijf jaar. Eiseres wijst erop dat niet gesproken wordt over vijf aaneengesloten jaren. Verder is zij van mening dat er sprake is van bijzondere individuele omstandigheden: zij verblijft al zeven jaar in Nederland, is geworteld in de Nederlandse samenleving en beschikt over een stabiel inkomen. Haar banden met Thailand zijn verwaterd. Daarbij komt dat haar laatste relatie is verbroken vanwege huiselijk geweld. Eiseres heeft hiervan geen aangifte durven doen. Er is sprake van klemmende, humanitaire omstandigheden. Verweerder dient dan ook gebruik te maken van zijn inherente afwijkingsbevoegdheid. Door hier geen gebruik van te maken is verweerders beslissing gelet op de gevolgen voor eiseres disproportioneel. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte afgezien van het horen van eiseres in bezwaar.

4. Verweerder heeft in het verweerschrift zijn standpunt gehandhaafd.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Tussen partijen is niet in geschil dat de vergunning onder de beperking ‘verblijf bij partner [naam partner 2]’ terecht is ingetrokken.

6. Ter beantwoording ligt de vraag voor of eiseres ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Richtlijn, aanspraak kan maken op een autonome verblijfsvergunning nu zij ten tijde van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘humanitair niet-tijdelijk’ meer dan vijf jaar, te weten van 30 januari 2009 tot 1 juli 2013 en van 14 augustus 2013 tot 3 juli 2015 rechtmatig verblijf in Nederland bij twee verschillende partners heeft gehad.

7. De rechtbank overweegt dat ingevolge artikel 3, derde lid van de Richtlijn de Richtlijn niet van toepassing is op gezinsleden van een burger van de Unie. De aanspraak die eiseres maakt op een autonome verblijfsvergunning is gebaseerd op het rechtmatig verblijf dat zij op heeft gebouwd als gezinslid van twee, verschillende partners beiden met de Nederlandse nationaliteit. Het beroep van eiseres op artikel 15, eerste lid, van de Richtlijn, treft dan ook geen doel. De vraag of aanspraak bestaat op een zelfstandige verblijfsvergunning, dient te worden beantwoord op basis van het nationale recht.

8. Het beroep op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 maart 2010 inzake Chakroun (C-578/08), faalt eveneens nu dit ziet op het inkomensvereiste in het kader van gezinshereniging, hetgeen niet ter beoordeling voorligt.

9. Ingevolge artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van het Vb, kan de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 14 van de Vw, onder een beperking, verband houdend met humanitaire niet-tijdelijke gronden worden verleend aan de vreemdeling, die vijf jaar in Nederland verblijft als houder van een verblijfsvergunning onder de beperking verblijf als familie- of gezinslid van een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht.

10. Volgens paragraaf B9/8.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 verleent verweerder een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘humanitaire niet-tijdelijk gronden’ op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van de Vb als de vreemdeling een huwelijk, geregistreerd partnerschap of duurzame en exclusieve relatie is aangegaan met een referent die zelf verblijfsrecht van niet-tijdelijke aard heeft; en de (huwelijks)relatie bestaat vijf jaren (of heeft vijf jaren bestaan) en de vreemdeling heeft ten minste vijf jaren op grond van die (huwelijks)relatie een verblijfsvergunning gehad.

11. Het door eiseres opgebouwde verblijfsrecht is gebaseerd op een relatie met twee verschillende partners. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres rechtmatig verblijf heeft gehad van 30 januari 2009 tot 1 juli 2013 op grond van een verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf bij partner de heer [naam partner 1]’ en vervolgens rechtmatig verblijf heeft gehad van 14 augustus 2013 tot 3 juli 2015 op grond van een verblijfsvergunning met als doel ‘verblijf bij partner de heer [naam partner 2]’. Eiseres heeft derhalve niet tenminste vijf jaar verblijfsrecht gehad op grond van haar relatie met de heer [naam partner 1]. Eiseres heeft evenmin gedurende ten minste vijf jaar verblijfsrecht gehad op grond van de relatie met de heer [naam partner 2]. Eiseres heeft dientengevolge niet vijf jaar aaneengesloten verblijf gehad in Nederland als houder van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid van een persoon met een niet-tijdelijk verblijfsrecht. Eiseres voldoet dientengevolge niet aan de voorwaarden van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, sub 1, van de Vb. Verweerder heeft daaraan toetsend, de aanvraag terecht afgewezen.

12. Ingevolge artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, van het Vb kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking, verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden worden verleend aan de vreemdeling die wegens bijzondere individuele omstandigheden naar het oordeel van Onze Minister blijvend op verblijf in Nederland is aangewezen.

13. De door eiseres daartoe aangevoerde omstandigheden, te weten dat zij al zeven jaar in Nederland verblijft, geworteld is in de Nederlandse samenleving en over een stabiel inkomen beschikt, alsook dat haar banden met Thailand verwaterd zijn, zijn naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig bijzonder dat deze moet leiden tot verblijfsaanvaarding. Daarnaast is eiseres er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat de relatie met haar partner [naam partner 2] vanwege huiselijk geweld verbroken is, nu zij dit op geen enkele wijze onderbouwd heeft. Ook deze omstandigheid heeft verweerder niet hoeven aanmerken als een bijzondere, individuele omstandigheid.

14. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden als bedoeld in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder k, van het Vb, die tot verlening van een verblijfsvergunning zouden moeten leiden.

15. Ook heeft verweerder terecht geen aanleiding gezien om artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) toe te passen. Daartoe wordt overwogen dat op grond van artikel 4:84 van de Awb slechts in bijzondere omstandigheden die niet in het beleid zijn verdisconteerd afgeweken kan worden van het beleid. Daarvan is in het onderhavige geval niet gebleken.

16. De beroepsgrond dat verweerder ten onrechte van het horen heeft afgezien kan evenmin slagen. Van het horen in de bezwaarschriftenprocedure mag een bestuursorgaan slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb afzien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit, de daartegen aangevoerde gronden van bezwaar en hetgeen hiervoor is overwogen, is aan deze maatstaf voldaan.

17. Het beroep is ongegrond.

18. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.J.P. van Os van den Abeelen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.