Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:917

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-02-2016
Datum publicatie
02-02-2016
Zaaknummer
09/777523-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De rechtbank verklaart het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden ongegrond, nu niet is gebleken van een uitzondering als bedoeld in het eerste lid van artikel 2 van voornoemde Wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/6.5
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: 09/777523-13

Kenmerk RK: 15/4549

Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1996 te [geboorteplaats] ,

adres: [adres] ,

te dezer zake domicilie kiezende ten kantore van advocaat mr. A.P. Stipdonk,

adres: Herengracht 50, 2312 LE te Leiden,

tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.

De rechtbank heeft dit bezwaar op 19 januari 2016 in raadkamer behandeld.

Veroordeelde is – hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen – niet verschenen. Wel aanwezig was zijn raadsman mr. A.P. Stipdonk, advocaat te Leiden.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaar.

Beoordeling van het bezwaar.

Veroordeelde is bij uitspraak van 11 juli 2014 door de kinderrechter van deze rechtbank ter zake van – kort gezegd – openlijke geweldpleging en vernieling veroordeeld tot een werkstraf van 70 uur, waarvan 30 uur voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar.

De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het bezwaar.

Bij veroordeelde is, ingevolge het bevel van de officier van justitie van 27 augustus 2015, op 5 oktober 2015 op grond artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, celmateriaal afgenomen.

Blijkens een daarvan opgemaakte akte is het bezwaarschrift op 13 oktober 2015 ter griffie van deze rechtbank ingediend. Het bezwaarschrift is derhalve tijdig ingekomen.

Het DNA-profiel van veroordeelde is nog niet bepaald.

De rechtbank oordeelt als volgt.

De feiten waarvoor veroordeelde is veroordeeld betreffen feiten die omschreven zijn in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Het uitgangspunt van de Wet DNA is dat van iedere veroordeelde wegens een misdrijf als omschreven in dat artikel, ingevolge artikel 2 van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen ten behoeve van het bepalen en verwerken van het DNA-profiel. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich een van de in het eerste lid van artikel 2 van de Wet DNA genoemde uitzonderingen voordoet.

Van de eerste uitzondering is geen sprake, nu niet is gebleken dat van bezwaarde al een DNA-profiel is verwerkt als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder a, van de Wet DNA.

De rechtbank dient vervolgens te beoordelen of de in artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet DNA genoemde uitzondering zich voordoet, te weten of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde in de toekomst.

Over de reikwijdte van de uitzonderingsgronden heeft de Hoge Raad op 13 mei 2008 twee arresten gewezen (LJN: BC 8231 en BC 8234) en geoordeeld dat er geen plaats is voor een verdere belangenafweging dan toetsing aan de twee, beperkt uit te leggen, uitzonderingen die artikel 2, eerste lid, van de wet, behelst.

De rechtbank sluit zich bij de beoordeling van het bezwaar aan bij deze jurisprudentie, waarin de Hoge Raad tevens heeft geoordeeld dat er op basis van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden bij de belangenafweging geen onderscheid tussen meerderjarige en minderjarige veroordeelden kan worden gemaakt. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat een dergelijk generieke uitzondering ook niet aan het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK) kan worden ontleend. De rechtbank vindt in bedoeld verdrag, ook als het bezien wordt in het licht van deze concrete zaak, geen grond om af te wijken van het oordeel van de Hoge Raad.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in onderhavig geval, gelet op de aard van de misdrijven (twee geweldsfeiten) en de bijzondere omstandigheden waaronder de misdrijven zijn begaan, geen sprake van een uitzonderingsgrond in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Daarbij is in het bijzonder betrokken dat veroordeelde ook na onderhavige feiten nog met politie en justitie in aanraking is gekomen, nu hij in juli 2015 - wederom - is veroordeeld voor een geweldsfeit. Derhalve kan niet gesteld worden dat het DNA-materiaal van veroordeelde niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde in de toekomst. De rechtbank zal het bezwaar dan ook ongegrond verklaren.

Beslissing.

De rechtbank verklaart het bezwaar ongegrond.

Aldus gedaan te Den Haag door mr. H.N. Pabbruwe, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. N.M.E. Oudshoorn, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 2 februari 2016.