Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:8611

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
06-09-2016
Zaaknummer
C/09/486920 / HA ZA 15-476
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen sprake van verkrijgende dan wel extinctieve verjaring van een recht van erfpacht op een binnenplaats, omdat eiser geen bezitsdaden ten aanzien van het recht van erfpacht heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank dient voor de inbezitneming van het recht van erfpacht op de binnenplaats in ieder geval het betalen van de canon als gedraging te worden aangemerkt die alleen door de rechthebbende van dat recht van erfpacht wordt verricht. Niet eiser maar gedaagde heeft de canon betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/486920 / HA ZA 15-476

Vonnis van 27 januari 2016

in de zaak van

[A] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. E.C.J. Ris te Amsterdam,

tegen

1 [B] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

2. [C],

wonende te [woonplaats 1] ,

3. [D],

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie

advocaat mr. E. Lolcama te Den Haag.

Partijen zullen hierna [A] en [B] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 23 maart 2015 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 29 juli 2015, waarin een comparitie van partijen is bevolen;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 8 december 2015 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

In conventie en reconventie

2.1.

[A] is sinds 1993 eigenaar van het pand op de [adres 1] in [plaats] , kadastraal bekend gemeente [Gemeente] [nummer 1] (voorheen [nummer 2] en [nummer 3] , hierna: de woning) en sinds 1999 van het pand aan de [adres 2] , kadastraal bekend gemeente [Gemeente] [nummer 4] (hierna: de garage). De percelen waarop deze panden zijn gelegen zijn door de gemeente [Gemeente] in erfpacht uitgegeven aan [A] .

2.2.

[B] c.s. is eigenaar van het pand aan de [adres 3] in [plaats] , kadastraal bekend gemeente [Gemeente] [nummer 5] , en het naastgelegen pand aan de [adres 4] , kadastraal bekend gemeente [Gemeente] [nummer 5] . Ook de percelen waarop de panden van [B] c.s. zijn gelegen zijn door de gemeente [Gemeente] in erfpacht uitgegeven.

2.3.

De percelen waarop partijen het recht van erfpacht hebben, grenzen aan de achterzijde aan elkaar. Achter het pand aan de [adres 4] bevindt zich een binnenplaats. Deze binnenplaats behoort volgens de kadastrale kaart tot het aan [B] c.s. in erfpacht uitgegeven perceel [nummer 5] . De binnenplaats is zowel vanuit het pand van [B] c.s. als vanuit de woning van [A] toegankelijk. Op de binnenplaats is op enig moment een laag plastic, aarde en tegels aangebracht.

2.4.

[A] maakt sinds 1993 gebruik van de binnenplaats. Nadat [A] zijn woning in eigendom heeft verkregen, heeft hij een schutting geplaatst op een afstand van 75 centimeter van de achtergevel van het pand van [B] c.s. [B] c.s. heeft deze schutting in het voorjaar van 2014 verwijderd.

2.5.

In de correspondentie tussen partijen voorafgaand aan deze procedure heeft [A] zich op het standpunt gesteld dat hij door verjaring de volle eigendom over de binnenplaats heeft verkregen.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[A] vordert – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad – samengevat:

  1. te verklaren voor recht dat [A] door verjaring een recht van erfpacht ten aanzien van de binnenplaats heeft verkregen;

  2. veroordeling van [B] c.s. tot medewerking aan de inschrijving van het recht van erfpacht ten aanzien van de binnenplaats in het kadaster;

  3. veroordeling tot terugplaatsing van de schutting, op straffe van een dwangsom van € 200,00 per dag;

met veroordeling van [B] c.s. in de kosten van de procedure en de nakosten.

3.2.

Aan zijn vorderingen legt [A] ten grondslag dat hij door verkrijgende verjaring het recht van erfpacht op de binnenplaats in eigendom heeft gekregen. [A] heeft vanaf de aankoop van zijn woning in 1993 gedurende meer dan tien jaar te goeder trouw het bezit van het recht van erfpacht op de binnenplaats gehad. Voor de rechthebbenden van de binnenplaats was duidelijk dat [A] pretendeerde erfpachter te zijn, nu hij zich met het plaatsen van de schutting en het gebruik van de binnenplaats de exclusieve macht over de binnenplaats heeft verschaft. Subsidiair beroept [A] zich op extinctieve verjaring, nu hij meer dan twintig jaar het bezit van het recht van erfpacht op de binnenplaats heeft gehad.

3.3.

Aan zijn vordering onder c. legt [A] ten grondslag dat [B] c.s. onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door de schutting, die tot zijn eigendom behoort, te verwijderen.

3.4.

[B] c.s. voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.6.

[B] c.s. vordert samengevat - veroordeling van [A] tot:

  1. verwijdering van de laag plastic, aarde en tegels van de binnenplaats op straffe van een dwangsom;

  2. veroordeling van [A] tot betaling van een vergoeding voor het gebruik van de binnenplaats;

  3. veroordeling van [A] tot afsluiting van de toegangsdeur tot de binnenplaats op straffe van een dwangsom.

3.7.

Aan haar vordering legt [B] c.s. ten grondslag dat de binnenplaats door de laag plastic, aarde en tegels te zwaar wordt belast, waardoor deze is verzakt en uitwatert op de tussen de binnenplaats en het pand van [B] c.s. gelegen strook grond. Daardoor ontstaat er gevaar voor wateroverlast. Nu door [A] of zijn rechtsvoorganger de laag plastic, aarde en tegels is aangebracht, dient [A] deze te verwijderen, aldus [B] c.s.

3.8.

Aan haar vordering onder b. legt [B] c.s. ten grondslag dat nu [A] gebruik heeft gemaakt van de binnenplaats en [B] de canon heeft betaald voor de binnenplaats, [A] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van [B] . Om die reden is [A] een gebruiksvergoeding verschuldigd aan [B] c.s.

3.9.

Aan haar vordering onder c. legt [B] c.s. ten grondslag dat indien de vorderingen van [A] in conventie worden afgewezen, [A] niet meer gerechtigd is de binnenplaats te betreden.

3.10.

[A] voert verweer.

3.11.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de binnenplaats kadastraal tot het perceel dat in erfpacht aan [B] c.s. is uitgegeven behoort. [A] stelt evenwel dat hij door verkrijgende verjaring als bedoeld in artikel 3:99 BW dan wel door extinctieve verjaring als bedoeld in artikel 3:105 BW de eigendom heeft gekregen van het recht van erfpacht op de binnenplaats.

4.2.

Voor een geslaagd beroep op zowel artikel 3:99 BW als artikel 3:105 BW is het bezit van het recht van erfpacht op de binnenplaats van [A] vereist. Bezit is het houden van een goed voor zichzelf (artikel 3:107 BW). Of daarvan sprake is, dient te worden beoordeeld naar de verkeersopvatting op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). De uiterlijke feiten blijken uit bezitsdaden, dat wil zeggen gedragingen die normaal gesproken alleen de rechthebbende van dat goed verricht. Eén van de wijzen van bezitsverkrijging is inbezitneming (artikel 3:112 BW). Men neemt een goed in bezit door zich daar de feitelijke macht over te verschaffen, waarbij geldt dat, wanneer een goed in het bezit van een ander is, enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen onvoldoende zijn voor inbezitneming (artikel 3:113 lid 2 BW). De enkele wil om als rechthebbende op te treden is niet voldoende voor het zijn van bezitter. Het komt aan op de uiterlijke omstandigheden, waaruit de wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden.

4.3.

[A] heeft aangevoerd dat hij bezitter is geworden van het recht van erfpacht toen hij zijn woning kocht en het recht van erfpacht op zijn perceel heeft verkregen. Sindsdien heeft hij – met uitsluiting van derden, waaronder [B] c.s. – de feitelijke macht over de binnenplaats uitgeoefend. Die feitelijke macht bestond eruit dat hij gebruikmaakte van de binnenplaats en het plaatsen van de schutting. De schutting fungeerde bovendien als erfafscheiding. Die twee handelingen moeten als bezitsdaden ten aanzien van het recht van erfpacht worden aangemerkt, aangezien hij zich daarmee als eigenaar op de grond van een ander heeft gedragen en dat is kenmerkend voor het recht van erfpacht, aldus [A] .

4.4.

Anders dan [A] betoogt, zijn die omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot de conclusie te komen dat sprake is van inbezitneming van het recht van erfpacht. Het in gebruik nemen van een stuk grond is niet een feitelijke gedraging die specifiek wijst op het in bezit nemen van het recht van erfpacht. Dat geldt eveneens voor het plaatsen van de schutting. Die handelingen zijn geen bezitsdaden die erop duiden dat [A] het recht van erfpacht pretendeert en de grond niet bijvoorbeeld als eigenaar onder zich neemt. [A] heeft zich in eerste instantie ook op het standpunt gesteld dat hij het recht van eigendom van de binnenplaats heeft verkregen.

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank dient voor de inbezitneming van het recht van erfpacht op de binnenplaats in ieder geval het betalen van de canon als gedraging te worden aangemerkt die alleen door de rechthebbende van dat recht van erfpacht wordt verricht (zie in dit verband de Toelichting Meijers bij art. 3.5.4 (art. 3:110), Parlementaire Geschiedenis Boek 3, p. 430-431). Het is evenwel komen vast te staan dat niet [A] , maar [B] c.s. de canon voor het recht van erfpacht op de binnenplaats heeft betaald. [B] c.s. heeft ter zitting onweersproken toegelicht dat zij halfjaarlijks de canon over de percelen die aan haar in erfpacht zijn uitgegeven betaalt. Nu blijkens de kadastrale kaart alsmede de tekening die hoort bij de akte van heruitgifte in erfpacht de binnenplaats tot haar perceel behoort, bestrijkt die canon mede de binnenplaats. Ter zitting heeft [A] zich op het standpunt gesteld dat de canon die hij betaalde over het perceel dat aan hem in erfpacht is uitgegeven ook betrekking had op de binnenplaats. Dat betoog slaagt niet, nu uit de akte van heruitgifte in erfpacht van 22 februari 2002, in samenhang bezien met de kadastrale kaart waar in die akte naar wordt verwezen, volgt dat de canon die [A] betaalt uitsluitend ziet op het aan hem uitgegeven recht van erfpacht en derhalve niet (ook) betrekking heeft op de binnenplaats.

4.6.

Nu niet is voldaan aan de vereiste van bezit, is [A] niet door verkrijgende verjaring, noch door extinctieve verjaring, eigenaar geworden van het recht van erfpacht op de binnenplaats. Dat betekent dat de vorderingen van [A] onder a. en b. dienen te worden afgewezen. De vordering tot terugplaatsing van de schutting (c.) zal eveneens worden afgewezen. Nu [B] c.s. het recht van erfpacht van de binnenplaats heeft, hoeft zij niet te dulden dat op die binnenplaats een schutting van [A] staat.

4.7.

[A] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van [B] c.s. worden begroot op:

- griffierecht 285,00

- salaris advocaat 904,00 (2 punten x € 452,00 (tarief II))

Totaal € 1.189,00

4.8.

Ten aanzien van de vordering van [B] c.s. tot vergoeding in de nakosten overweegt de rechtbank dat daarvoor geen grond bestaat, nu de kostenveroordeling ook voor de nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

In reconventie

4.9.

In reconventie heeft [B] c.s. om te beginnen gevorderd dat [A] de laag plastic, aarde en tegels die op de binnenplaats ligt verwijdert. Die laag brengt volgens [B] c.s. een risico op wateroverlast met zich mee. Nu [A] die laag heeft aangebracht, dient hij die te verwijderen. [A] betwist dat hij die laag heeft aangebracht. Tegenover die betwisting heeft [B] c.s. haar stelling niet nader onderbouwd. Daarmee kan niet worden vastgesteld dat [A] degene is geweest die de betreffende laag heeft aangebracht. Van [A] kan dan ook niet worden verlangd dat hij die laag verwijdert. Dit leidt ertoe dat de reconventionele vordering onder I zal worden afgewezen.

4.10.

Voorts heeft [B] c.s. een vergoeding voor het gebruik van de binnenplaats gevorderd. [A] is door gebruikmaking van de binnenplaats zonder daarvoor te hebben betaald, ongerechtvaardigd verrijkt, aldus [A] .

4.11.

Ingevolge artikel 6:212 BW is slechts dan sprake van ongerechtvaardigde verrijking, indien de verrijking ten koste is gegaan van [B] c.s. [B] c.s. heeft nagelaten (onderbouwd) te stellen dat zij is verarmd doordat [A] gebruik maakte van de binnenplaats. De vordering onder II zal reeds om die reden eveneens worden afgewezen.

4.12.

Tot slot heeft [B] c.s. gevorderd dat [A] de deur die toegang geeft tot de binnenplaats afsluit. [A] heeft ten verwere aangevoerd dat hij er belang bij heeft dat de toegangsdeur in geval van nood beschikbaar blijft. Voorts heeft hij aangegeven dat hij de binnenplaats niet meer zal betreden indien in conventie wordt geoordeeld dat hij geen recht van erfpacht heeft verkregen op de binnenplaats. Gelet hierop bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen grond om [A] te veroordelen tot het sluiten van de toegangsdeur. Die vordering zal dan ook eveneens worden afgewezen.

4.13.

[B] c.s. zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [A] worden begroot op € 904,00 aan salaris advocaat (2 punten x € 452,00 (tarief II)).

5 De beslissing

De rechtbank

In conventie

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] c.s. tot op heden begroot op € 1.189,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de dagtekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

In reconventie

5.3.

wijst de vorderingen af,

5.4.

veroordeelt [B] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [A] tot op heden begroot op € 904,00,

5.5.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling onder 5.4 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Honée en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2016.1

1 type: coll: