Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:9102

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-08-2016
Datum publicatie
03-08-2016
Zaaknummer
09/857408-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 312 Sr en 26 WWM. Woningoverval en wapenbezit. Medeplegen of medeplichtigheid bij niet in woning aanwezige verdachte. Benadeelde partijen (grotendeels) niet-ontvankelijk vanwege uitkering door Schadefonds Geweldsmisdrijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/857408-15

Datum uitspraak: 3 augustus 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] ,

[adres 1] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Sittard te Sittard.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 12 mei 2016 (pro forma) en 20 juli 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. F.A. Kuijpers en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. N. van Schaik, advocaat te Utrecht, en door de verdachte naar voren is gebracht.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 20 juli 2016 medegedeeld dat zij voornemens is een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting van 20 juli 2016 - ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 15 juli 2015 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of een telefoon (merk Nokia) en/of een Ipad en/of een laptop (merk Sony) en/of een playstation en/of een luidspreker (merk Bose) en/of een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- binnendringen van de woning van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of

- roepen/zeggen "geld, geld" en/of "geld, ik wil geld" en/of "waar ligt het geld"en/of "waar zijn de drugs" en/of

- tonen van een (vuur)wapen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of

- beetpakken van de [slachtoffer 1] en/of op de grond duwen en/of vast tapen van de polsen en/of benen van die [slachtoffer 1] en/of

- duwen/drukken van een (vuur)wapen tegen het hofd van die [slachtoffer 1] en/of

(meermalen) slaan van die [slachtoffer 1] met een (vuur)wapen tegen het hoofd en/of

- ( meermalen) schoppen/trappen tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of

- weerloos maken van die [slachtoffer 1] en/of geven van een stroomstoot aan die [slachtoffer 1] met een stroomstootwapen (tegen de achterzijde van het been) en/of

- met een mes snijden in de (wijs)vinger van die [slachtoffer 1] en/of

- vastbinden/tapen van de handen en/of voeten en/of mond die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] ;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] op of omstreeks 15 juli 2015 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en/of een telefoon (merk Nokia) en/of een Ipad en/of een laptop (merk Sony) en/of een playstation en/of een luidspreker (merk Bose) en/of een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- binnendringen van de woning van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of

- roepen/zeggen "geld, geld" en/of "geld, ik wil geld" en/of "waar ligt het geld"en/of "waar zijn de drugs" en/of

- tonen van een (vuur)wapen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of

- beetpakken van de [slachtoffer 1] en/of op de grond duwen en/of vast tapen van de polsen en/of benen van die [slachtoffer 1] en/of

- duwen/drukken van een (vuur)wapen tegen het hofd van die [slachtoffer 1] en/of

(meermalen) slaan van die [slachtoffer 1] met een (vuur)wapen tegen het hoofd en/of

- ( meermalen) schoppen/trappen tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] en/of

- weerloos maken van die [slachtoffer 1] en/of geven van een stroomstoot aan die [slachtoffer 1] met een stroomstootwapen (tegen de achterzijde van het been) en/of

- met een mes snijden in de (wijs)vinger van die [slachtoffer 1] en/of

- vastbinden/tapen van de handen en/of voeten en/of mond die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3]

tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op een of meer tijdstippen in de periode van 1 juni 2015 tot en met 15 juli 2015 te Zoetermeer en/of Kerkrade en/of elders in Nederland opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest door [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te vertellen dat de bewoner(s) van de woning [adres 2] te Zoetermeer verdovende middelen verkopen en/of dat er verdovende middelen in de woning [adres 2] te Zoetermeer zouden zijn en/of een (vuur)wapen te lenen en/of een (vuur)wapen aan die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] te verstrekken/geven en/of de woning [adres 2] aan die [medeverdachte 1] en/of die [medeverdachte 2] aan te wijzen en/of de auto naar en van Zoetermeer te besturen en/of in de buurt van de woning in de auto te wachten;

2.

hij op of omstreeks 02 februari 2016 te Kerkrade een vuurwapen van categorie III, te weten een semi automatisch pistool (merk Tokarev) en/of munitie van categorie III, te weten vijf volmantelpatronen (kaliber 7,62 mm Tokarev), voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 02 februari 2016 te Kerkrade een wapen van categorie II onder 5°, te weten een stroomstootwapen (merk Heavy Duty Stun Gun), zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

4.

hij op een of meer tijdstippen in de periode van 17 mei 2013 tot en met 02 februari 2016 te Kerkrade, meermalen, althans eenmaal telkens een goed, te weten

een motorfiets merk Aprillia (chassisnummer [chassisnummer 1] ) en/of

een motorfiets merk Piaggio (chassisnummer [chassisnummer 2] ) en/of

een motorframe kleur oranje type

heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen,

terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dit goed wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding1

Op 15 juli 2015 heeft er een overval plaatsgevonden in de woning gelegen aan de [adres 2] te Zoetermeer. Daarbij hebben twee daders zich de toegang tot de woning verschaft door vanuit de tuin de deur naar de woonkamer te openen. Op dat moment waren in die woonkamer aanwezig [slachtoffer 2] en haar dochter [slachtoffer 3] (toen 14 jaar oud). Zij werden overrompeld door de twee overvallers: een man met een donkere huidskleur en een man met een licht getinte huidskleur. De licht getinte man bleef vervolgens beneden om [slachtoffer 2] en haar dochter te bewaken en de donkere man, die een pistool bij zich had, rende naar boven, waar [slachtoffer 1] was.2 Die werd door de donkere man overrompeld.3

Tijdens de overval werden bij alle drie de slachtoffers hun ledematen met tape vastgebonden. Bij [slachtoffer 2] en haar dochter werd ook de mond met tape afgeplakt.4 Ook werd aan de drie slachtoffers een pistool getoond.5 [slachtoffer 1] is tegen de grond geduwd, heeft het pistool tegen zijn hoofd aangedrukt gekregen, is op zijn hoofd geslagen met het pistool en meermalen tegen het hoofd geschopt.6 Voorts zijn aan [slachtoffer 1] schokken toegediend met een stroomstootwapen en is met een mes in zijn vinger gesneden.7

Bij de overval zijn er drugs8 meegenomen en diverse goederen, waaronder een Playstation, een telefoon, een iPad, een laptop (merk Sony) en een luidspreker (merk Bose).9

De verdachte wordt verweten dat hij als medepleger dan wel als medeplichtige betrokken was bij de overval (feit 1 primair en subsidiair), dat hij een vuurwapen, munitie en een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad (feiten 2 en 3) en dat hij goederen heeft geheeld (feit 4).

De verdachte heeft bekend dat hij (als medeplichtige volgens de kwalificatie van zijn raadsman) betrokken was bij de overval, en dat hij de wapens en munitie voorhanden heeft gehad.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de feiten 1 primair en 4, en zich ten aanzien van de feiten 1 subsidiair, 2 en 3 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1 is aangevoerd dat de betrokkenheid van de verdachte niet kan worden aangemerkt als medepleger. Zijn rol is beperkt gebleven tot het verschaffen van informatie over de aanwezigheid van drugs in de woning, het regelen van de wapens voor de woningoverval, het meereizen naar Zoetermeer en het wachten in de auto. Deze handelingen kunnen volgens de raadsman slechts als medeplichtigheid worden gekwalificeerd.

De raadsman heeft daartoe verwezen naar de volgende jurisprudentie: ECLI:NL:HR:2014:3637, ECLI:NL:HR:23013:BZ9945 en ECLI:NL:HR:2015:883.

Ten aanzien van feit 4 is aangevoerd dat in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen voorhanden zijn om wettig en overtuigend bewezen te verklaren dat de verdachte ten tijde van het verwerven/voorhanden wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat de goederen van misdrijf afkomstig waren.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1

Feit 1: De woningoverval te Zoetermeer

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag naar de mate waarin de verdachte betrokken is geweest bij de woningoverval en in het verlengde daarvan hoe deze betrokkenheid dient te worden gekwalificeerd (als medepleger of als medeplichtige). De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verklaringen [verdachte] en [medeverdachte 1]

[verdachte] heeft verklaard dat hij op de dag van de overval samen met [medeverdachte 1] en “ [medeverdachte 3] ” was. Hij is samen met [medeverdachte 3] vanuit Limburg naar [medeverdachte 1] in Rotterdam gegaan. Vervolgens zijn zij met zijn drieën in de grijze Ford Focus van [medeverdachte 3] naar

Zoetermeer gereden. [verdachte] wist dat ‘die mensen’ vanuit die woning drugs verkochten; hij was zelf ook een keer met [medeverdachte 1] naar de woning gegaan om wat te halen. [medeverdachte 1] had later een keer aan [verdachte] gezegd dat zij hen misschien een keer konden pakken.

Eenmaal aangekomen bij de woning in Zoetermeer, zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] ” uitgestapt “en hun ding gaan doen” (de rechtbank begrijpt: het overvallen van de woning). De bedoeling was dat ze drugs zouden halen en terug zouden komen. Tijdens de overval bleef [verdachte] in de auto zitten en heeft hij [medeverdachte 1] gebeld om weer weg te gaan. Na de overval zijn [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] met de auto naar de woning van laatstgenoemde gereden, en zijn de drugs verdeeld, waarna zij uit elkaar zijn gegaan. Uit de woning is 500 gram cocaïne, 100 gram skunk en 100 gram hasj weggenomen, die onder de overvallers zijn verdeeld. [verdachte] heeft aan zijn eigen verkoop van de drugs € 2.000,00 overgehouden. Over de voorbereiding van de woningoverval heeft [verdachte] verklaard dat [medeverdachte 3] begon te praten over het gemak waarmee een woningoverval kon worden gepleegd bij [slachtoffer 1] , dat [medeverdachte 1] dat hoorde en ook mee wilde doen. Voorts had [verdachte] met [medeverdachte 3] een pistool – hetzelfde dat later in zijn huis werd aangetroffen – geregeld voor de overval. Dit pistool en ook het eveneens later in zijn huis aangetroffen stroomstootwapen zijn gebruikt bij de overval.10

[medeverdachte 1] heeft bekend één van de overvallers in de woning te zijn geweest. Ook heeft hij onder meer verklaard dat [verdachte] aan “ [medeverdachte 3] ” de tip had gegeven dat er drugs in de woning waren, dat [verdachte] hen de woning had aangewezen en dat [verdachte] tijdens de overval aan het wachten was op een parkeerplaats bij of in de auto.11

Telefoongegevens

De overval vond plaats tussen 14:25:3712 uur en 15:56 uur.13 Uit de historische telefoongegevens van de telefoons van [medeverdachte 1] en [verdachte] volgt dat gedurende die periode de telefoon van [medeverdachte 1] ( [telefoonnummer 1]14) alleen is gebeld door de telefoon van [verdachte] ( [telefoonnummer 2]15): op 14:40:42 uur en om 14:42:19 uur.16 Beide telefoons straalden toen zendmasten aan in de nabijheid van de plaats van de woningoverval.17

Juridisch kader medeplegen

De kwalificatie “medeplegen” vereist dat er sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Dat vergt dat de bewezenverklaarde - intellectuele en/of materiële - bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. De vraag of aan deze eis is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval, zoals onder meer in de arresten ECLI:NL:HR:2014:3474, ECLI:NL:HR:2015:716 is benadrukt en laatst nog in ECLI:NL:HR:2016:1315 is herhaald.

Bij de vorming van het oordeel dat er sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit. Maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. Ook is niet uitgesloten dat de bijdrage in hoofdzaak vóór het strafbare feit is geleverd. Zeker in dergelijke, in zekere zin afwijkende of bijzondere, situaties dient in de bewijsvoering aandacht te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in het bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest. Dat geldt in nog sterkere mate indien het hoofdzakelijk gaat om gedragingen die na het strafbare feit zijn verricht. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke uitzonderlijke gevallen wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen stelt de rechtbank ten aanzien van de verdachte de volgende feiten en omstandigheden vast:

voorafgaande aan de overval:

- heeft hij aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] informatie verschaft over de aanwezigheid van drugs in de woning en over de ligging van de woning;

- heeft hij overleg gevoerd met zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 3] over de woningoverval;

- heeft hij met [medeverdachte 3] het vuurwapen geregeld dat bij de woningoveral is gebruikt;

- heeft hij het stroomstootwapen ter beschikking gesteld voor de woningoverval;

- is hij samen met [medeverdachte 3] met de auto naar [medeverdachte 1] gegaan om hem op te halen;

- is hij met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] naar de woning gereden;

tijdens de overval:

- is hij in de auto blijven zitten wachten;

- heeft hij in telefonisch contact heeft gestaan met [medeverdachte 1] ;

na de overval:

- is hij samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] in de auto weggereden;

- heeft hij samen met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] de buit verdeeld;

- heeft hij, nadat de aan hem toebedeelde drugs door hem waren verkocht, € 2.000,00 euro overgehouden aan de overval.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat de verdachte een zodanig belangrijke bijdrage aan de overval heeft geleverd, dat hij als medepleger daarvan moet worden aangemerkt. Zo is het kennelijke plan voor de overval pas gemaakt nadat verdachte de twee andere overvallers had getipt. Daarmee heeft verdachte reeds een essentiële rol gespeeld. Verder werkten verdachte en de twee andere overvallers blijkens het overleg waarover de verdachte heeft verklaard, al in de voorbereiding nauw samen ten behoeve van de te plegen overval. Deze nauwe samenwerking laat zich ook zien in de omstandigheid dat de verdachte samen met één van de andere overvallers een vuurwapen heeft geregeld en dat hij zijn stroomstootwapen aan hen ter beschikking heeft gesteld. Verder zijn verdachte en de twee andere overvallers gezamenlijk naar de plek van de overval gereden.

De wijze waarop de overval vervolgens is uitgevoerd duidt op een gezamenlijk plan waarin was voorzien in een duidelijke afbakening van rollen: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] voerden de overval feitelijk uit, terwijl de verdachte in de auto zou blijven, omdat hij door aangever [slachtoffer 1] herkend zou kunnen worden. Ondertussen bleef de verdachte wel betrokken bij de uitvoering van de overval: vast staat dat hij [medeverdachte 1] via de telefoon heeft aangespoord om weg te gaan. Na de overval heeft de verdachte de buit samen met de twee andere overvallers verdeeld, wat erop duidt op dat de verdachte ook volgens de andere overvallers een wezenlijke bijdrage heeft geleverd daaraan.

Conclusie

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich aan het primair tenlastegelegde heeft schuldig gemaakt, een en ander zoals verwoord in de volgende bewezenverklaring.

3.4.2

Feiten 2 en 3: Het voorhanden hebben van een vuurwapen, munitie en een stroomstootwapen

Nu de verdachte hetgeen de rechtbank bewezen zal verklaren – het voorhanden hebben van een vuurwapen, munitie en een stroomstootwapen – heeft bekend, hij nadien niet anders heeft verklaard en zijn raadsman hiervoor geen vrijspraak heeft bepleit, zal de rechtbank volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank bezigt de volgende bewijsmiddelen:

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen, p. 207, 219 en 220;

  • -

    het proces-verbaal betreffende het vuurwapen en de munitie, p. 237 t/m 239;

  • -

    het proces-verbaal betreffende het stroomstootwapen, p. 241 en 242;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 393 en 394.

Conclusie

Op grond van voornoemde bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich aan het tenlastegelegde heeft schuldig gemaakt, een en ander zoals verwoord in de volgende bewezenverklaring.

3.4.3

Feit 4: (schuld)heling

Op 2 februari 2016 werden er twee motorfietsen aangetroffen in de kelderbox van de woning van de verdachte. Van die motorfietsen staat vast dat zij van misdrijf afkomstig zijn. Ook is er een motorfietsframe aangetroffen dat – gelet op de omstandigheid dat het VIN is weggevijld – vermoedelijk ook van misdrijf afkomstig is.

Nu in het dossier elke informatie over het verwerven/voorhanden krijgen van deze goederen door de verdachte ontbreekt, kan niet worden bewezen dat de verdachte op dat moment wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat die goederen van misdrijf afkomstig waren. De rechtbank zal de verdachte dan ook vrijspreken van de tenlastegelegde (schuld)heling van de twee motorfietsen en een motorframe.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat:

1 primair.

hij op 15 juli 2015 te Zoetermeer tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid verdovende middelen (cocaïne) en een telefoon (merk Nokia) en een iPad en een laptop (merk Sony) en een playstation en een luidspreker (merk Bose) en een portemonnee met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , welke diefstal werd vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- binnendringen van de woning van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en

- roepen/zeggen "waar zijn de drugs" en

- tonen van een vuurwapen aan die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en

- beetpakken van de [slachtoffer 1] en op de grond duwen en vast tapen van de polsen en benen van die [slachtoffer 1] en

- drukken van een vuurwapen tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] en

slaan van die [slachtoffer 1] met een vuurwapen tegen het hoofd en

- meermalen schoppen tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] en

- weerloos maken van die [slachtoffer 1] en geven van een stroomstoot aan die [slachtoffer 1] met een stroomstootwapen (tegen de achterzijde van het been) en

- met een mes snijden in de vinger van die [slachtoffer 1] en

- vastbinden van de handen en voeten en mond die [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ;

2.

hij op 02 februari 2016 te Kerkrade een vuurwapen van categorie III, te weten een semi automatisch pistool (merk Tokarev) en munitie van categorie III, te weten vijf volmantelpatronen (kaliber 7,62 mm Tokarev), voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 02 februari 2016 te Kerkrade een wapen van categorie II onder 5°, te weten een stroomstootwapen (merk Heavy Duty Stun Gun), zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos kunnen worden gemaakt of pijn kan worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de feiten 1 subsidiair, 2, 3 en 4 gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 54 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat maximaal een gevangenisstraf van 18 maanden dient te worden opgelegd. Daartoe is aangevoerd dat verdachtes betrokkenheid bij de overval beperkt is gebleven tot medeplichtigheid. Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat bij de overval niet het meest ernstige geweld is toegepast, en verwezen naar ECLI:NL:RBNNE:2015:4828 en ECLI:NL:RBLIM:2014:3860. Ten slotte heeft hij aangevoerd dat de verdachte geen relevante justitiële documentatie heeft.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een buitengewoon gewelddadige woningoverval. Bij die woningoveral waren niet alleen een man en een vrouw slachtoffer, maar ook een kind van 14 jaar oud. Alle slachtoffers zijn vastgebonden en in bedwang gehouden. De man heeft onder meer een pistool tegen het hoofd gedrukt gekregen, is daar vervolgens mee geslagen, heeft stroomstoten gekregen met een stroomstootwapen, is met een mes in de vinger gesneden en heeft schoppen tegen het hoofd gekregen. Dit alles klaarblijkelijk om van hem de vindplaats van de door de overvallers gezochte drugs te vernemen. Hiervan zijn de vrouw en het kind getuigen geweest. Naast de drugs zijn er ook diverse andere goederen gestolen.

Het was de verdachte die voorafgaande aan de overval met de twee andere overvallers zijn informatie heeft gedeeld over de woning en de daar aanwezige drugs. Hij is bovendien samen met een mededader het vuurwapen gaan regelen en heeft een stroomstootwapen ter beschikking gesteld voor de overval. Vervolgens is hij samen met de andere overvallers naar de woning gereden, en is hij tijdens de overval in de auto blijven wachten, terwijl hij met de andere twee overvallers telefonisch contact onderhield. Zo heeft de verdachte de overvallers aangespoord om op te schieten. Nadien heeft de verdachte de buit met de twee anderen verdeeld. De verdachte heeft dan ook zeer actief bijgedragen aan de woningoverval. Hoewel hij zelf geen geweld heeft gepleegd wist hij dat de twee wapens werden meegenomen (hij heeft deze nota bene zelf geleverd) en daarmee moet hij hebben voorzien dat deze bij de woningoverval zouden worden gebruikt, te meer nu de overval was gericht op het wegnemen van drugs (een zogenoemde ‘rip’ of ‘ripdeal’) waarbij naar algemene ervaringsregels het nodige geweld te verwachten is.

De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een pistool en een stroomstootwapen. Voor zover de raadsman heeft betoogd dat het voorhanden hebben van die wapens de verdachte tweemaal wordt verweten – te weten als strafverhogende factor bij de woningoverval en als apart feit toen ze werden aangetroffen – is de rechtbank van oordeel dat dit verweer niet slaagt. De verdachte had namelijk maanden na de woningoveral de wapens nog voorhanden. Dit latere bezit kan hem zonder meer apart worden toegerekend.

Met dit feit heeft de verdachte gezorgd voor het ongecontroleerd bezit van wapens, terwijl die wapens vrijwel uitsluitend kunnen worden gebruikt voor criminele activiteiten en terwijl het voorhanden hebben van die wapens het gebruik ervan in de hand werkt.

De rechtbank houdt er anderzijds rekening mee dat de verdachte zelf geen geweld heeft gebruikt, en bovendien dat hij openheid van zaken heeft gegeven bij de politie.

Omdat de verdachte zich ter terechtzitting van 21 juli 2016 op zijn zwijgrecht heeft beroepen is het voor de rechtbank onduidelijk gebleken hoe verdachtes inzicht is in diens gedrag en of hij daar spijt van heeft.

De verdachte is – blijkens een hem betreffend uittreksel uit het documentatieregister

van 13 mei 2016 – de afgelopen vijf jaren niet veroordeeld voor enig strafbaar feit.

Uit het reclasseringsadvies van het Leger des Heils, d.d. 20 april 2016, opgesteld door reclasseringswerker N.H.E. Huijten, wordt geadviseerd de verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met meerdere bijzondere voorwaarden.

Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat – met name gelet op de ernst van de woningoverval – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is. Omdat de duur van op te leggen gevangenisstraf de twee jaren overstijgt kan de rechtbank op grond van artikel 14a Sr, eerste lid, geen voorwaardelijk strafdeel opleggen.

7. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 375,00 (aan materiële schade) en € 3.000,00 (aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente.

7.1

De conclusie en de vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 3.375,00, ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 1] .

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair afwijzing en subsidiair niet-ontvankelijkverklaring van de vorderingen bepleit. Daartoe is aangevoerd dat sprake is van ‘eigen schuld’ (in de zin van art. 101 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek) bij de benadeelde partij, nu de schade voor een belangrijk deel het gevolg is van de aan de benadeelde partij toe te rekenen omstandigheid dat zich in de woning drugs bevonden. De raadsman heeft in dit verband verwezen naar ECLI:NL:RBNNE:2016:341518 en ECLI:NL:RVS:2013:608. In ieder geval zou in dit verband nader onderzoek naar de wetenschap bij de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] omtrent de aanwezigheid van drugs moeten plaatsvinden. Dat zal leiden tot een een onevenredige belasting van het strafgeding. Gelet hierop dient in ieder geval niet-ontvankelijkheid te volgen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Schade

Uit het schadeformulier volgt dat door het Schadefonds Geweldsmisdrijven reeds een uitkering ter zake letselgerelateerde schade aan de benadeelde partij heeft plaatsgevonden van € 5.000,00.

Artikel 6 lid 4 van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven bepaalt dat de Staat voor het uitgekeerde bedrag in de rechten van het slachtoffer treedt die deze ten aanzien van door hem geleden schade tegenover derden heeft. Dit brengt mee dat de rechten die een slachtoffer heeft ten opzichte van een derde (zoals de verdachte) overgaan op de Staat wanneer en voor zover het Schadefonds een uitkering doet ten aanzien van door deze derde veroorzaakte schade. De gevorderde schade is in haar geheel letselgerelateerd. Daarmee heeft de benadeelde geen vordering meer en kan deze dus in een procedure als onderhavige niet worden ontvangen.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 736,45 (aan materiële schade) en € 2.000,00 (aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente.

8.1

De conclusie en de vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.736,45, ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] .

8.2

Het standpunt van de verdediging

Zie overweging 7.2 voor (het hier gelijkluidende) standpunt van de verdediging.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde schade geldt hetzelfde als hiervoor onder 7.3 overwogen, met dien verstande dat de gevorderde materiële schade – deze is immers niet letselgerelateerd – niet door het Schadefonds Geweldsmisdrijven is vergoed. Daarin kan de benadeelde partij dus wel worden ontvangen.

Materiële schade

De vordering is ten aanzien van de gevorderde materiële schade door de verdediging niet betwist en is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit.

“Eigen schuld”

Dit verweer stuit reeds af op de omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat deze benadeelde partij heeft geweten dat in haar huis drugs werden bewaard.

De rechtbank zal derhalve de vordering hoofdelijk toewijzen tot een bedrag van € 736,45.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 15 juli 2015 toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van die datum is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 primair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 736,45, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 juli 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] .

9. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 3] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 2.000,00 (aan immateriële schade), te vermeerderen met de wettelijke rente.

9.1

De conclusie en de vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank aan verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 2.000,00, ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 3] .

9.2

Het standpunt van de verdediging

Zie overweging 7.2 voor (het hier gelijkluidende) standpunt van de verdediging, met dien verstande dat de verdediging hier geen eigen schuldverweer heeft gevoerd.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de door de benadeelde partij gevorderde schade geldt hetzelfde als hiervoor onder 7.3. overwogen. Dit betekent dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

10 De inbeslaggenomen goederen

10.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage A aan dit vonnis is gehecht) onder 1, 2 en 3 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer en dat de onder 4, 5 en 6 genummerde voorwerpen zullen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.

10.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van het beslag gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

10.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het onder 1 primair bewezenverklaarde feit is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting kan met betrekking tot de op de beslaglijst onder 4, 5 en 6 genummerde voorwerpen geen persoon als rechthebbende worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom de bewaring van deze voorwerpen ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

11 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

- 24 c, 36f, 57 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;

- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

12 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 4 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 2 en 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1 primair:

diefstal door twee of meer verenigde personen, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

ten aanzien van feit 2:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II.

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk in zijn vorderingen tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij [slachtoffer 1] in de kosten door de veroordeelde ter verdediging tegen de vordering gemaakt, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

wijst de vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2] , een bedrag van € 736,45 (aan materiële schade), vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 15 april 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan,

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige deel niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de staat van een bedrag groot € 736,45, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 15 april 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van slachtoffer [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 14 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1, 2 en 3 genummerde voorwerpen, te weten:

#1: een stroomstootwapen;

#2: vijf stuks munitie en

#3: een vuurwapen van het merk Tokarev, type TT-33, 7,62mm;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de op de beslaglijst onder 4, 5 en 6 genummerde voorwerpen, te weten:

#4: een motor van het merk Aprillia, met kenteken [kenteken 1] ;

#5: een motor van het merk Paiggio, met kenteken [kenteken 2] ;

#6: een frame, kleur oranje.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R. Elkerbout, voorzitter,

mr. A.P. Ploeger, rechter,

mr. E.A. Lensink, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.J. van Zelst, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 augustus 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2015212007, van de politie eenheid Den Haag, Districtsrecherche, District D, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 764).

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 68 en 69.1

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 29.

4 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 69.

5 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 68; Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p, 103.

6 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 1] , p. 30.

7 Proces-verbaal van aangifte door. [slachtoffer 1] , p. 30 en 31; Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] , p. 69 en 70.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 173.

9 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 2] , p. 88 en 89.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 388 t/m 392, 396 t/m 398.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 184 en 185.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 107.

13 Proces-verbaal van bevindingen 112 gesprek, p. 108.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 159.

15 Proces-verbaal van bevindingen, p. 191.

16 Proces-verbaal van bevindingen, p. 195.

17 Proces-verbaal van bevindingen, p. 121 en 122; proces-verbaal van bevindingen, p. 195.

18 In de pleitnota staat “ECLI:NL:HR….” in plaats van “ECLI:NL:RBNNEE…”. Gelet op het vermelde betreffende de Rechtbank Noord-Nederland en de inhoud van het vonnis bekend onder ECLI:NL:RBNNE:2016:3415 moet dat een verschrijving zijn.