Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:8199

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-04-2016
Datum publicatie
21-07-2016
Zaaknummer
C/09/505292 / KG ZA 16/176
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Eiser stelt schade te hebben geleden doordat gedaagde bij afwikkeling strafvorderlijk beslag onrechtmatig heeft gehandeld en vordert een voorschot op schadevergoeding. Vordering wordt afgewezen, omdat het spoedeisend belang van eiser bij zijn vordering onvoldoende is gebleken en omdat vooralsnog niet met grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten is dat een bodemrechter de vordering van eiser zal toewijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/505292 / KG ZA 16/176

Vonnis in kort geding van 4 april 2016

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. Th. Pluijter te Groningen,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Veiligheid en Justitie),

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. W. Heemskerk te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door de Staat overgelegde conclusie van antwoord met producties;

- de op 21 maart 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door [eiser] pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

In 2005 heeft strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden naar, onder andere en voor zover nu relevant, handel in verboden erectiepillen met de naam Sigraplus. [eiser] is in dit onderzoek als verdachte in beeld gekomen. Tijdens dit onderzoek zijn in beslaggenomen:

  • -

    op 24 november 2005, bij [eiser] een postpakket en drie dozen met consumentenverpakkingsmateriaal, waarbij één van de dozen 600 blisters van 6 capsules Sigraplus bevatte (totaal 3.600 capsules Sigraplus);

  • -

    op 29 november 2005 bij Solipharma B.V. 10.500 blisters van 6 capsules Sigraplus (totaal 63.000 capsules Sigraplus). Deze inbeslagname heeft plaatsgevonden nadat [eiser] in een verhoor heeft verklaard dat de capsules bij Solipharma B.V. op voorraad zouden moeten zijn.

2.2.

Bij vonnis van de rechtbank Utrecht van 30 oktober 2007 is [eiser] veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden, met een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf voor de duur van 240 uur. De rechtbank heeft “alle inbeslaggenomen blisters, boekjes en 66.600 capsules” aan het verkeer onttrokken verklaard.

2.3.

[eiser] en het openbaar ministerie hebben hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Utrecht van 30 oktober 2007. Bij arrest van het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, van 13 maart 2012 heeft het gerechtshof het openbaar ministerie deels niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging, deels de dagvaarding nietig verklaard en [eiser] deels vrijgesproken omdat niet is bewezen dat hij het ten laste gelegde heeft begaan. Voorts heeft het gerechtshof de teruggave gelast van “de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de blisters, de capsules Sigraplus en het drukwerk”. Het hof heeft in het arrest, voor zover nu relevant, overwogen dat de Sigraplus-capsules, bij inname van de aanbevolen hoeveelheid van één tot twee capsules, “in de verste verte” geen werkzame dosis bevatten. Tegen het arrest van het gerechtshof is geen cassatieberoep ingesteld.

2.4.

Bij brief van 5 juni 2012 heeft het ressortsparket Arnhem aan de officier van justitie te Utrecht, onder toezending van een kopie van het arrest van het gerechtshof, verzocht om de afwikkeling van de inbeslaggenomen voorwerpen. Op deze brief is door een parketmedewerker vervolgens geschreven: “Het beslag is reeds vernietigd op 19 november 2008.”

2.5.

Bij brief van 24 april 2015 heeft [eiser] de teruggave van de inbeslaggenomen goederen gevraagd, waarna hem is medegedeeld dat de inbeslaggenomen goederen zijn vernietigd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – de Staat te veroordelen tot betaling van een voorschot op schadevergoeding van € 750.000,= te vermeerderen met de wettelijke rente van 1 december 2007 en met veroordeling van de Staat in de kosten van dit geding.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – samengevat – het volgende aan. In het civiele recht is de beslaglegger aansprakelijk voor schade uit een (achteraf) ten onrechte gelegd beslag. Bij een strafvorderlijk beslag moeten de inbeslaggenomen goederen worden teruggegeven aan degene onder wie zij in beslag zijn genomen, als het belang van waarheidsvinding zich daartegen niet meer verzet. Dit leidt slechts uitzondering als de beslagene afstand heeft gedaan van de goederen, het openbaar ministerie besluit tot teruggave aan degene die redelijkerwijs als rechthebbende kan worden aangemerkt of als het openbaar ministerie de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer vordert. Alle beslagbeslissingen dienen in het beslagdossier te zijn neergelegd, in verband met de transparantie, maar ook om de rechter in staat te stellen een beslagbeslissing te nemen. Als de inbeslaggenomen goederen zijn vernietigd, [eiser] heeft daarvan geen bewijs gezien, zijn daartoe niet de juiste procedures gevolgd en er heeft geen waardebepaling plaatsgevonden. Dit handelen en nalaten is jegens [eiser] uiterst onzorgvuldig, een grove miskenning van zijn rechten en hij heeft hierdoor schade geleden. Nu door het handelen van de Staat [eiser] niet meer langs de voorgeschreven strafvorderlijke route de inbeslaggenomen goederen terug of vergoed kan krijgen, moet hij zich tot de civiele rechter wenden. De rechthebbende heeft in een geval hij zich door het handelen van de Staat tot de civiele rechter moet wenden geen recht op betaling van het bedrag waar hij op grond van artikel 119 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering recht zou hebben, doch op betaling van de volledige schadevergoeding. Bij de begroting van de schade van [eiser] moet uitgegaan worden van de waarde in het economische verkeer in 2006 van € 19,= per verpakking inbeslaggenomen capsules.

3.3.

[eiser] heeft thans een spoedeisend belang bij zijn vordering, omdat hij bezig is een nieuw merk in de markt te zetten, voor welke activiteit hij veel geld nodig heeft. Hij krijgt hiervoor geen financiering geregeld en hij heeft op korte termijn geld nodig, bij gebreke waarvan de genoemde opzet gedoemd is te mislukken.

3.4.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Zoals door de Staat terecht is aangevoerd is volgens vaste jurisprudentie ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden. Zo zal niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering in kwestie voldoende aannemelijk is – hetgeen betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen –, maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken dient te worden.

4.2.

Hoewel aan [eiser] moet worden toegegeven dat niet uitgesloten kan worden dat bij de vernietiging van de Sigraplus capsules niet de juiste procedures zijn gevolgd – de Staat heeft hieromtrent verklaard dat de achtergrond van de vernietiging op dit moment niet precies bekend is – doorstaat zijn vordering de onder 4.1 vermelde toets niet. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.3.

Allereerst geldt dat – zoals de Staat terecht aanvoert – het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vordering onvoldoende is gebleken. De stellingen van [eiser] omtrent het in de markt zetten van een nieuw product en de noodzaak van financiën daarvoor zijn onvoldoende geconcretiseerd en, ook na de betwisting door de Staat van het spoedeisend belang in de voorafgaand aan de mondelinge behandeling toegezonden conclusie van antwoord, op geen enkele wijze gestaafd met stukken. Van feiten en omstandigheden die maken dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, is niet gebleken. Bovendien voert de Staat in dit verband eveneens terecht aan dat het gestelde spoedeisend belang ook een groot restitutierisico met zich brengt, nu het doel waar [eiser] het geld nodig voor heeft een aanzienlijk ondernemingsrisico mee lijkt te brengen, althans van het tegendeel is niet gebleken.

4.4.

Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat vooralsnog niet met grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten is dat de bodemrechter de vordering van [eiser] zal toewijzen, reeds omdat voor toewijzing van een schadevergoeding vereist is dat [eiser] daadwerkelijk schade heeft geleden. Dat is niet gebleken, althans niet gebleken is dat [eiser] tot het thans door hem gevorderde bedrag schade heeft geleden en evenmin tot welk eventueel lagere bedrag. De stelling van [eiser] dat de capsules € 19,= per verpakking zouden opleveren is door [eiser] onvoldoende aannemelijk gemaakt in het licht van de omstandigheid dat de capsules geen werkzame dosis bevatten en de stelling van de Staat dat de houdbaarheidsdatum van de pillen reeds op 15 juni 2008 was verstreken. [eiser] heeft nagelaten anderszins de omvang van zijn schade te onderbouwen.

4.5.

Reeds gezien het vorenstaande zal de vordering van [eiser] worden afgewezen. De overige standpunten van partijen kunnen onbesproken blijven. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst het gevorderde af;

5.2.

veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 4.719,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 3.903,= aan griffierecht;

5.3.

verklaart dit vonnis deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2016.

idt