Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:8934

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-08-2016
Datum publicatie
02-08-2016
Zaaknummer
09/817895-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Drie winkelovervallen, telkens bedreiging met geweld. Hogere gevangenisstraf bij weigeren medewerking (PBC)- rapportage en het doen van “risico-verhogende uitlatingen?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/817895-15

Datum uitspraak: 2 augustus 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats]

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden te Zoetermeer.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 13 juli 2015, 5 oktober 2015, 31 december 2015, 2 maart 2016, 26 mei 2016 (alle pro forma) en 19 juli 2016 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. T. Berger en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. A.R. Ytsma, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 27 maart 2015 te 's-Gravenhage, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] en/of [naam] ( [adres] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (ongeveer 250 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] en/of [naam] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestonden uit het

- leggen van een briefje op de toonbank met hierop de tekst 'stop het briefgeld in een papieren tas' en/of 'doe het geld in de zak, ik wil je niet bang maken, ik wil geen wapen gebruiken en zo, dus werk mee', althans een tekst van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- het (op dwingende toon) tegen die [slachtoffer] zeggen 'kom op, kom op' en/of 'joh kom op, wat er bij, dit kan niet alles zijn;

2.

hij op of omstreeks 31 maart 2015 te 's-Gravenhage, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer 100 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [naam] [adres] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 2] en/of [naam] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- bij de kassa staan met duidelijk zichtbaar een (groot) (vlees)mes in een hand en/of

- zeggen tegen die [slachtoffer 2] dat het hier om een overval ging, althans gebruiken van woorden waaruit die [slachtoffer 2] opmaakte dat het hier om een overval ging en/of (meermalen) (op dwingende toon) tegen die [slachtoffer 2] zeggen 'schiet op, sneller', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 1 april 2015 te 's-Gravenhage, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer 100 euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [naam] (gevestigd [adres] ), in elk geval aan een ander dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] en/of die [naam], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het

- onder zijn jas vandaan halen en (vervolgens) tonen van een (groot) (vlees)mes aan die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- richten van genoemd mes in de richting van die [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of

- ( op dwingende toon) tegen die [slachtoffer 3] en/of die [slachtoffer 4] zeggen 'La open, ik heb geld nodig' en/of dat hij meer geld wilde en/of 'Nog meer! Nog meer!', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

In de periode van 27 maart 2015 tot en met 1 april 2015 vonden in Den Haag een drietal winkelovervallen plaats. Bij een van deze winkelovervallen werd aan de kassamedewerkster een briefje gegeven, waarop stond dat het geld in een tas moest worden gedaan. Bij de twee andere winkelovervallen werd aan de betreffende kassamedewerkster een mes getoond. De vraag die voorligt is of de verdachte deze winkelovervallen heeft gepleegd.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de ten laste gelegde tekst op het briefje stond (feit 1) en dat voorts niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte een mes heeft gericht in de richting van [slachtoffer 3] (feit 3). Voor het overige heeft de raadsman zich met betrekking tot de bewezenverklaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de volgende feiten op grond van de gebezigde bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting volgt dat deze feiten niet ter discussie hebben gestaan. Deze kunnen zodoende zonder nadere motivering als vertrekpunt voor de beoordeling van de bewijsvraag dienen.

Feit 1: [naam] aan de [adres]

[slachtoffer] was op 27 maart 2015 werkzaam bij het filiaal van de [naam] aan de [adres]. Zij heeft verklaard dat zij achter de kassa stond en dat een man een briefje op de toonbank legde en dat zij toen dacht: ik word overvallen, dit is echt. Op het moment dat zij het briefje had gelezen en zij de man aan had gekeken hoorde zij de man tegen haar zeggen: “kom op, kom op”. Dit deed hij op een dwingende toon. Zij heeft toen de kassa geopend en in eerste instantie de briefjes van twintig euro en vijftig euro in de tas gedaan. Daarna heeft zij nog een stapeltje bankbiljetten van tien euro in de tas van die man gelegd. 2 In totaal betreft het een bedrag van € 250,-- .3

De verdachte heeft verklaard dat hij die dag bij de [naam] aan de [adres] een briefje op de toonbank heeft neergelegd met daarop een tekst waarop ongeveer hetzelfde stond als op een door de politie in beslag genomen briefje en dat hij tegen de vrouw achter de kassa heeft gezegd: “joh, kom op, wat erbij, dit kan niet alles zijn”.4 Op het in beslag genomen briefje stond: “Wil je geen pijn doen. Doe het papier geld in de plastic zak en snel. Wil niemand bang maken door met wapens te gaan zwaaien zo a.u.b. werk mee.”5

Feit 2: [naam] aan de [adres]

Op 31 maart 2015 was [slachtoffer 2] werkzaam bij het filiaal van de [naam] aan de [adres] . Zij heeft verklaard dat een man met beide armen de kassa vastpakte, dat hij op dat moment in zijn linkerhand een witte plastic tas en in zijn rechterhand een mes had. De man schreeuwde tegen haar waardoor [slachtoffer 2] begreep dat hij de inhoud van de kassa wilde. [slachtoffer 2] heeft de kassa opengedaan en zag dat de man al het papiergeld uit de kassa griste en in de witte plastic zak deed. Nadat de man de tas had gevuld zag zij dat hij heel hard wegrende naar de uitgang.6 Een [getuige] heeft verklaard dat de man maar bleef zeggen “schiet op, schiet op”.7

De verdachte heeft verklaard dat hij de [naam] aan de [adres] is binnengegaan en dat hij gelijk tegen de vrouw achter de kassa heeft gezegd dat ze de kassa open moest doen.

Op dat moment had hij een mes in zijn hand.8 Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat het om een groot mes ging.9

Na het opmaken van de kassa is gebleken dat de verdachte € 100,- heeft weggenomen.10

Feit 3: [naam] aan de [adres]

Op 1 april 2015 was [slachtoffer 3] werkzaam bij de [naam] aan de [adres] . Zij zag een man in de drogisterij die haar opviel. Zij zag dat de man een hand verstopt hield tussen zijn jas en zijn lichaam en dat hij kort daarna zij hand tevoorschijn haalde. [slachtoffer 3] zag dat hij een groot mes in zijn hand hield en dat hij het mes naar voren stak met de punt richting [naam] (rechtbank: [slachtoffer 4] ) en riep: “he joh, doe die la eens open”. Zij zag dat de man toen direct met zijn vrije hand in de kassalade graaide en dat hij bankbiljetten van 5, 10 en 20 euro pakte.11 [slachtoffer 4] heeft verklaard dat de man een mes onder zijn jas vandaan had getrokken, dat hij op dringende toon tegen haar zei: “la open, ik heb geld nodig”, dat hij tegen haar zei “ik wil meer" en dat hij het mes de hele tijd met de punt naar haar had gericht.12

De verdachte heeft verklaard dat hij in de [naam] was, dat hij met een mes in zijn hand naar de kassa is gelopen en dat de mevrouw achter de kassa gelijk de kassa opendeed. De verdachte heeft toen ongeveer € 100 uit de kassa gepakt en geroepen: “nog meer, nog meer”. Maar er was niet meer.13

Na het tellen van de kassa is gebleken dat de verdachte een bedrag van € 120,- heeft weggenomen.14

Nadere bewijsoverwegingen feiten 1 en 3

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank het volgende. De verdachte heeft verklaard dat op het briefje dat hij op de toonbank heeft gelegd ongeveer hetzelfde stond als op het briefje dat in beslag is genomen. Nu de tekst op het in het in beslag genomen briefje grote gelijkenis vertoont met de tekst zoals deze is opgenomen onder feit 1 in de tenlastelegging, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een briefje op de toonbank heeft gelegd met daarop een tekst van gelijke dreigende aard of strekking als de ten laste gelegde tekst.

Ten aanzien van feit 3 is de rechtbank met de raadsman van de verdachte van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte een mes heeft gericht in de richting van [slachtoffer 3] en dat de verdachte van dit onderdeel in de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

Conclusie

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten aanzien van de verdachte bewezen dat verdachte:

1.

op 27 maart 2015 te 's-Gravenhage, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (250 euro), toebehorende aan de [naam] , welke bedreiging met geweld bestond uit het

- leggen van een briefje op de toonbank met hierop de tekst 'stop het briefgeld in een papieren tas' en/of 'doe het geld in de zak, ik wil je niet bang maken, ik wil geen wapen gebruiken en zo, dus werk mee', althans een tekst van gelijke dreigende aard of strekking en

- het op dwingende toon tegen die [slachtoffer] zeggen 'kom op, kom op' en/of 'joh kom op, wat er bij, dit kan niet alles zijn’;

2.

op 31 maart 2015 te 's-Gravenhage, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (100 euro), toebehorende aan de [naam] ( [adres] , welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld bestond uit het

- bij de kassa staan met duidelijk zichtbaar een groot (vlees)mes in een hand en

- zeggen tegen die [slachtoffer 2] dat het hier om een overval ging, althans het gebruiken van woorden waaruit die [slachtoffer 2] opmaakte dat het hier om een overval ging en het meermalen tegen die [slachtoffer 2] zeggen 'schiet op`';

3.

op 1 april 2015 te 's-Gravenhage, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer 100 euro), toebehorende aan [naam] [adres] ), welke diefstal werd vergezeld van bedreiging met

geweld tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te

maken, welke bedreiging met geweld bestond uit het

- onder zijn jas vandaan halen en tonen van een groot (vlees)mes aan die [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en

- richten van genoemd mes in de richting van die [slachtoffer 4] en

- tegen die [slachtoffer 4] zeggen 'La open, ik heb geld nodig' en dat hij meer wilde en 'Nog meer! Nog meer!'.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:

ten aanzien van feit 1:

afpersing;

ten aanzien van feiten 2 en 3, telkens:

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er – mede gelet op de onder 6 te noemen rapporten met betrekking tot de persoon van de verdachte – geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren op te leggen. De officier van justitie heeft in dit kader aangevoerd dat de verdachte kampt met een hardnekkige harddrugsverslaving en met ernstige schuldenproblematiek die evenmin zomaar op te lossen is, ook niet met hulp van de gemeente Zoetermeer. Omdat de verdachte niet heeft meegewerkt aan de totstandkoming van voorlichtings- en adviesrapporten door de gedragsdeskundigen is er geen enkel inzicht in mogelijke onderliggende problematiek en is er evenmin een behandelperspectief. De verdachte heeft uit puur winstbejag op koele, berekenende drie ernstige en ingrijpende misdrijven gepleegd zonder rekening te houden met de gevolgen voor zijn slachtoffers. Hoewel de officier van justitie er niet voor vreest dat de verdachte op korte termijn zal overgaan tot het plegen van fysiek geweld, ligt het risico op escalatie wel op de loer. De verdachte heeft immers tegen de politie gezegd dat hij het een volgende keer anders en slimmer aan moet pakken. Als de verdachte vrij komt, moet er dus ernstig voor worden gevreesd dat verdachte opnieuw, maar dan ernstigere, strafbare feiten zal plegen. Zo lang verdachte niet bereid is serieus aan zijn problematiek te werken en daarbij adequate hulp te aanvaarden, moet de samenleving tegen hem worden beschermd door hem op te sluiten. Met een gevangenisstraf van vier jaar, die in verhouding zou staan tot de ernst van de feiten, kan het door verdachte uitgesproken ernstige gevaar van herhaling onvoldoende worden afgewend, zodat een gevangenisstraf van een buitenproportionele duur in dit geval passend is, aldus de officier van justitie.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie buitenproportioneel is en dat de door de officier genoemde omstandigheden de hoogte van deze straf niet rechtvaardigen. De verdachte heeft ter terechtzitting toegelicht dat zijn opmerking bij de politie dat hij het een volgende keer anders en slimmer zou moeten aanpakken, moet worden geplaatst in de dynamiek van een politieverhoor. Het was niet meer dan “stoerdoenerij” en mag niet worden opgevat als een concreet voornemen. De raadsman acht een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren reëel. Een gedeelte van deze straf zou bovendien als voorwaardelijke straf kunnen worden opgelegd, zodat de verdachte een stok achter de deur heeft om niet opnieuw de fout in te gaan.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

De verdachte heeft zich binnen een kort tijdsbestek van zeven dagen schuldig gemaakt aan drie overvallen op drogisterijen in Den Haag. Bij twee van deze overvallen heeft de verdachte onder dreiging van een mes de aanwezige medewerker gedwongen tot het openen van de kassalade zodat de verdachte daar geld uit kon wegnemen.

De verdachte heeft met zijn handelen alleen aan zijn eigen geldelijk gewin gedacht en niet aan de emotionele en psychische gevolgen voor de slachtoffers en de overige personen die hiervan ongewild getuige zijn geweest. Uit de verklaringen in het dossier en de schriftelijke slachtofferverklaring van [slachtoffer 3] blijkt dat de verdachte de slachtoffers en bezoekers van de drogisterijen angst heeft aangejaagd. [slachtoffer 3] heeft in de maanden na de overval last gehad van slaapproblemen en nachtmerries en zij blijft last houden van schrikmomenten als zij iemand met een grote bril of capuchon ziet. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke delicten nog gedurende langere tijd lichamelijke en/of psychische gevolgen van het gebeurde kunnen ondervinden, zeker indien de overval plaatsvindt in een omgeving waarin een slachtoffer dagelijks moet terugkeren (de werkomgeving). Bovendien maakt een gewapende overval een ernstige inbreuk op de rechtsorde en kunnen de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving hierdoor toenemen. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. De ernst van deze feiten maakt dat in beginsel – en behoudens bijzondere persoonlijke omstandigheden - geen andere modaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend is te achten.

Documentatie

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 3 april 2015, is hij talloze keren eerder met politie en justitie in aanraking gekomen ter zake van strafbare feiten. De verdachte is overwegend veroordeeld voor vermogensdelicten en hij kreeg vanwege het voortdurende delictgedrag in 2008 de ISD-maatregel opgelegd. Op 3 juli 2013 is de verdachte voor winkeldiefstal veroordeeld tot een deels voorwaardelijke werkstraf met een proeftijd van twee jaren, welke proeftijd loopt tot 16 juli 2016. Deze eerdere veroordeling en de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten in een proeftijd liep, hebben hem er kennelijk niet van weerhouden om de bewezenverklaarde feiten te plegen.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het Pro Justitia (weiger)rapport psychiatrisch onderzoek d.d. 25 augustus 2015, opgesteld door drs. B.E.A. van der Hoorn (psychiater);

  • -

    het Pro Justitia (weiger)rapport psychologisch onderzoek d.d. 13 september 2015, opgesteld door M.H. de Groot (psycholoog);

  • -

    het reclasseringsadvies van Palier Forensische & Intensieve zorg d.d. 23 juni 2015, opgesteld door I. de Leau-Schuller (reclasseringswerker);

  • -

    het Pro Justitia rapport NIFP locatie Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) d.d. 26 februari 2016, opgesteld door B.H. Boer (klinisch psycholoog) en G.H. van den Bosch (psychiater);

  • -

    het beknopte reclasseringsadvies niet meewerkende verdachte d.d. 29 februari 2016 van Palier Forensische & Intensieve zorg (hierna: Palier), opgesteld door R. Liekens-Willems (reclasseringswerker).

De rechtbank constateert dat door Van der Hoorn en de Groot geen psychiatrisch en psychologisch onderzoek kon worden verricht omdat de verdachte heeft geweigerd zijn medewerking daaraan te verlenen. Door de psycholoog wordt er evenwel melding van gemaakt dat er al jarenlang sprake is van afhankelijkheid van heroïne, waarvoor de verdachte onder behandeling staat. Beide rapporteurs hebben geadviseerd nader klinisch onderzoek naar de geestesgesteldheid van de verdachte in het PBC te doen verrichten.

Op 5 oktober 2015 heeft de rechtbank op grond van artikel 317 van het Wetboek van Strafvordering bevolen dat de verdachte ter observatie in het PBC wordt opgenomen.

De verdachte is vervolgens van 30 december 2015 tot 5 februari 2016 in het PBC opgenomen geweest en onderzocht door onder meer B.H. Boer (klinisch psycholoog) en G.H. van den Bosch (psychiater).

De verdachte heeft geweigerd zijn medewerking te verlenen aan de totstandkoming van het PBC-rapport. De rapporteurs hebben niet kunnen onderzoeken of aan het chronisch disfunctioneren van de verdachte op vele levensgebieden, naast afhankelijkheid van meerdere middelen, persoonlijkheidsproblematiek ten grondslag ligt. Op basis van alle beschikbare informatie kan afhankelijkheid van meerdere middelen (opiaten, cocaïne en cannabis), gedwongen in remissie, worden vastgesteld, welke ook aanwezig was ten tijde van het tenlastegelegde. Wegens onvoldoende onderzoek wordt een diagnose ten aanzien van de persoonlijkheid op as II uitgesteld. Wel wordt opgemerkt dat over langdurige harddrugsverslaving en hieraan gerelateerde delictpatronen in zijn algemeenheid bekend is dat het recidiverisico verhoogd is. Wegens gebrek aan inzicht in de persoonlijkheid van de verdachte, is het niet mogelijk om de samenhang tussen zijn delict gedrag, zijn verslaving en persoonlijkheid voldoende in kaart te brengen. Zodoende kan er geen onderbouwde uitspraak worden gedaan over door psychopathologie bepaalde risicofactoren en eventuele doorwerking in de tenlastegelegde feiten. De rapporteurs onthouden zich van een advies ten aanzien van de mate van toerekeningsvatbaarheid en een eventueel op te leggen straf en/of maatregel. De rechtbank kan gelet hierop niet vaststellen dat de verdachte ten tijde van de gepleegde feiten leed aan een ziekelijke stoornis dan wel een gebrekkig ontwikkeling van zijn geestvermogens.

Voornoemde rapportages bieden daarvoor te weinig houvast en ook uit de overige inhoud van het dossier kan dit niet worden afgeleid. Nu aldus niet anders is gebleken concludeert de rechtbank dat het bewezenverklaarde aan de verdachte kan worden toegerekend.

Naar aanleiding van het onderzoek door het PBC heeft Palier een aanvullend reclasseringsadvies opgemaakt, gedateerd 29 februari 2016. De verdachte heeft zijn medewerking aan dit onderzoek geweigerd. De reclassering concludeert dat sprake is van jarenlange middelenafhankelijkheid en acht gelet hierop een stevig justitieel kader met intensieve begeleiding behandeling in een klinische setting wenselijk, teneinde de kans op recidive te verminderen.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij niet bereid is om mee te werken aan verdere onderzoeken. Hij ziet, behoudens schuldhulpverlening, geen enkele meerwaarde in een behandeling of intensieve begeleiding.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat aannemelijk is dat de verdachte, ter vermindering van de kans op recidive, intensieve begeleiding en behandeling behoeft. Nu de verdachte heeft geweigerd mee te werken aan het onderzoek in het Pieter Baan Centrum, heeft hij echter de mogelijkheid tot een gedwongen behandeling – vooralsnog – uitgesloten. De rechtbank acht het zorgelijk dat verdachte weinig inzicht in de ernst van de feiten en zijn situatie vertoont. Hij is niet gemotiveerd zich te laten begeleiden en behandelen, omdat hij daarvan geen verbetering verwacht. Behandeling in een vrijwillig kader lijkt dan ook uitgesloten. Bovendien valt bij deze stand van zaken ook geen vermindering van de kans op recidive te verwachten indien die behandeling als voorwaarde aan een voorwaardelijk op te leggen strafdeel zou worden verbonden.

De rechtbank concludeert dat, gelet op het voorgaande, geen andere strafmodaliteit dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is te achten. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank geen aanleiding om, gelet op de houding en de verklaringen van de verdachte - ook die tegenover de politie dat hij het een volgende keer anders en slimmer moet aanpakken - een zodanig groter gevaar voor ernstige geweldsmisdrijven aanwezig te achten dat een buitenproportioneel hoge gevangenisstraf noodzakelijk is om dat gevaar af te wenden. Zonder nadere onderbouwing door gedragsdeskundigen en gelet op de toelichting van verdachte ter zitting kan immers niet worden vastgesteld of en zo ja, in welke mate de kans op geweldsrecidive hierdoor zodanig is verhoogd dat vanuit het oogpunt van speciale preventie een disproportioneel hoge strafoplegging zou zijn gerechtvaardigd.

De rechtbank zal daarom voor wat betreft de duur van de straf aansluiting zoeken bij de LOVS oriëntatiepunten en bij de straffen die in soortgelijke gevallen worden opgelegd. Het recidiverisico, dat uit het strafblad van verdachte en uit hetgeen de gedragsdeskundigen over hem hebben gerapporteerd kan worden gedestilleerd is hierin, naar het oordeel van de rechtbank, in voldoende mate verdisconteerd.

Gelet op al hetgeen hierboven is overwogen zal de rechtbank de verdachte een gevangenisstraf opleggen van vijf jaren, met aftrek van de tijd die hij reeds in voorarrest heeft doorgebracht, zijnde een straf van kortere duur dan de officier van justitie heeft gevorderd.

7 De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partijen hebben zich gevoegd:

  • -

    [naam] t.a.v [benadeelde] ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 284,35. Dit bedrag bestaat uit materiële schade;

  • -

    [naam] ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 920,-. Dit bedrag bestaat uit materiële schade;

  • -

    [slachtoffer 3] ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 847,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van ontstaan van de schade en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

7.1

De conclusie van de officier van justitie

De officier van justitie heeft met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen geconcludeerd tot:

- toewijzing van de vordering van [naam] t.a.v [benadeelde] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- toewijzing van de vordering van [naam] met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- gedeeltelijke toewijzing van de vordering van [slachtoffer 3] in die zin dat de hoogte van de schade wordt gematigd tot een bedrag van € 750,- en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht:

  • -

    de vordering van [naam] t.a.v [benadeelde] niet-ontvankelijk te verklaren nu kan worden aangenomen dat de verdachte alleen briefgeld heeft weggenomen en het gevorderde bedrag van € 284,35 daar niet op aansluit. Volgens de raadsman zal een inhoudelijke beoordeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren;

  • -

    de vordering van [naam] niet-ontvankelijk te verklaren nu deze vordering onduidelijk is en opheldering van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding zal opleveren;

  • -

    de hoogte van de vordering van [slachtoffer 3] te matigen, nu de casus waarnaar in de vordering wordt verwezen niet vergelijkbaar is.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

[naam] t.a.v. [benadeelde]

De rechtbank is van oordeel dat door de benadeelde partij voldoende is onderbouwd dat schade is geleden. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts vast komen te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde feit. Gelet op het verweer van de raadsman zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de bewezenverklaring en de hoogte van de schade begroten op € 250,-. Voor het overige deel van de vordering zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 250,-.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 250,- ten behoeve van de benadeelde partij [naam] t.a.v. [benadeelde]

[naam]

De rechtbank zal de vordering niet-ontvankelijk verklaren voor zover de vordering betrekking heeft op de post “omzetderving dag sluiting 1 april na overval”. Het is onduidelijk of de gevorderde schade daadwerkelijk ziet op omzetderving (zoals in de post beschreven) of dat deze post ziet op de kosten die zijn gemaakt ten behoeve van het personeel (zoals uit de overige omschrijving van de vordering en de bijlagen zou kunnen worden opgemaakt). De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat opheldering van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post “uit kassa ontvreemd geld” is voldoende onderbouwd door de benadeelde partij. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 120,-.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 120,- ten behoeve van de benadeelde partij [naam]

[slachtoffer 3]

Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij geen lichamelijk letsel heeft geleden en dat bij haar geen psychische beschadiging is vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij desalniettemin voldoende heeft onderbouwd dat schade is geleden. Het bestaan van schade is door de verdediging ook niet weersproken. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts vast komen te staan dat de benadeelde deze partij schade heeft geleden als rechtstreeks gevolg van het onder 3 bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht als vergoeding ter zake van immateriële schade een bedrag van € 400,- naar billijkheid toewijsbaar.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 400,- en afwijzen voor het overige.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag toewijzen vanaf
1 april 2015, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van deze datum is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 3 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 400,- vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 april 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 3] .

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 57, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 tot en met 3 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

afpersing;

ten aanzien van feiten 2 en 3 telkens:

diefstal, vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

benadeelde partij [naam] t.a.v. [benadeelde]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan

[naam] t.a.v. [benadeelde] een bedrag van € 250,- ter zake van materiële schade;

verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 250,- ter zake van materiële schade ten behoeve van [naam] t.a.v. [benadeelde] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

benadeelde partij [naam]

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan een bedrag van € 120,- ter zake van materiële schade;

verklaart de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 120,- ter zake van materiële schade ten behoeve van [naam] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

benadeelde partij [slachtoffer 3]

wijst de vordering tot schadevergoeding van immateriële schade gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan een bedrag van € 400,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 april 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

bepaalt dat de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige deel wordt afgewezen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot

€ 400,- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 1 april 2015 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [slachtoffer 3];

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 8 dagen;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Rootring, voorzitter,

mr. E.M.A. Vinken, rechter,

mr. J. Smeets, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Ekkart en F.H.B. Budde, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 augustus 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2015094357, van de politie eenheid Den Haag, districten Leiden - Bollenstreek/Den Haag-Zuid/Den Haag-West, Districtsrecherche Leiden - Bollenstreek/Den Haag-Zuid/Den Haag-West, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 298).

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 27 maart 2015, p. 39-41.

3 Proces-verbaal van bevindingen weggenomen bedrag [naam] , p. 90

4 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 250 (dikgedrukte tekst en 3e tot en met 5e alinea)

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 121 en foto p. 123 onderaan.

6 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 2] d.d. 31 maart 2015, p. 110-111

7 Proces-verbaal van verhoor [getuige] , p. 133

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 251 (dikgedrukte tekst en 3e alinea van onder).

9 Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 19 juli 2016

10 Proces-verbaal van bevindingen, p. 130

11 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 3] , p. 146-147

12 Proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 4] , p. 150-151

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 252 (dikgedrukte tekst en alinea’s daaronder).

14 Proces-verbaal van bevindingen, buit, p. 265 met bijlage p. 266