Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:921

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-02-2016
Datum publicatie
05-02-2016
Zaaknummer
4107388 RL EXPL 15-13183
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheid werkgever ex artikel 7:658 BW, verjaring, klachtplicht

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 89
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2016/345
JA 2016/72
JAR 2016/62
AR-Updates.nl 2016-0121
PS-Updates.nl 2016-0271
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team kanton Den Haag

AJJ

zaaknummer: 4107388 \ RL EXPL 15-13183

3 februari 2016

Vonnis in de zaak van:

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,
eiseres,

gemachtigde: mr. M.H.M. Verbeemen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Bakkersland Wateringen B.V.,

gevestigd te Wateringen,

gedaagde,

gemachtigde: mr. P. Oskam.

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en Bakkersland.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

Het verloop van de procedure volgt uit de volgende processtukken, waarvan de kantonrechter heeft kennis genomen:

  • -

    het exploot van dagvaarding van 23 april 2015, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek;

2 De vaststaande feiten

De kantonrechter gaat uit van de volgende feiten.

2.1.

[eiseres] , geboren op [jaar] 1966, was in de periode van 17 maart 1986 tot 11 september 2010 als [functie] in dienst van Bakkersland. Tot 2 november 2006 heeft [eiseres] geen gehoorbescherming gedragen.

2.2.

In januari 2000 wendde [eiseres] zich tot zijn huisarts met klachten in verband met oorsuizen. In een verslag van 31 januari 2000 vermeldt de huisarts:

‘veel hoofdpijn, slaapt slecht door ploegendienst; oorsuizen; werkt in lawaaiige omgeving…. Spierspanningshoofdpijn. P/oorbeschermers; contact met bedrijfsarts over een en ander’

Een verslag van 9 maart 2000 van de huisarts vermeldt:

‘komt weer voor hoofdpijn; nog niet definitief uit ploegendienst; ’s nachts werken levert ook thuis problemen (met slapen)’

en een verslag van 26 september 2000:

‘lichte duizeligheid en hoofdpijn (…)’

2.3.

Medio 2005 uitte [eiseres] tegenover zijn huisarts opnieuw klachten van hoofdpijn, oorsuizen en duizeligheid. In september 2005 consulteerde hij KNO-arts dr. Wiggers. Deze arts meldt in een verslag d.d. 27 september 2005:

‘Patiënt klaagt ruim 5 jaar over oorsuizen in het hoofd en bij snelle bewegingen zou hij duizelig worden. Slechthorendheid komt in de familie voor, patiënt werkt in de bakkerij. (…) De audiometrie laat een hoge tonen perceptief gehoorsverlies zien dat kan duiden op familiaire belasting dan wel werken in lawaai.’

2.4.

In 2006 bezocht [eiseres] diverse malen de huisarts in verband met depressieve klachten, stress, oorsuizen en duizeligheid. Vanaf 2007 kwam [eiseres] onder behandeling van maatschappelijk werk en psychologen van PsyQ en Indigo.

2.5.

In 2007 bezocht [eiseres] KNO-arts dr. Vinke (Erasmus MC te Rotterdam). Uit een audiogram, afgenomen op 19 maart 2007, blijkt dat bij [eiseres] sprake is van:

‘Gehoorverlies rechts (….): 35 Hz, links: 60 Hz; beiderzijds typische lawaaidip’

Medio 2007 meldt dr. Vinke (aan de huisarts) het volgende:

‘Poliklinisch zag ik uw patiënt in verband met oorsuizen sinds een jaar waarbij hij geen gehoorvermindering heeft bemerkt, wel sinds enkele maanden duizeligheid (…) in het verleden geen chronische otitiden, wel lawaai expositie tijdens zijn werk naast snijmachines (…) Conclusie: tinnitus bij asymmetrisch perceptief gehoorverlies, zonder aanwijzingen voor brughoek pathologie, mogelijk veroorzaakt door lawaaischade.

2.6.

In de periode van augustus 2008 tot januari 2011 was [eiseres] onder behandeling bij het maatschappelijk werk van Kentalis. In september 2008 kwam [eiseres] onder behandeling van audioloog dr. B.A.M. Franck van Effatha Guyot Audiologische Centra. Bij brief van 5 september 2008 schrijft deze audioloog:

‘Primaire klachten van patiënt is tinnitus en hyperacusis. Bijkomende klachten zijn hoofdpijn en evenwichtklachten. Beoordeling audiogram: gehoorverlies beiderzijds overschrijdt HL10 voor zijn leeftijd; grafiekvorm beiderzijds typisch voor lawaaidoofheid.’

2.7.

Op 18 augustus 2008 heeft [eiseres] zich arbeidsongeschikt gemeld. Dr. van der Mey, KNO-arts van het LUMC, meldt in een verslag d.d. 17 maart 2009 onder meer het volgende:

‘Conclusie: onduidelijke klachten van duizeligheid en oorsuizen, waarvoor reeds aanvullende diagnostiek elders is ingezet…(…) We zijn benieuwd naar de bevindingen van de afdeling neurologie in Den Haag’

De bedrijfsarts vermeldt in een rapportage van 15 juni 2009:

‘Betrokkene geeft aan in Marokko tijdens zijn vakantie klachten van de oren en evenwichtstoornissen ontwikkeld te hebben. (…) Daarbij nu depressiviteit en problemen met vrouw op de voorgrond. (….) Betrokkene blijft last houden van duizelingen, oorsuizen, moeheid en slaapstoornissen. (…)’

Op 28 september 2009 vermeldt de bedrijfsarts in een verslag:

‘Op 14 oktober volgt MRI in verband met verdenking brughoek tumor? Oorsuizen is oorzaak van depressie (…)’

2.8.

Per 16 augustus 2010 is aan [eiseres] door het UWV een WIA-uitkering toegekend op basis van volledige arbeidsongeschiktheid. Per 12 september 2010 is de arbeidsovereenkomst tussen partijen met toestemming van het CWI/UWV beëindigd.

2.9.

Bij brief van 8 september 2011 heeft het Bureau Beroepsziekten van het FNV (hierna: BBZ FNV) aan Bakkersland kenbaar gemaakt dat onderzocht werd of er sprake was van een mogelijk causaal verband tussen de arbeidsomstandigheden en de gezondheidsschade van [eiseres] .

2.10.

Bij brief van 25 november 2013 deelt medisch adviseur drs. J. Jonker aan BBZ FNV onder meer het volgende mede:

‘Deze nieuwe informatie overziend, concludeer ik dat er geen aanleiding is mijn conclusies zoals verwoord in mijn advies van 21-01-2013 te herzien. De risico-inventarisaties en bevindingen van de arbeidsinspectie wijzen op een evidente blootstelling aan lawaai. De gehoorbeschadiging bij betrokkene vertoont een typische lawaaibeschadiging beiderzijds. De invaliderende tinnitus wordt door specialisten geduid als een gevolg van de gehoorbeschadiging. Tinnitus kan daarnaast ook een direct gevolg zijn van blootstelling aan lawaai. Onderliggende ziektebeelden voor de gehoorbeschadiging of de tinnitus bij betrokkene zijn niet gevonden. Op basis van de registratierichtlijnen van het NCVB wordt de gehoorbeschadiging en de tinnitus bij betrokkene aangemerkt als een beroepsziekte.’

2.11.

Bij brief van 12 april 2012 heeft [eiseres] Bakkersland aansprakelijk gesteld. Bakkersland heeft aansprakelijkheid afgewezen.

3 De vordering

[eiseres] heeft bij dagvaarding gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, Bakkersland te veroordelen tot betaling aan hem van:

  1. een bedrag van € 20.000 als voorschot op de (im)materiële schadevergoeding;

  2. de resterende schade, materieel en immaterieel, waaronder de arbeids-vermogensschade, nader op te maken bij staat met verwijzing hiervoor naar de schadestaatprocedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de resp. vervaldata;

  3. de kosten van dit geding.

Aan zijn vordering legt [eiseres] -zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- ten grondslag dat Bakkersland op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade. [eiseres] heeft aannemelijk gemaakt dat hij gezondheidsschade heeft opgelopen in de uitoefening van de dienstbetrekking. Bakkersland heeft niet voldaan aan haar zorgverplichting, zodat vast staat dat de schade door de arbeidsomstandigheden is veroorzaakt. [eiseres] wist eerst na het onderzoek van BBZ dat zijn klachten door zijn werkzaamheden bij Bakkersland zijn veroorzaakt. De vorderingen zijn dus niet verjaard.

4 Het verweer

Bakkersland heeft de vordering betwist en heeft daartoe het volgende -zakelijk weergegeven en voor zover thans van belang- aangevoerd. [eiseres] was al meer dan vijf jaar op de hoogte van de gestelde schade en de vermeend aansprakelijke persoon, zodat de vorderingen verjaard zijn. Indien geoordeeld wordt dat de vorderingen niet zijn verjaard, dan stelt Bakkersland zich op het standpunt dat [eiseres] niet tijdig heeft geklaagd (in de zin van artikel 6:89 BW). Bakkersland is hierdoor benadeeld in haar bewijspositie en verweer-mogelijkheden. [eiseres] heeft daarom zijn rechten verloren. In het geval het beroep op verjaring dan wel de klachtplicht wordt verworpen wenst Bakkersland nader bewijs te leveren ten aanzien van de werkomgeving van [eiseres] over de periode 1986 tot 2010.

5 De beoordeling van de vordering

verjaring

5.1

Bakkersland heeft bij conclusie van antwoord als prealabel verweer gevoerd dat de vorderingen van [eiseres] zijn verjaard. Zij voert daartoe aan dat [eiseres] reeds vanaf 2000 bekend was met klachten van oorsuizen, wat toen heeft geleid tot langdurige uitval. [eiseres] kon toen al weten, maar in ieder geval vanaf 19 maart 2007 (datum audiogram, 2.5), dat zijn klachten werden veroorzaakt door lawaai op het werk. [eiseres] heeft dit betwist en heeft aangevoerd dat hij pas zekerheid kreeg over de oorzaak van zijn gehoorklachten nadat BBZ FNV een onderzoek had ingesteld. Eerst in september 2011 raakte hij op de hoogte van de grensoverschrijdende geluidsblootstelling bij Bakkersland, zodat hij toen pas bekend werd met de aansprakelijke partij.

5.2

Ingevolge artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. De verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is een rechtsvordering tot vergoeding van de door hem geleden schade in te stellen. Als sprake is van lichamelijke klachten waarvan de herkomst niet zonder meer duidelijk is, zal daarvan sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade volstaat niet. Voldoende is dat de benadeelde bekend is geworden met foutief handelen van de aansprakelijke persoon en met de schade die hij als gevolg daarvan heeft geleden. Vanaf dat moment is de benadeelde in staat om een vordering tot schadevergoeding in te stellen.

5.3

Tussen partijen is niet in geschil dat de brief van 12 april 2012 als stuitings-handeling heeft te gelden, zodat beoordeeld moet worden of [eiseres] vóór 12 april 2007 daadwerkelijk bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. De kantonrechter is van oordeel dat dat niet het geval is. Dat [eiseres] zich al in 2000 bij de huisarts meldde vanwege oorsuizen leidt er, anders dan Bakkersland meent, niet toe dat vanaf dat moment de verjaringstermijn is gaan lopen. [eiseres] had vanaf 2000 niet alleen last van oorsuizen maar had ook andere klachten, zoals hoofdpijn, stress, duizeligheid en depressiviteit. Deze klachten kunnen vele, ook niet werkgerelateerde oorzaken hebben. [eiseres] wist destijds niet dat hij gehoorschade had opgelopen, laat staan dat hij de oorzaak daarvan kende of moest kennen. Hierbij dient ook in aanmerking te worden genomen dat indien als gevolg van geluidsbelasting gehoorbeschadiging optreedt, de klachten niet direct merkbaar zijn maar dat sprake is van een zich langzaam evoluerend proces. In het begin ondervindt men nog weinig problemen en is er nog geen of nauwelijks hinder in het dagelijks leven. Ook bij [eiseres] heeft het langere tijd geduurd voordat geconstateerd werd dat hij leed aan (perceptief) gehoorverlies. Dit was in 2005, waarbij de KNO-arts als mogelijke oorzaken noemt familiaire belasting of lawaai op het werk. Een eenduidige oorzaak is toen dus niet genoemd. [eiseres] heeft pas in 2007, toen er een audiogram is gemaakt en de KNO-arts op grond daarvan (medio 2007) heeft geconcludeerd dat er sprake is van tinnitus die mogelijk is veroorzaakt door lawaaischade, kunnen vermoeden dat de oorzaak in de arbeidsomstandigheden kon zijn gelegen. Dit is echter niet voldoende om aan te nemen dat [eiseres] reeds vóór 12 april 2007 in staat moet zijn geweest om een rechtsvordering in te kunnen stellen, te meer niet nu hij niet hoefde te verwachten dat hij als gevolg van zijn klachten schade zou lijden door arbeidsongeschikt-heid. Het heeft immers, na de uitval in 2000, tot 2008 geduurd voordat [eiseres] zich weer vanwege soortgelijke klachten ziek meldde. Bovendien hoefde [eiseres] er niet op bedacht te zijn dat het lawaai op het werk zijn gehoorklachten veroorzaakte, omdat hij, zoals onbetwist is gesteld, niet wist dat de geluidsnormen op zijn werkplek werden overschreden.

5.4

Onder genoemde omstandigheden zijn er onvoldoende aanknopingspunten voor een aansprakelijkstelling van de werkgever zodat [eiseres] niet vóór 12 april 2007 daadwerkelijk in staat kon worden geacht een rechtsvordering tegen Bakkersland in te stellen. Het beroep op verjaring zal daarom worden verworpen.

klachtplicht ex artikel 6:89

5.5

Artikel 6:89 BW bepaalt dat de schuldeiser geen beroep meer kan doen op een gebrek in de prestatie van de schuldenaar, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd. Deze klachtplicht beoogt de tekortschietende schuldenaar te beschermen tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten van de schuldeiser. Voor het antwoord op de vraag of tijdig op de voet van art. 6:89 BW is geprotesteerd, moet acht worden geslagen op alle relevante omstandigheden van het geval, waaronder de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. (HR 8 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9615). Verder is van belang de waarneembaarheid van de afwijking, de deskundigheid van partijen en de aanwezige juridische kennis.

5.6

De klachtplicht van artikel 6:89 BW is van toepassing op alle verbintenissen (HR 11 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL8297), ook op de zorgplicht van de werkgever, nu deze resulteert in verbintenissen jegens de werknemer. De Hoge Raad heeft in arresten van 8 februari 2013 (HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4600) de voorwaarden voor een geslaagd beroep op artikel 6:89 BW toegelicht. Met toepassing van die normen op de onderhavige rechtsverhouding wordt als volgt overwogen.

5.7

In een arbeidsrelatie hoeft de werknemer niet zonder meer op de hoogte te zijn van de (reikwijdte van de) zorgplicht van de werkgever op grond van artikel 7:658 BW. Als hij er wel van op de hoogte is, mag de werknemer er echter in beginsel van uitgaan dat de werkgever die zorgplicht naleeft. Er rust op de werknemer pas een onderzoeksplicht op grond van artikel 6:89 indien hij weet van voornoemde zorgplicht en hij aanleiding heeft te veronderstellen dat de werkgever hierin kan zijn tekortgeschoten. De werknemer behoeft daarom niet zonder meer op te merken dat, zoals in het onderhavige geval wordt gesteld, de geluidsnormen op de werkplek uitgaan boven het wettelijk toegestane niveau. Dat de werkplek lawaaiig is wijst er niet zonder meer op dat de werkgever is tekortgeschoten, zodat dat enkele feit geen reden voor onderzoek naar een zorgplichtschending behoeft te zijn.

5.8

Indien de werknemer, eventueel na (deskundig) onderzoek, bekend is geworden met het niet nakomen van de zorgplicht, of hij daarmee redelijkerwijs bekend had moeten zijn, dient hij terzake op de voet van artikel 6:89 BW binnen bekwame tijd te protesteren. Bij de beoordeling of tijdig is geprotesteerd dient rekening te worden gehouden met de aard van de arbeidsovereenkomst, die met zich meebrengt dat de werknemer zich ten opzichte van de werkgever in een afhankelijke positie bevindt. Dit kan een werknemer die nog in dienst is bij zijn werkgever ervan weerhouden zijn werkgever aansprakelijk te stellen voor schade die hij in de uitvoering van zijn werkzaamheden heeft geleden of lijdt, omdat dit mogelijk de verhoudingen onder druk zet.

5.9

Bij de beoordeling of het beroep van de werkgever op artikel 6:89 BW gegrond is, dient verder rekening te worden gehouden met enerzijds het voor de werknemer ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren – verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming – en anderzijds de concrete belangen waarin de werkgever is geschaad door het late tijdstip dat is geklaagd, zoals een benadeling in haar bewijspositie of een aantasting van haar mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken.

5.10

[eiseres] heeft onbetwist gesteld dat hij pas in het najaar van 2011, naar aanleiding van onderzoek door BBZ FNV, te weten kwam dat de geluidsbelasting op zijn werkplek bij Bakkersland normoverschrijdend was. In april 2012 heeft hij Bakkersland aansprakelijk gesteld. Deze termijn – een half jaar – wordt niet onredelijk geacht, te meer niet nu Bakkersland onvoldoende heeft onderbouwd dat zij door dit tijdsverloop tussen het signaleren van het tekortschieten in de zorgplicht en de aansprakelijkstelling nadeel heeft ondervonden voor haar verweer of bewijspositie. Bakkersland heeft immers de beschikking over de voor de beoordeling van de nakoming van de zorgplicht relevante gegevens, zoals meetgegevens, RI&E- verslagen en rapporten van de Arbeidsinspectie over de betreffende periode. In zoverre verschilt de onderhavige zaak van de door Bakkersland genoemde casus, waarin sprake was van een bedrijfsongeval. In zo’n geval komt het er op aan dat de toedracht van het ongeval wordt vastgesteld, en kan door tijdsverloop de mogelijkheid verloren gaan om (bijvoorbeeld) betrouwbare getuigenverklaringen te kunnen verkrijgen, wat nadelige gevolgen kan hebben voor de bewijspositie van de werkgever. Hiervan is in de onderhavige zaak geen sprake.

5.11

Al met al wordt geoordeeld dat [eiseres] onder genoemde omstandigheden tijdig heeft geklaagd, zodat het beroep van Bakkersland op de schending van de klachtplicht van artikel 6:89 BW wordt verworpen.

aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW

5.12

Uit artikel 7:658 lid 1 BW volgt dat de werknemer, die zijn werkgever aanspra-kelijk houdt voor een zorgplichtschending, dient te stellen en zo nodig bewijzen dat zijn schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden is ontstaan. Op grond van lid 2 van dit artikel dient de werkgever aan te tonen dat hij zijn verplichting om voor veilige arbeidsomstandigheden te zorgen is nagekomen. Er moet dus zowel een causaal verband zijn tussen de arbeidsomstandigheden en de schade van de werknemer, als tussen een tekortkoming van de werkgever en die schade. Als dat verband aannemelijk is geworden, kan het oorzakelijk verband tussen de arbeidsomstandigheden en de gezondheidsklachten aangenomen worden indien de werkgever nagelaten heeft de maatregelen te treffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van de werkzaamheden schade lijdt. Eerst moet dus vast komen te staan dat [eiseres] tijdens zijn werkzaamheden bloot heeft gestaan aan lawaai dat de toegestane normen overschreed en moet aannemelijk zijn geworden dat zijn gezondheidsschade daardoor is veroorzaakt. Daarna komt aan de orde de vraag of Bakkersland voldoende maatregelen heeft getroffen.

5.13

Als onbetwist staat vast dat [eiseres] lijdt aan gehoorverlies. Uit de stukken blijkt – en Bakkersland heeft dit ook niet weersproken – dat dit gehoorverlies is veroorzaakt door lawaai, zodat hiervan zal worden uitgegaan. Beoordeeld moet worden of er een causaal verband is tussen de werkzaamheden van [eiseres] en de gehoorschade. [eiseres] dient aannemelijk te maken dat hij de schade heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij Bakkersland, in die zin dat voldoende waarschijnlijk moet zijn, aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, dat de werkomstandigheden de gehoorschade hebben veroorzaakt.

5.14

[eiseres] heeft in dit kader, onbetwist, gesteld dat hij bij zijn werkzaamheden in het magazijn gedurende zijn gehele dienst was blootgesteld aan meerdere lawaaibronnen, afkomstig van snij-, zuig- en inpakmachines, een lopende band, een vriestoren en een (regelmatig afgaand) alarm. Hij heeft bij zijn werkzaamheden geen gehoorbescherming gedragen tot november 2006. Verder zijn door de Arbeidsinspectie overtredingen van de toepasselijke normen geconstateerd en blijkt uit een RI&E van 2001 dat er nog sprake is van overschrijdingen van de geluidsnomen. [eiseres] heeft hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat hij de gehoorschade tijdens zijn werkzaamheden voor Bakkersland heeft opgelopen. Bakkersland heeft hiertegenover ook geen andere, niet werkgerelateerde oorzaak gesteld.

5.15

Vervolgens dient te worden beoordeeld of Bakkersland die maatregelen heeft getroffen die redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt. Het rapport ‘Oriënterende metingen Bakkerij Veenman Wateringen” van januari 1998 vermeldt dat geluidsniveaus boven de 80 dB(A) schadelijk worden geacht voor de gezondheid en dat de werkgever bij een dergelijk niveau gehoorbeschermingsmiddelen moet aanbieden. Deze niveaus werden bij Bakkersland overschreden. Bakkersland niet heeft weersproken dat eerst vanaf 2006 gehoorbescherming werd aangeboden aan haar werknemers. Nu zij ook voor het overige niets heeft gesteld waaruit blijkt dat zij wél voldoende maatregelen heeft genomen om gezondheidsschade bij haar werknemers te voorkomen, wordt het ervoor gehouden dat die maatregelen niet zijn genomen. Er wordt, nu Bakkersland niet heeft voldaan aan haar stelplicht op dit punt, niet toegekomen aan bewijslevering.

5.16

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat [eiseres] in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor Bakkersland gehoorschade heeft opgelopen en dat Bakkersland is tekort geschoten in de nakoming van haar zorgplicht op grond van artikel 7:658 BW. Wegens schending van die zorgplicht is Bakkersland jegens [eiseres] aansprakelijk voor de schade die [eiseres] daardoor heeft geleden.

5.17

[eiseres] heeft een bedrag van € 20.000,-- gevorderd, als voorschot op de schadevergoeding waarvan de omvang in een schadestaatprocedure moet worden bepaald. Nu de hoogte van het gevorderde voorschot niet door Bakkersland is betwist, en deze de kantonrechter niet onredelijk voorkomt, zal deze vordering en de vordering tot vergoeding van schade, op te maken bij staat met verwijzing naar de schadestaatprocedure, worden toegewezen.

5.18

Bakkersland wordt, als de in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de proceskosten.

6 De beslissing

De kantonrechter:

veroordeelt Bakkersland om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 20.000,-- als voorschot op de (im)materiële schadevergoeding;

veroordeelt Bakkersland om aan [eiseres] te betalen de resterende schade, materieel en immaterieel, waaronder de arbeids-vermogensschade, nader op te maken bij staat met verwijzing hiervoor naar de schadestaatprocedure, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de respectievelijk vervaldata;

veroordeelt Bakkersland in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiseres] vastgesteld op € 783,19, waarin begrepen een bedrag van € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Japenga, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2016.