Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:8618

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
27-07-2016
Datum publicatie
27-07-2016
Zaaknummer
09/797257-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Haagse oud-politieagent vrijgesproken van verduistering

Op 27 juli 2016 heeft de rechtbank in Den Haag een 41-jarige oud-politieagent van bureau Hoefkade vrijgesproken van verduistering. Het Openbaar Ministerie had op 13 juli 2016 een taakstraf van 200 uur geëist voor het in eigen zak steken van drie contant betaalde bekeuringen.

Hoewel de betaalde bekeuringen niet zijn teruggevonden in de financiële administratie van de politie Eenheid Den Haag is de rechtbank van oordeel dat dit onvoldoende is om te concluderen dat de agent de bedoeling had om deze bedragen dan ook in eigen zak te steken. Daarbij is van belang dat uit het dossier is gebleken dat er bij de afdeling financiën vaker afgestorte bedragen open blijven staan die niet gekoppeld kunnen worden aan de betreffende bekeuringen. Ook is één van de bedragen teruggevonden in een afgesloten enveloppe in een ladeblok van de verdachte. De verdachte heeft daarover verklaard dat hij vergeten is deze bekeuring administratief af te handelen, omdat hij ten tijde van de administratieve verwerking van deze bekeuring werd weggeroepen voor een melding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/797257-15

Datum uitspraak: 27 juli 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [woonadres] te [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 13 juli 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.C. Stolk en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. W.J.J. Trooster, advocaat te Vlaardingen, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 maart 2012 tot en met 19 augustus 2013 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, terwijl hij met enige openbare dienst was belast, opzettelijk één of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele

toebehoord(en) aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] , althans aan enige openbare kas en/of de Nederlandse Staat en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als politieagent werkzaam bij politiebureau Hoefkade onder zich had, heeft verduisterd;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op één of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 12 maart 2012 tot en met 19 augustus 2013 te ‘s-Gravenhage, althans in Nederland, opzettelijk één of meerdere geldbedrag(en), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] , althans aan enige openbare kas en/of de Nederlandse Staat, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking van/als politieagent werkzaam bij politiebureau Hoefkade, in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend

3 Vrijspraak

3.1

Inleiding

Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt de rechtbank het volgende vast.

De verdachte was in de ten laste gelegde periode werkzaam in de functie senior Bpz (basispolitiezorg) bij de politie Eenheid Den Haag, bureau Hoefkade.

Op 12 maart 2012 heeft de verdachte een beschikking uitgeschreven aan de heer [betrokkene 1] ter hoogte van € 226,- wegens het niet stoppen voor rood licht. [betrokkene 1] heeft dit bedrag diezelfde dag nog contant voldaan. Na onderzoek wordt de betaling echter niet teruggevonden in de administratie van de politie Eenheid Den Haag.

Op 26 juli 2012 heeft de verdachte een beschikking uitgeschreven aan de heer [betrokkene 3] ter hoogte van € 126,- wegens het overtreden van bord F7. [betrokkene 3] heeft dit bedrag diezelfde dag nog contant voldaan. Na onderzoek wordt de betaling echter niet teruggevonden in de administratie van de politie Eenheid Den Haag.

Op 19 augustus 2013 heeft de verdachte een beschikking uitgeschreven aan de heer [betrokkene 2] ter hoogte van aanvankelijk € 227,- wegens het buiten noodzaak stilstaan op de vluchtstrook. Later die dag heeft de verdachte een nieuwe beschikking uitgeschreven van

€ 137,- wegens het overschrijden van een doorgetrokken streep en heeft hij de beschikking van € 227,- als fout aangemerkt. [betrokkene 2] heeft de boete van € 137,- diezelfde dag nog voldaan door aan de verdachte een bedrag van € 140,- contant te betalen en afstand te doen van € 3,-. Na onderzoek wordt de betaling echter niet teruggevonden in de administratie van de politie Eenheid Den Haag. Op 4 februari 2014 wordt in het ladeblok van de verdachte op bureau Hoefkade een afgesloten betex enveloppe aangetroffen met daarin onder meer een bedrag van € 140,- en een afschrift van een strafbeschikking van € 227,- uitgeschreven aan de heer [betrokkene 2] .

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich ten aanzien van alle drie de beschikkingen op het standpunt gesteld dat deze door de verdachte zijn uitgeschreven, dat de bedragen op de betreffende beschikkingen contant zijn betaald, dat de verdachte dit geld in ontvangst heeft genomen en dat geen van de bedragen is terug te vinden in het grootboek of in de kluisregisterboeken van de politie Eenheid Den Haag. Nu de bedragen van € 226,- ( [betrokkene 1] ) en € 126,- ( [betrokkene 3] ) bovendien niet op bureau Hoefkade zijn teruggevonden, acht de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde feit.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezen en heeft de rechtbank verzocht de verdachte daarvan vrij te spreken.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de beschikkingen van 12 maart 2012 en 26 juli 2012

De rechtbank overweegt dat de verdachte op 12 maart 2012 en 26 juli 2012 beschikkingen heeft uitgeschreven van respectievelijk € 226,- en € 126,- en dat deze bedragen op 12 maart 2012 en 26 juli 2012 contant zijn betaald aan de verdachte. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren wat hij met de ontvangen geldbedragen heeft gedaan. Uit de enkele omstandigheid dat deze geldbedragen vervolgens niet in het grootboek of de kluisregisterboeken zijn teruggevonden van de politie Eenheid Den Haag, kan naar het oordeel van de rechtbank niet met zekerheid worden afgeleid dat deze geldbedragen niet door de verdachte zijn afgestort. Immers heeft [verbalisant 1] , plaatsvervanger van ploegchef Bonnen en Transacties [verbalisant 2] , verklaard dat er bij financiën wel bedragen open blijven staan, in die zin dat er betalingen zijn gedaan in verband met mini processen-verbaal, maar dat deze bedragen niet te koppelen zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan zodoende niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de betreffende gelden zijn onttrokken aan hun bestemming, dan wel verduisterd.

Ten aanzien van de beschikking van 19 augustus 2013

De rechtbank overweegt dat de verdachte op 19 augustus 2013 een beschikking heeft uitgeschreven van € 137,- aan de heer [betrokkene 2] en dat [betrokkene 2] diezelfde dag een bedrag van € 140,- contant heeft betaald aan de verdachte. Hoewel vast staat dat de verdachte de kluisprocedure vervolgens niet heeft gevolgd en het bedrag van € 140,- niet is afgestort en in de financiële administratie van de politie Eenheid Den Haag is verwerkt, ziet de rechtbank in het dossier geen enkel aanknopingspunt dat zou kunnen leiden tot de conclusie dat de verdachte dit geldbedrag opzettelijk zou hebben verduisterd, dan wel dat zijn opzet erop was gericht het geld, zelfs ook maar tijdelijk, aan de bestemming waarvoor hij het onder zich had, te onttrekken. De door de verdachte geschetste gang van zaken op het bureau die dag, dat hij deze bekeuring is vergeten administratief af te handelen, omdat hij ten tijde van de administratieve verwerking van deze beschikking is weggeroepen voor een melding, komt de rechtbank niet onaannemelijk voor. De rechtbank acht voorts van belang dat het bedrag van € 140,- is teruggevonden in een afgesloten betex enveloppe in het ladeblok van de verdachte met daarin ook een afschrift van (één van) de strafbeschikking(en) uitgeschreven aan de heer [betrokkene 2] .

Conclusie

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de primair en subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en zal de verdachte daarvan vrijspreken.

Overweging ten overvloede

De rechtbank merkt ten overvloede op dat zij vraagtekens plaatst bij de wijze waarop het onderzoek naar de ten laste gelegde feiten is aangevangen en (vervolgens) – anders dan te doen gebruikelijk bij een dergelijke verdenking - is uitgevoerd door ambtenaren die deel uitmaken van de hiërarchische lijn van bureau Hoefkade. Met betrekking tot het onderzoek naar de inhoud van het kluisje en het bureau van de verdachte zijn kennelijk onderzoekshandelingen door ambtenaren uit deze lijn verricht waarbij mogelijk niet overeenkomstig het voor dat onderzoek geldende protocol is gehandeld en waarvan de rechtbank geen op ambtseed opgemaakte processen-verbaal in het strafdossier heeft aangetroffen.

4 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding primair en subsidiair tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. Smeets, voorzitter,

mr. S.M. de Bruijn, rechter,

mr. M. Rootring, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.A. Beckers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 juli 2016.