Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:8329

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
20-07-2016
Zaaknummer
AWB 16/2468
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek tot opheffing ongewenstverklaring

Gezien de vaste jurisprudentie van de Afdeling ziet de rechtbank geen aanleiding om tot het moment dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in antwoord op de gestelde prejudiciële vragen van de Hoge Raad van 29 maart 2016 anders heeft geoordeeld, van een andere moment van aanvang van het inreisverbod uit te gaan dan het moment waarop de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten.

De rechtbank is van oordeel dat, wat er ook zij van de vraag of een inreisverbod na ommekomst van de duur van vijf jaren van rechtswege kan komen te vervallen, daarvan in het onderhavige geval reeds geen sprake kan zijn, omdat eiser niet heeft onderbouwd wanneer en hoe lang hij het grondgebied van de Europese Unie heeft verlaten.

Het beroep is gegrond, omdat verweerder in het bestreden besluit niet overeenkomstig het arrest Z. Zh. en I.O motiveert waarom er sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Deze invulling van het openbare orde begrip bij inreisverboden is ook van toepassing op de ongewenstverklaring van eiser, nu verweerder zich op het standpunt stelt dat de Terugkeerrichtlijn weliswaar niet meer op eiser van toepassing is, maar wel analoog moet worden toegepast met alle daarin vervatte waarborgen, omdat aan eiser, indien hij niet was uitgezet door verweerder, een inreisverbod voor de duur van tien jaar zou zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/2468

V-nr: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 30 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser],

geboren op [geboortedatum], van Montenegrijnse nationaliteit, eiser

(gemachtigde mr. J.P.W. Temminck Tuinstra),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde mr. P.P. Zweedijk).

Procesverloop

Bij besluit van 17 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 26 februari 2015 tot opheffing van de ongewenstverklaring afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 januari 2016 (het bestreden besluit) kennelijk ongegrond verklaard.

Op 9 februari 2016 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2016. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Bij besluit van

3 april 1996 is eiser tot ongewenst vreemdeling verklaard als bedoeld in artikel 21 van de Vreemdelingenwet (oud). Dit besluit is op 24 juli 1998 gepubliceerd in de Staatscourant en op 12 mei 1999 aan eiser in persoon uitgereikt.

1.2

Op 8 april 2006 is eiser uitgezet naar zijn land van herkomst. Eiser is op onbekende datum teruggekeerd naar Nederland.

1.3

Op 26 februari 2015 heeft eiser een verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring ingediend. Op 6 maart 2015 is door verweerder schriftelijk aan eiser kenbaar gemaakt dat verweerder voornemens is de ongewenstverklaring op te heffen en eiser een inreisverbod voor de duur van tien jaar op te leggen. Op 19 maart 2015 is door de gemachtigde van eiser schriftelijk op het voornemen gereageerd.

1.4

Eiser is in maart 2015 vrijwillig teruggekeerd naar zijn land van herkomst, maar ook op onbekende datum weer teruggekeerd naar Nederland. Op 13 juni 2015 is eiser door verweerder uitgezet naar zijn land van herkomst.

1.5

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag tot opheffing van de ongewenstverklaring afgewezen. Verweerder voert daartoe aan dat eiser bij zijn aanvraag niet de benodigde stukken zoals vermeld in artikel 6.6 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 heeft overgelegd. Door de uitzetting valt eiser niet meer onder de werking van Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (Terugkeerrichtlijn), maar omdat eiser zich ten tijde van het verzoek tot opheffing zich wel in Nederland bevond, worden de waarborgen van de Terugkeerrichtlijn wel op eiser van toepassing geacht. Dat houdt in dat de duur van de ongewenstverklaring wordt teruggebracht tot tien jaar.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Eiser dient gelet op zijn veroordelingen voor geweldsmisdrijven, sinds zijn vertrek uit Nederland ten minste tien jaar buiten Nederland te hebben verbleven op grond van artikel 6.6, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. Deze termijn is gelet op artikel 6.6, derde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000 opnieuw aangevangen vanwege zijn aanwezigheid in Nederland. Eiser komt daardoor niet eerder dan 13 juni 2025 in aanmerking voor opheffing van de ongewenstverklaring. Daarnaast wordt de stelling niet gevolgd dat de veroordelingen van lang geleden zouden zijn. Voorts is verweerder van mening dat er geen sprake is van onevenredigheid door instandlating van de ongewenstverklaring, omdat zowel bij instandlating van de ongewenstverklaring als bij het opleggen van een inreisverbod de toegang tot Nederland voor tien jaar zou worden ontzegd. De stelling dat meermaals de gelegenheid is geweest om een inreisverbod uit te reiken, doet hier verder niets aan af. Voorts is niet gebleken van bijzondere feiten en omstandigheden als bedoeld in hoofdstuk A4/3.5 van de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000. Noch ten aanzien van de neef die eiser zou willen bezoeken als in het geval van de ouderen die hij heeft verzorgd, is gebleken van een situatie waarbij sprake is van schending van artikel 8 van het Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

3.1

Eiser voert in beroep allereerst aan dat zijn ongewenstverklaring uit 1996 van rechtswege is vervallen. Gelet op artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn kan aan de ongewenstverklaring geen langere duur dan vijf jaar verbonden zijn, nu eiser geen ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid. Eiser was op het moment van het verzoek tot opheffing reeds negen jaar eerder teruggekeerd naar zijn land van herkomst. Eiser verwijst in dat verband naar het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 29 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:515) waarin de Hoge Raad prejudiciële vragen heeft gesteld over de termijn van het inreisverbod.

3.2

De rechtbank overweegt als volgt. Zoals uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling, onder andere de uitspraak van 30 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2538) volgt zijn de overeenkomsten in doel en strekking tussen een ongewenstverklaring en een inreisverbod van dien aard, dat een ongewenstverklaring onder de in artikel 3, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn gegeven definitie van het begrip inreisverbod valt. Voorts heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) in het arrest Filev en Osmani van 19 september 2013 (C-297/12) overwogen dat artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn eraan in de weg staat dat de gevolgen van inreisverboden voor onbepaalde tijd die zijn opgelegd vóór de uiterste datum waarop de Terugkeerrichtlijn geïmplementeerd had moeten zijn, langer worden gehandhaafd dan de in dat artikellid vastgestelde maximale duur van vijf jaar, tenzij deze inreisverboden zijn uitgevaardigd tegen onderdanen van derde landen die een ernstige bedreiging vormen voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

3.3

Hieruit volgt dat de ongewenstverklaring uit 1996, die is opgelegd vóór de uiterste datum waarop de Terugkeerrichtlijn geïmplementeerd had moeten zijn, is aan te merken als een inreisverbod voor onbepaalde tijd, waarvan de gevolgen in beginsel niet langer jegens de vreemdeling mochten worden gehandhaafd dan vijf jaar, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid.

3.4

Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling (onder andere de uitspraak van

6 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2342), volgt echter ook dat, de duur van een inreisverbod eerst aanvangt, indien de betrokken vreemdeling het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie daadwerkelijk heeft verlaten. De Afdeling verwijst in dat verband naar de definitie van het begrip inreisverbod en het in de geschiedenis van de totstandkoming van de implementatiewet tot uitdrukking gebrachte Europese karakter van die maatregel. Gezien deze vaste jurisprudentie van de Afdeling ziet de rechtbank geen aanleiding om tot het moment dat het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) of in antwoord op de gestelde prejudiciële vragen anders heeft geoordeeld, van een andere moment van aanvang van het inreisverbod uit te gaan dan het moment waarop de vreemdeling het grondgebied van de lidstaten heeft verlaten.

3.5

Eiser heeft niet onderbouwd wanneer en voor hoe lang hij het grondgebied van de Europese Unie precies heeft verlaten. De rechtbank is daarom van oordeel dat, wat er ook zij van de vraag of het inreisverbod na ommekomst van de duur van vijf jaren van rechtswege kan komen te vervallen, daarvan in het onderhavige geval reeds vanwege het gebrek aan onderbouwing geen sprake van kan zijn. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser niet de benodigde stukken zoals vermeld in artikel 6.6 van het Vb 2000 heeft overgelegd. Voorts is ter zitting gebleken dat de gemachtigde het voor mogelijk houdt dat eiser al eerder dan de door verweerder aangehouden datum van 9 november 2014 naar Nederland is gekomen. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om aansluiting te zoeken bij de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats Utrecht van 19 januari 2016 (AWB 15/11739) waar eiser naar verwezen heeft.

3.6

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van de antwoorden van het Hof op de door de Hoge Raad op

29 maart 2016 (ECLI:NL:HR:2016:515) gestelde prejudiciële vragen.

4.1

Eiser voert vervolgens aan dat aan hem een inreisverbod uitgereikt had dienen te worden, nu daarvoor meermaals de gelegenheid is geweest en daardoor is het onevenredig om de ongewenstverklaring in stand te laten. Voorts voert eiser aan dat hij niet langer een werkelijk, actueel en voldoende ernstige bedreiging oplevert die een fundamenteel belang van de samenleving aantast in de zin van het arrest van het Hof van 11 juni 2015, C-554/13 in de zaak van Z. Zh. en I.O (Z. Zh en I.O., ECLI:EU:C:2015:377). De veroordelingen van eiser zijn niet actueel en voor zover ze dat wel zijn, zijn ze van onvoldoende gewicht om aan eisers ongewenstverklaring alsnog een termijn van tien jaar te verbinden. Verweerder heeft de schade, een factor die de Europese Commissie van belang acht voor de beoordeling van een actuele werkelijke en voldoende ernstige bedreiging, ook niet onderbouwd dan wel geconcretiseerd. Eiser wijst in dit verband ook naar het arrest Z. Zh. en I.O.

4.2

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat een ongewenstverklaring voor de duur van tien jaar niet onevenredig is, omdat eiser, indien hij in Nederland was gebleven, een inreisverbod voor de duur van tien jaar zou zijn opgelegd. Voorts is het arrest Z. Zh. en I.O. niet van toepassing op onderhavige zaak, aldus verweerder.

4.3

Verweerder heeft na het verzoek tot opheffing van de ongewenstverklaring een voornemen uitgebracht tot oplegging van een inreisverbod voor de duur van tien jaar, ten aanzien waarvan eiser zijn zienswijze heeft gegeven. Vervolgens is eiser op 4 juni 2015 door verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld en is eiser op 13 juni 2015 uitgezet. Als gevolg van deze handelwijze van verweerder was de Terugkeerrichtlijn vanaf deze datum niet meer op eiser van toepassing, zodat aan eiser geen inreisverbod meer kon worden opgelegd.

4.4

Verweerder heeft weliswaar de duur van de ongewenstverklaring tot tien jaar teruggebracht en heeft gelet daarop de waarborg van de beperkte duur uit de Terugkeerrichtlijn in acht genomen, terwijl eiser bovendien alleen de toegang tot Nederland is ontzegd en niet, anders dan indien sprake zou zijn geweest van een inreisverbod, tot de rest van de Europese Unie. Dat neemt echter niet weg dat, zoals volgt uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 31 maart 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:3819) bij inreisverboden voor de duur van tien jaar op grond van het arrest Z. Zh en I.O., dient te worden beoordeeld of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging van de openbare orde die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Daarbij dient te worden betrokken of de misdrijven in het verleden ook thans nog voldoende zijn om de betrokkene de toegang tot de lidstaten voor een periode van tien jaar te ontzeggen. De aard en de ernst van het misdrijf en het tijdsverloop sinds het plegen ervan, zijn daarbij onder meer van belang. De rechtbank is van oordeel dat deze invulling van het openbare orde begrip bij inreisverboden ook van toepassing is op de ongewenstverklaring van eiser, nu verweerder zich op het standpunt stelt dat de Terugkeerrichtlijn weliswaar niet meer op eiser van toepassing is, maar wel analoog moet worden toegepast met alle daarin vervatte waarborgen, omdat aan eiser, indien hij niet was uitgezet door verweerder, een inreisverbod voor de duur van tien jaar zou zijn opgelegd.

4.5

De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit niet motiveert waarom er sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Vervolgens dient de rechtbank de mogelijkheden van finale geschilbeslechting te onderzoeken.

4.6

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat mocht Z. Zh. en I.O. ook van toepassing zijn op onderhavige casus, eiser een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormt. Gelet op de ongewenstverklaring wist eiser dat hij niet in Nederland mocht zijn, maar hij is in 2014 teruggekomen en is vervolgens in korte tijd twee maal met politie en justitie in aanraking gekomen. Eiser is op 23 januari 2015 veroordeeld en gedagvaard voor een mishandeling. Een mishandeling is een geweldsdelict in de zin van artikel 6.5a, vijfde lid, onder a, van het Vb 2000 en dat is een reden om een inreisverbod van tien jaar op te leggen. Ook gelet op het tijdsverloop is er sprake van een ernstige bedreiging als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Eiser is in 2006 veroordeeld voor een geweldsdelict en op dat feit is het inreisverbod van tien jaar gebaseerd.

4.7

De rechtbank is van oordeel dat met de ter zitting door verweerder gegeven motivering de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand kunnen blijven. Verweerder heeft zijn motivering gebaseerd op de strafrechtelijke veroordelingen, met name de veroordeling voor een geweldsdelict in 2006. De overige door het Hof in het arrest Z. Zh. en I.O. neergelegde omstandigheden, zoals de aard en de ernst van het misdrijf en het tijdsverloop sinds het plegen ervan, waarvan een lange duur buiten Nederland, zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende meegewogen. Gelet daarop heeft verweerder niet aan de hand van de juiste criteria beoordeeld of sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

4.8

De rechtbank ziet, gelet op de geschetste gang van zaken, geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De rechtbank merkt op dat deze termijn pas begint nadat de termijn om hoger beroep in te stellen ongebruikt is verstreken of, indien hoger beroep wordt ingesteld, nadat op het hoger beroep is beslist.

4.9

Nu verweerder allereerst nader dient te motiveren dat eiser een werkelijk, actueel en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt, behoeven de overige beroepsgronden (zoals het beroep op schending van de hoorplicht en van artikel 8 van het EVRM) geen bespreking meer. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank ook geen aanleiding om de zaak naar de meervoudige kamer te verwijzen, zoals door verweerder ter zitting is verzocht.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 992,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van

€ 496,-, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- (zegge: honderdachtenzestig euro) aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 992,- (zegge: negenhonderd tweeënnegentig euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van Putten, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.E. van Bruggen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2016.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Conc.: JvB

D: C

VK

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.