Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9290

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-08-2016
Datum publicatie
08-08-2016
Zaaknummer
VK-16/14644 en VK-16/14720 en VK-16/14706
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Afghanistan

- relaas ongeloofwaardig

- onderwijs

- positie vrouwen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/14644, AWB 16/14720 en AWB 16/14706

V-nummers [nummer 1], [nummer 2] en [nummer 3]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 4 augustus 2016 in de zaak tussen

[naam eiseres], eiseres,
mede namens haar minderjarige kinderen

[naam kind 1], geboren [geboortedatum 1],

[naam kind 2], geboren [geboortedatum 2],

[naam kind 3], geboren [geboortedatum 3],
[naam eiser 1], eiser 1,
[naam eiser 2], eiser 2,
gezamenlijk te noemen: eisers,
gemachtigde: mr. M. Grigorjan,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. T. Boekholt.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de drie afzonderlijke besluiten van verweerder van
28 juni 2016, genomen in de zogeheten algemene asielprocedure (AA-procedure), waarbij de asielaanvragen van eisers zijn afgewezen (de bestreden besluiten).

De behandeling van de beroepen ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juli 2016. Eiseres en eiser 1 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Eiser 2 heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig S. Paykhar, tolk Dari. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres en eiser 1, een echtpaar, zijn geboren op [geboortedatum 4] respectievelijk [geboortedatum 5] en bezitten de Afghaanse nationaliteit. Eiser 2 is hun zoon. Op 8 november 2015 hebben eisers een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiseres heeft in Afghanistan op verzoek van de Verenigde Naties (VN) enkele maanden les gegeven aan vrouwen uit haar straat. Zij heeft vervolgens twee dreigbrieven ontvangen, waarin haar gesommeerd werd met dit vrijwilligerswerk te stoppen, want anders zou eiseres en haar gezin iets aangedaan worden. Eiseres is met haar gezin een week na ontvangst van de tweede dreigbrief gevlucht.

2.
Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvragen afgewezen op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft daarbij de identiteit, nationaliteit, herkomst (Kabul) en afkomst van eisers geloofwaardig geacht. Het relaas van eiseres dat zij vanwege het door haar verrichte vrijwilligerswerk voor de VN bedreigd werd en moest vluchten, acht verweerder ongeloofwaardig. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de verklaringen van eiseres over het vrijwilligerswerk vaag, ongerijmd en ongeloofwaardig zijn. Bovendien heeft ze geen documenten overgelegd, die haar relaas onderbouwen.

3. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat zij geen officieel VN-document, dat bevestigt dat zij vrijwilligerswerk voor de VN heeft uitgevoerd, ontvangen heeft. Zij wijst erop dat zij een proefperiode van zes maanden had en pas daarna een officiële aanstelling, salaris en voedselbonnen zou krijgen. Dit was ondanks het risico van het geven van onderwijs ook mede een belangrijke reden voor eiseres om les te gaan geven aan de vrouwen in haar straat. Daarnaast drongen de vrouwen er zelf op aan dat eiseres hen zou gaan les geven. Eiseres heeft enkel voor het begin van haar vrijwilligerswerkzaamheden een kladpapiertje ontvangen, waarop de lestijd en locatie stond aangegeven. Het had geen nut dit te bewaren, aldus eiseres. Eiseres heeft verder consistent verklaard over de eerste dreigbrief. Die heeft zij bij de politie afgegeven. Eiseres is van mening dat verweerder onvoldoende rekening houdt met het FMMU-advies, waaruit blijkt dat eiseres psychische problemen heeft, die haar vermogen over specifieke gebeurtenissen en data te verklaren, beïnvloeden. Zij is na ontvangst van die brief toch naar haar werk gegaan om geen onrust onder de vrouwen, aan wie zij les gaf, te veroorzaken. Dat zij de tweede dreigbrief verscheurd heeft had te maken met de ernst en aard van de bedreigingen. Eiseres heeft na de ontvangst van de tweede brief noch de politie, noch de VN geïnformeerd, omdat zij ervan uit ging dat deze instanties niet in staat waren eiseres en haar gezin te beschermen. Ten slotte is eiseres van mening dat zij bij terugkeer het risico van een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) riskeert.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Ingevolge artikel 31 van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 afgewezen als ongegrond in de zin van artikel 32, eerste lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

5. Tussen partijen is allereerst in geschil de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres over het voor de VN verrichte vrijwilligerswerk en daarmee ook de geloofwaardigheid van de gestelde bedreigingen.

6. In het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van september 2014 over Afghanistan (paragraaf 2.4.4) staat het volgende vermeld met betrekking tot onderwijs voor vrouwen:

“In rurale gebieden verlaat het overgrote deel van de meisjes school vroegtijdig in de leeftijd tussen 12 en 14 jaar, vaak vanwege druk vanuit de familie en onveiligheid.

Slechts één op de tien universiteitsstudenten is een vrouw. Er blijft sprake van een

hoge mate van analfabetisme onder vrouwen. Verder is er een negatieve houding in

de maatschappij tegenover onderwijs voor meisjes (onderstreping door de rechtbank) en is er een gebrek aan goedopgeleide leraressen. Er zijn aanvallen op meisjesscholen evenals schriftelijke dreigementen van AGE’s waarin meisjes worden gewaarschuwd niet meer naar

school te gaan.”

Voorts staat daarin vermeld (paragraaf 2.4.9):

“Afghanen die werkzaam zijn bij een internationale organisatie of met buitenlandse troepen worden geïdentificeerd, lopen het risico te worden ontvoerd, bedreigd of vermoord door de Taliban, andere opstandelingen of criminele organisaties. Het gaat met name om Afghaanse tolken en onderhoudspersoneel die voor ISAF troepen werken, maar ook om Afghanen die voor buitenlandse ngo’s of voor de Verenigde Naties werken”.

7. De rechtbank leidt hieruit af dat het geven van les aan vrouwen op verzoek van de VN niet zonder risico zou zijn voor eiseres. Eiseres heeft echter desgevraagd (rapport van nader gehoor, pagina 10) verklaard, in antwoord op de vraag of zij de risico’s heeft afgewogen van de werkzaamheden, voordat zij daarmee begon: “Nee, daar heb ik niet over nagedacht.” Verder verklaart eiseres zelf dat de situatie in Afghanistan heel erg slecht is, waardoor veel vrouwen analfabeet zijn en de vrouwen niet zonder toestemming van hun echtgenoten de lessen van eiseres zouden kunnen volgen (pagina 9). Eiseres verklaart voorts dat één van haar cursisten door haar man mishandeld was omdat hij moeite had met het feit dat ze les bij eiseres volgde (pagina 9). Dit staat in contrast met het in de zienswijze naar voren gebrachte standpunt dat het lesgeven door eiseres een weloverwogen keuze was, dat zij zich veilig voelde omdat de vrouwen uit haar straat erop aan drongen dat eiseres aan hen les zou geven en dat dit zonder de toestemming van hun mannen niet mogelijk zou zijn. Bovendien zouden de lessen dichtbij huis in de moskee plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de verklaringen van eiseres op dit punt terecht ongerijmd geacht.

8. Eiseres heeft verder verklaard dat zij na een proefperiode van zes maanden en bij goede resultaten, salaris, een pasje en voedselbonnen van de VN zou gaan ontvangen. De rechtbank acht in dit verband van belang dat het vrijwilligerswerk van eiseres een veelomvattende taak betrof: zij zou op verzoek van de VN zes maanden lang onbezoldigd zes dagen per week ’s ochtends van 9:00 tot 11:30 uur les geven. Dat eiseres van deze werkzaamheden, die gedurende een langere periode een intensieve tijdsinvestering zouden vergen, geen bevestiging van de zijde van de VN of anderszins schriftelijke onderbouwing over kan leggen, heeft verweerder terecht niet geloofwaardig geacht.

9. Verder heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres tegenstrijdig verklaard heeft over de eerste dreigbrief. Zo heeft ze in antwoord op de vraag wat de reden is dat eiseres de eerste dreigbrief niet heeft meegenomen, geantwoord dat zij daar niet aan gedacht heeft (pagina 10 rapport nader gehoor). Anderzijds verklaart eiseres (rapport nader gehoor pagina’s 5, 13, 14 en correcties en aanvullingen) dat zij samen met haar man de brief bij de politie heeft afgegeven. Ze hebben geen bevestiging van hun klacht van de politie ontvangen, noch een ontvangstbewijs van de dreigbrief. Evenmin is de brief aan eiseres teruggegeven.

10. Ten slotte heeft verweerder de handelwijze van eiseres na ontvangst van de dreigbrieven bevreemdend mogen achten. Zo heeft eiseres na ontvangst van de eerste dreigbrief niet onmiddellijk haar gezin ingelicht, hoewel hierin werd aangekondigd dat zij tot weduwe gemaakt zou worden en dat haar kinderen iets aangedaan zou worden als zij niet zou stoppen met lesgeven. Desgevraagd heeft eiseres verklaard dat zij de brief gelezen heeft, binnen heeft neergelegd en vervolgens naar de vrouwen is gegaan om les te geven (rapport nader gehoor pagina 5). Pas nadat zij terugkwam van haar werk heeft zij de dreigbrief aan haar man getoond en besloten zij naar de politie te gaan. De tweede dreigbrief, die eiseres acht à negen dagen later ontving, heeft zij uit angst verscheurd vanwege de ernst van de dreigementen. Desondanks is eiseres niet opnieuw naar de politie gegaan om hiervan melding te maken, heeft zij evenmin navraag gedaan naar de voortgang van het onderzoek door de politie, noch heeft zij de VN geïnformeerd over de hachelijke situatie waarin zij was beland naar aanleiding van het vrijwilligerswerk. Dat eiseres ook dit aspect van haar relaas op geen enkele wijze schriftelijk heeft kunnen onderbouwen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank evenmin geloofwaardig hoeven achten.

11. De rechtbank concludeert dat verweerder terecht het asielrelaas van eiseres, alsmede het daarmee samenhangende asielrelaas van de overige eisers, ongeloofwaardig heeft geacht.

12. Tot slot staat, gelet op de beroepsgronden, ter beoordeling of sprake is van overige feiten of omstandigheden die moeten leiden tot asielrechtelijke bescherming. Eisers behoren niet tot een groep die onderworpen wordt aan groepsvervolging of die systematisch een reëel risico loopt op ernstige schade. De stelling dat eisers bij terugkeer blootstaan aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM, treft dan ook geen doel.

13. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers niet in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef, en onder a of b, van de Vw.

14. De beroepen zijn ongegrond.

15. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 augustus 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.