Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9105

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 2973
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure

Wetsverwijzingen
Ziektewet 19, geldigheid: 2008-01-01
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/1071

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 augustus 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.P. de Witte),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Spiering).

Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij vanaf 26 oktober 2015, subsidiair 2 december 2015, niet toegenomen arbeidsongeschikt was. Eiser wordt doorlopend geschikt geacht voor de geduide functies en krijgt derhalve geen uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) (meer).

Bij besluit van 5 februari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2016. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.2.

Eiser was voorheen werkzaam bij [bedrijf] als machine operator voor 28 uur per week. Hij is in verband met een reorganisatie ontslagen en aan hem is met ingang van 1 juli 2013 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Vanuit deze uitkeringssituatie heeft eiser zich op 26 mei 2014 wegens (met name) psychische klachten, angst/paniekaanvallen en depressie, ziek gemeld. Bij het besluit van 19 mei 2015 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij vanaf 26 juni 2015 geen ZW-uitkering meer krijgt, omdat uit de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling is gebleken dat eiser op 25 mei 2015 meer dan 65% kan verdienen van het loon wat hij verdiende voor hij ziek werd. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3.

Bij besluit van 20 oktober 2015 heeft verweerder dit bezwaar ongegrond verklaard. Verweerder heeft hieraan een nieuw medisch onderzoek van 9 oktober 2015 en een nieuw arbeidskundig onderzoek van 20 oktober 2015 ten grondslag gelegd. Blijkens deze nieuwe onderzoeken zijn er volgens verweerder voldoende passende functies te duiden waarbij eiser minstens 65% van het maatmaninkomen kan verdienen.

Tegen dit besluit is door eiser geen rechtsmiddel ingesteld. Dit betekent dat dit besluit in rechte vast staat.

1.4.

Op 26 oktober 2015, zes dagen na het besluit waarbij eiser is medegedeeld dat hij geen recht (meer) heeft op een uitkering ingevolge de ZW, heeft eiser zich wederom ziek gemeld met toegenomen klachten. Er heeft op 2 december 2015 een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden. Daarbij heeft de verzekeringsarts eiser lichamelijk onderzocht. In haar rapportage heeft de verzekeringsarts onder verwijzing naar de voorgaande procedure vermeld dat er geen nieuwe medische feiten naar voren zijn gekomen bij het onderzoek. Er zijn geen toegenomen medische beperkingen vastgesteld, de FML houdt voldoende rekening met de belastbaarheid en blijft onveranderd van kracht. Er is dan ook volgens de verzekeringsarts geen sprake van toegenomen arbeidsongeschiktheid.

1.5.

Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij vanaf 26 oktober 2015, subsidiair 2 december 2015 volgens de ZW niet toegenomen arbeidsongeschikt was. Dat betekent doorlopende geschiktheid voor geduide functies en daarom krijgt eiser geen ZW-uitkering, aldus verweerder. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.6.

In het kader van het bezwaar zijn de medische aspecten door de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) herbeoordeeld. Hierbij heeft de verzekeringsarts b&b eiser op de hoorzitting in het kader van het bezwaar gesproken. De verzekeringsarts b&b heeft blijkens zijn rapportage van 1 februari 2016 geconcludeerd dat er geen argumenten zijn om van het primaire oordeel af te wijken. Er zijn heroverwegend in bezwaar geen nieuwe medische feiten of omstandigheden aangevoerd die aanleiding vormen om de herstelmelding voor de maatstaf per 26 oktober 2015 subsidiair 2 december 2015 te herzien, aldus de verzekeringsarts b&b. Daartoe heeft hij overwogen dat de rapportage van de primaire verzekeringsarts blijk geeft van een zorgvuldig uitgevoerd medisch onderzoek wat duidelijk en helder gerapporteerd is. Op logische wijze wordt tot de conclusie gekomen dat er geen nieuwe medische feiten of omstandigheden aan de orde waren waardoor eiser toegenomen beperkt was en ongeschikt voor de maatstaf vanaf datum ziekmelding 26 oktober 2015 subsidiair datum onderzoek 2 december 2015. De ervaren klachten van flauwvallen en duizeligheid werpen hier geen ander licht op, omdat er met deze klachten rekening is gehouden in de belastbaarheid met de maatstaf. Het bezwaar dat eiser onder behandeling is van I-psy werpt ook geen ander licht op de zaak, omdat uit de afsprakenkaart blijkt dat hij op de data in geding (slechts) om de maand een afspraak had bij deze instelling. Deze laag frequente bezoeken vormen geen aanleiding om verdergaande arbeidsbeperkingen aan te nemen. Het bezwaar dat eiser door derden begeleid moet worden naar het werk vormt evenmin aanleiding om ongeschiktheid voor de maatstaf aan te nemen. De laag frequente behandeling bij I-psy alsmede de verzekeringsgeneeskundige observaties dat eiser zich door verschillende personen laat begeleiden naar spreekuren van het UWV objectiveren niet dat er aanleiding is om een specifieke vorm van begeleiding of vervoer of een vervoersvoorziening aan te nemen op de data in geding.

1.7

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Volgens verweerder heeft eiser vanaf 26 oktober 2015 geen recht op een uitkering ingevolge de ZW. Eiser is hiertegen in beroep gegaan.

2. Eiser betwist in beroep dat hij per 26 oktober 2015 in staat is om een van de geduide functies te verrichten. Hij heeft zich ziek gemeld vanwege psychische klachten, waaronder paniekaanvallen met straatvrees. Voorts heeft hij hartklachten, hoge bloeddruk en aanvallen van duizeligheid met flauwvallen. Hij kan niet alleen over straat en moet voortdurend worden gebracht/begeleid.

3. De rechtbank overweegt als volgt. Nu eiser tegen het besluit van 20 oktober 2015 geen beroep heeft ingesteld, staat de (eerdere) Eerstejaars Ziektewet-beoordeling nu niet ter discussie. De uitkomsten daarvan worden in de onderhavige procedure als vaststaand aangenomen. Dat betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de belastbaarheid van eiser per 25 mei 2015 juist is vastgesteld en dat de geduide functies op die datum voor hem passend waren.

4. In artikel 19, eerste lid, van de ZW is bepaald dat iemand recht heeft op ziekengeld als hij als gevolg van ziekte of gebreken niet geschikt is voor het verrichten van het eigen werk. De ongeschiktheid om te werken moet rechtstreeks het gevolg zijn van ziekte of gebreken en dat moet objectief medisch vastgesteld kunnen worden.

5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de uitslag van het medisch onderzoek in het kader van de ZW-beoordeling onzorgvuldig dan wel onjuist is. Alle door eiser gestelde klachten, waaronder zijn psychische klachten, zijn bij de medische beoordeling betrokken. Niet gebleken is dat de door eiser gestelde klachten van lichamelijke dan wel psychische aard per de datum in geding zodanig zijn toegenomen ten opzichte van de datum in geding in het kader van de Eerstejaars Ziektewet-beoordeling dat dit zou leiden tot het aannemen van meer beperkingen en ongeschiktheid voor één van de geduide functies. Een medische objectivering hiervoor ontbreekt. In beroep heeft eiser voorts geen (andere) medische stukken ingediend op grond waarvan tot een ander oordeel gekomen zou moeten worden.

6. Uit wat hiervoor is geschreven, volgt dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser per 26 oktober 2015 in staat is om zijn arbeid te verrichten, in één van de geduide functies. Verweerder heeft daarom terecht besloten dat eiser per die datum geen recht heeft op een ZW-uitkering. De rechtbank zal daarom het beroep ongegrond verklaren.

7. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 augustus 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.