Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:833

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
01-02-2016
Datum publicatie
01-02-2016
Zaaknummer
09/819806-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht. Toetsing aan de bepalingen van Richtlijn 2008/115/EG, de Terugkeerrichtlijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/819806-15

Datum uitspraak: 1 februari 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteland] ,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in de penitentiaire inrichting Haaglanden, locatie Zoetermeer, te Zoetermeer.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 18 januari 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. C.M. Offers en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. K. Renssen, advocaat te Den Haag, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 november 2015 te 's-Gravenhage, in elk geval in Nederland, als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000, in elk geval op grond van enig wettelijk voorschrift, tot ongewenst vreemdeling was verklaard

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 30 november 2015 als ongewenst vreemdeling in Nederland (namelijk in Den Haag) heeft verbleven.

De rechtbank zal achtereenvolgens bezien of verdachte op 30 november 2015 in Den Haag was, of hij toen ongewenst was verklaard, of de grondslag hiervan rechtmatig was en of verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat hij ten tijde van het feit ongewenst was verklaard.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte wist dat hij bij beschikking van d.d. 21 juni 2011 tot ongewenst vreemdeling was verklaard, aangezien deze beschikking in persoon aan hem is uitgereikt. Voor het overige zijn er naar haar mening ook geen redenen om aan te nemen dat de beschikking in strijd is met enige rechtstreeks werkende bepalingen van het Europees Unierecht.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van het ten laste gelegde bepleit. Hij stelt zich op het standpunt dat verdachte niet wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard, aangezien hij de Nederlandse taal niet machtig is en daarom de uitgereikte beschikking niet kon lezen. Voorts is verdachte de Engelse taal niet machtig, waardoor hij de verbalisant die de strekking van de beschikking aan verdachte meedeelde, niet goed kon begrijpen. Hij kon dus zelfs niet vermoeden dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Was verdachte op de datum in geding in Den Haag en was hij ongewenst verklaard?

Op 30 november 2015 werd verdachte aangehouden in Den Haag.2 Bij beschikking van de IND van 21 juni 2011 is hij tot ongewenst vreemdeling verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.3

Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte op 30 november 2015 in Den Haag was, terwijl hij ongewenst was verklaard.

Gesteld noch gebleken is, dat de grondslag van de ongewenstverklaring niet rechtmatig is.

Wist verdachte of had hij ernstige redenen om te vermoeden dat hij ongewenst was?

De beschikking van 21 juni 2011 is op 29 juni 2011 aan verdachte in persoon uitgereikt.4 Daarbij heeft een verbalisant de inhoud en de strekking van de betreffende beschikking in de Engelse taal, die volgens deze verbalisant door zowel hem als verdachte wordt beheerst, toegelicht. Voorts heeft hij verdachte gewezen op de toe te passen rechtsmiddelen.5 De rechtbank heeft geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van deze informatie. Voorts is uit de stukken gebleken dat namens verdachte tegen deze ongewenstverklaring op 4 mei 2015 beroep is ingediend. Dat beroep werd op 7 mei 2015 ingetrokken.6 Uit het sfeer-proces-verbaal is gebleken dat verdachte destijds in het kader van vreemdelingenbewaring gedetineerd zat.7

Op grond van het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte wist dat hij ongewenst was verklaard.

Conclusie

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat verdachte op 30 november 2015 als ongewenst vreemdeling in Den Haag heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij ongewenst was verklaard.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat verdachte:

op 30 november 2015 te 's-Gravenhage als vreemdeling heeft verbleven, terwijl hij wist dat hij op grond van artikel 67 van de Vreemdelingenwet 2000 tot ongewenst vreemdeling was verklaard.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

4.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte een beroep op overmacht toekomt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat – kort samengevat – verdachte geen verwijt van zijn illegale verblijf in Nederland kan worden gemaakt omdat hij niet door de Nederlandse staat uitgezet kan worden en zelf al het mogelijke heeft gedaan om zijn illegale verblijf in Nederland te beëindigen. Hij heeft immers in 2004 getracht aan een reisdocument te komen om naar [land] te vertrekken. Voort is hij door de Staat in 2008 en 2015 gepresenteerd bij de diplomatieke vertegenwoordiging van [land] .

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op overmacht toekomt, nu zij van mening is dat verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij al het mogelijke heeft gedaan om zijn illegale verblijf in Nederland te beëindigen.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Op een ongewenst verklaarde rust in beginsel de plicht om Nederland te verlaten en te vertrekken naar zijn land van herkomst of een derde land. Van overmacht is slechts sprake indien verdachte aannemelijk heeft gemaakt dat hij alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde zijn verplichting om Nederland te verlaten te voldoen. Een positieve inzet en oprechte pogingen gericht op vertrek van de kant van de vreemdeling zijn vereist.

Bij een verwerping van het beroep op overmacht is het aan de rechtbank om duidelijk te maken welke inspanningen van verdachte hadden kunnen worden verwacht en of van dergelijke inspanningen, al dan niet met ondersteuning van de Nederlandse overheid, redelijkerwijs enig resultaat was te verwachten (Hoge Raad 1 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI5627). Een beroep op overmacht dient ex tunc te worden getoetst.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat verdachte alle maatregelen heeft genomen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde aan zijn verplichting om Nederland te verlaten te voldoen. Verdachte stelt de [geboorteland] nationaliteit te hebben maar heeft geen concrete of verifieerbare gegevens omtrent zijn identiteit en nationaliteit, dan wel omtrent zijn familie of verleden in [geboorteland] verstrekt. Uit een taalonderzoek is gebleken dat hij is te herleiden tot de spraakgemeenschap van [land] .

Voor een beroep op overmacht is een poging in 2004 om aan een reisdocument voor [land] te komen onvoldoende, temeer nu op geen enkele manier is onderbouwd dat verdachte zo’n poging heeft gedaan en op welke manier. Dat de presentaties van verdachte bij de [land] vertegenwoordiging door de IND niet hebben geleid tot afgifte van een reisdocument, rechtvaardigt evenmin een beroep op overmacht. Het is aan verdachte om met de benodigde informatie te komen op basis waarvan zijn nationaliteit en identiteit door de autoriteiten kunnen worden vastgesteld. Het beroep op overmacht wordt derhalve verworpen.

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het volgende strafbare feit op:

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden wordt opgelegd.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich bij de eis van de officier van justitie aangesloten.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft hij zich schuldig gemaakt aan overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, door in Nederland te verblijven terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard en het hem niet was toegestaan om in Nederland te zijn. Het overheidsbeleid met betrekking tot ongewenst verklaarde vreemdelingen is ingesteld ter bescherming van de openbare orde. Verdachte heeft dit beleid gefrustreerd met zijn handelen.

Uit een uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 2 december 2015 betreffende verdachte blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is voor overtreding van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft acht geslagen op de bepalingen in de richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (hierna: de Terugkeerrichtlijn) en op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie d.d. 6 december 2011 (C-329/11, Achughbabian, ECLI:EU:C:2011:807). Daaruit volgt dat de Terugkeerrichtlijn zich er niet tegen verzet dat op grond van artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht een gevangenisstraf wordt opgelegd aan een tot ongewenst vreemdeling verklaarde onderdaan van een derde land in de zin van artikel 3, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn op wie de bij die richtlijn voorziene terugkeerprocedure is toegepast en die, zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal in Nederland verblijft. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is evenwel strijdig met de Terugkeerrichtlijn indien de stappen van de in de Terugkeerrichtlijn vastgelegde terugkeerprocedure nog niet zijn doorlopen.

Het is aan de rechter die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wil opleggen voor handelen in strijd met artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht, om zich ervan te vergewissen dat alle stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopen en hiervan in de motivering van zijn beslissing blijk te geven (Hoge Raad 21 mei 2913, ECLI:NL:HR:2013:BY3151).

Nu de identiteit en de nationaliteit van verdachte niet zijn vastgesteld en het naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is geworden dat verdachte een onderdaan van de Europese Unie is, zal de rechtbank bij haar strafoplegging rekening houden met het vorenstaande.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn, gelet op het sfeer-proces-verbaal door de Staat alle stappen van de terugkeerprocedure in de onderhavige zaak doorlopen. Verdachte heeft diverse malen in vreemdelingenbewaring gezeten, voor het laatst in 2015, en is twee maal bij de [land] vertegenwoordiging gepresenteerd. Uit een taalanalyse is gebleken dat hij eenduidig te herleiden is tot de spraakgemeenschap van [land] . Niet is gebleken dat verdachte zelf adequate pogingen heeft ondernomen om een reisdocument te verkrijgen zodat hij Nederland kan verlaten.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de overheid gedaan wat tot dusver mogelijk was om verdachte uit te zetten. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de Terugkeerrichtlijn zich niet verzet tegen het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

De rechtbank neemt als uitgangspunt bij de op te leggen straf dat blijkens de oriëntatiepunten die zijn opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden als passend en geboden wordt gezien bij first offenders.

De door de officier van justitie geëiste straf is derhalve in beginsel passend en geboden. Echter, verdachte is op 1 december 2015 in verzekering gesteld. Bij de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden dient het bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven te worden op een zaterdag, namelijk op 30 januari 2016. Om praktische redenen – teneinde niet het risico te lopen dat verdachte niet in het weekend maar eerst de maandag daarna wordt vrijgelaten – zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 59 dagen opleggen, zodat zijn voorlopige hechtenis op vrijdag 29 januari 2016 wordt opgeheven.

7 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op artikel 197 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenste vreemdeling is verklaard;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 59 (NEGENENVIJFTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

heft op het bevel tot bewaring met ingang van 29 januari 2016 (apart geminuteerd).

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Fetter, voorzitter,

mr. J. Eisses, rechter,

mr. A.P. Pereira Horta, rechter,

in tegenwoordigheid van W.H. Ng, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 februari 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en).

2 Proces-verbaal van aanhouding met het nummer PL1500-2015348698-2.

3 Een geschrift, te weten een kopie van een beschikking van de IND d.d. 21 juni 2011.

4 Een geschrift, te weten een kopie van een uitreikingsblad behorende bij de beschikking van 21 juni 2011.

5 Proces-verbaal d.d. 29 juni 2011.

6 Proces-verbaal d.d. 8 januari 2016, nummer 2704969378.

7 Proces-verbaal sfeer d.d. 1 december 2015, nummer 2704969378.