Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:8372

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
27-07-2016
Zaaknummer
NL16.1400 NL16.1408
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Oekraïne

- dienstplicht

- ongeloofwaardig

- oproepen

- zevende mobilisatieronde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL 16.1400 en NL 16.1408

V-nummers: [nummer 1] en [nummer 2]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 30 juni 2016 in de zaken tussen

[naam 1], eiser,

[naam 2], eiseres,

tezamen: eisers,

gemachtigde: mr. M.S. Yap,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. D.P.A. van Laarhoven.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen de besluiten van verweerder van 4 juni 2016 (de bestreden besluiten).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2016. Eisers hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. A. Greve-Kortrijk, waarnemer van hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum 2] en bezit de Oekraïense nationaliteit. Eiseres is geboren op [geboortedatum 1] en bezit eveneens de Oekraïense nationaliteit. Eiseres is de schoonzus van eiser. Beiden hebben op 23 april 2016 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Aan de aanvraag van eiser ligt ten grondslag dat hij is opgeroepen voor militaire dienst. Bij zijn ouderlijk huis, waar eiser officieel staat ingeschreven, zijn vanaf maart 2016 twee oproepen afgegeven. Een derde oproep is door drie militairen persoonlijk aan eiser overhandigd op zijn woonadres. Hij heeft deze oproep in ontvangst genomen maar niet getekend en de militairen beloofd zich de volgende dag te zullen komen melden. Diezelfde avond is eiser samen met zijn schoonzus gevlucht. Eiser vreest bij terugkeer te worden vervolgd als dienstweigeraar. Aan de aanvraag van eiseres ligt ten grondslag dat zij problemen heeft met haar schoonmoeder en –zus, die uit zijn op de uitkering die haar echtgenoot krijgt wegens opgelopen letsel in militaire dienst. Haar jongere zus vroeg haar die betreffende dag om met haar zwager mee te gaan.

3. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder acht de identiteit en nationaliteit van eisers geloofwaardig. Het relaas van eiser acht verweerder ongeloofwaardig, onder meer gelet op het volgende. Eiser heeft zijn relaas niet met documenten onderbouwd, terwijl hij in ieder geval drie oproepen stelt te hebben ontvangen. De derde oproep, die de directe aanleiding was voor zijn vlucht, heeft eiser op de dag van vertrek gekregen. Voorts weet eiser niet wat er precies in de oproepen stond en kan hij de data niet noemen waarop de oproepen zijn ontvangen. Hij heeft slechts verklaard dat dit zich in maart 2016 afspeelde. Eisers vermoedens dat de oproepen te maken hebben met de zevende mobilisatieronde zijn strijdig met openbare informatie over het bestaan en het tijdstip van deze mobilisatieronde. Daarnaast is opmerkelijk dat eiser de in persoon aan hem overhandigde oproep niet hoefde te ondertekenen en kon volstaan met de belofte dat hij zich de volgende dag zou melden, te meer nu het militair commissariaat kennelijk moeite heeft gedaan om eisers woonadres te achterhalen. Het relaas van eiseres is volgens verweerder onvoldoende zwaarwegend voor verlening van een asielvergunning.

4. Eiser betwist gemotiveerd het standpunt van verweerder voor zover dat inhoudt dat het asielrelaas ongeloofwaardig is. Hij heeft geen documenten overgelegd omdat hij met grote haast is vertrokken. De derde oproep is hij kwijtgeraakt. Eiser is er (nog) niet in geslaagd om documenten op te laten sturen. Uit verschillende openbare bronnen blijkt dat onduidelijkheid bestaat over de afkondiging van een zevende mobilisatieronde, zodat eisers vermoedens dat hij in het kader hiervan is opgeroepen moeten worden gevolgd. Eiser doet een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juni 2016 (AWB 16/9544) waarin de vreemdeling eveneens vermoedde dat hij werd opgeroepen in het kader van de zevende mobilisatieronde en zijn verklaringen wel geloofwaardig werden geacht door verweerder. De omstandigheid dat eiser kon ontkomen aan het ondertekenen van de oproep is niet bevreemdend nu uit openbare bron blijkt dat de Oekraïense autoriteiten enerzijds creatief zijn in het mobiliseren maar anderzijds laks in het afhandelen van oproepen. Eiser heeft bij terugkeer te vrezen voor de autoriteiten wegens het ontduiken van dienstplicht. Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer vervolgd kan worden omdat zij hulp heeft verleend aan een dienstplichtontduiker.

De rechtbank overweegt als volgt.

5. Verweerder kon zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt stellen dat het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig is. Hiertoe is het volgende van belang. Verweerder heeft eiser kunnen tegenwerpen dat hem te verwijten valt dat hij de ontvangen oproepen niet heeft meegenomen. De oproepen vormen immers een essentieel onderdeel van zijn asielrelaas. Met name valt niet in te zien waarom eiser de derde oproep niet heeft kunnen overleggen, nu hij stelt dat die in persoon aan hem is uitgereikt op de dag van zijn vlucht en nu die oproep de directe aanleiding voor zijn vlucht was. De enkele stelling dat hij de oproep is kwijtgeraakt is niet aannemelijk. Evenmin is aangetoond dat is getracht de andere twee oproepen door zijn familie te laten opsturen. Ook overigens is niet aannemelijk gemaakt dat eiser daadwerkelijk is opgeroepen.

6. Niet in geschil is verder dat in de door eiser overgelegde stukken slechts wordt gesproken over de mogelijkheid van een zevende mobilisatieronde. Uit de stukken blijkt niet dat reeds mensen zijn of zullen worden opgeroepen in het kader van deze mobilisatieronde. De enkele stelling van eiser dat de praktijk van oproepen lokaal varieert is onvoldoende om zijn vermoedens hieromtrent te volgen. De onder 4 genoemde uitspraak waar eiser naar verwijst maakt dit niet anders. Uit die uitspraak blijkt immers dat verweerder geloofwaardig achtte dat de vreemdeling reeds vijf of zes keer was benaderd met een oproep, buiten een mobilisatieronde om. De rechtbank achtte om die reden de vraag of sprake was van een zevende mobilisatieronde niet van doorslaggevend belang voor de geloofwaardigheid van een nieuwe, zevende, oproep. Ten slotte strookt de stelling van eiser dat hij weg kon komen zonder de derde oproep te ondertekenen omdat de autoriteiten laks zijn in het afhandelen van oproepen niet met zijn verklaringen dat hij direct na ontvangst van de derde oproep haastig is gevlucht om aan diezelfde autoriteiten te ontkomen. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meerdere oproepen heeft ontvangen teneinde te dienen in het leger dan wel dat op een andere wijze is getracht hem te mobiliseren voor de gewapende strijd.

6. Nu vooralsnog niet is gebleken dat sprake is van een zevende mobilisatieronde en bovendien niet aannemelijk is dat eiser in dat geval zal worden opgeroepen, is niet aannemelijk dat eiser in de toekomst een oproep zal ontvangen en als dienstweigeraar zal worden gezien. Aan de bespreking van eventuele gewetensbezwaren of het risico op veroordeling komt de rechtbank dan ook niet toe.

7. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder zich voorts op het standpunt stellen dat het relaas van eiseres onvoldoende zwaarwegend is om over te gaan tot het verlenen van een asielvergunning. De problemen van eiseres in het land van herkomst zijn niet asielgerelateerd. De stelling dat eiseres risico loopt te worden veroordeeld wegens het bieden van hulp aan een dienstplichtontduiker is niet nader onderbouwd en gelet op hetgeen hiervoor overwogen niet aannemelijk.

8. De beroepen zijn ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.Y.M. van Deijck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.