Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:8136

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2016
Datum publicatie
18-07-2016
Zaaknummer
C/09/512319 / KG ZA 16-686
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Opheffing conservatoir beslag op windturbines. Opstallers hebben de windturbines na beëindiging van de opstalovereenkomst verkocht aan een derde partij en wensen tot levering over te gaan. De voorzieningenrechter oordeelt dat het wettelijk wegneemrecht van de opstallers niet is beperkt, noch dat er sprake is van een exploitatieplicht. Landeigenaren komt geen beroep toe op een koopoptie. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/512319 / KG ZA 16-686

Vonnis in kort geding van 18 juli 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Windpark Rijnwoude B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,

eiseres,

advocaat mr. T.E. Hovius en mr. W. den Harder te Amsterdam,

tegen:

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats 2] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats 3] ,

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats 4] ,

5. [eiser 4],

wonende te [woonplaats 4] ,

gedaagden,

advocaat mr. M.J. Sturm en mr. J.T. Kool te Rotterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘Windpark Rijnwoude’ en ‘de Landeigenaren’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door Windpark Rijnwoude overgelegde producties;

- de door de Landeigenaren overgelegde productie 4;

- de op 4 juli 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Windpark Rijnwoude heeft ter zitting bezwaar gemaakt tegen de door de Landeigenaren toegezonden aanvullende producties 2, 3, 5 en 6. De voorzieningenrechter heeft deze producties buiten beschouwing gelaten, nu deze stukken niet overeenkomstig de artikelen 1.4. en 6.2 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie, zijn ingediend. Ditzelfde geldt voor productie 25 van de zijde van Windpark Rijnwoude.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

De Landeigenaren zijn gezamenlijk de eigenaren van een aantal grondpercelen, gelegen aan het Spookverlaat te Hazerswoude-Rijndijk. Op deze percelen exploiteren zij agrarische bedrijven.

2.2.

Windpark Rijnwoude is een projectvennootschap die actief is in de ontwikkeling van duurzame energie. Zij is een dochtervennootschap van Prodeon Wind B.V. Windpark Rijnwoude is eigenaar en exploitant van een viertal windturbines gelegen langs de provinciale weg N11 te Hazerswoude-Rijndijk (hierna: de Windturbines). De Windturbines zijn in de periode 2004-2006 door Windpark Rijnwoude ontwikkeld en bevinden zich op aan de Landeigenaren in eigendom toebehorende grond.

2.3.

Ten behoeve van de realisatie van de Windturbines zijn een aantal opstalrechten en erfdienstbaarheden gevestigd op de betreffende percelen van de Landeigenaren. De tussen partijen in dat kader gemaakte afspraken zijn vastgelegd in de akte van vestiging opstalrechten van 25 juli 2006 (hierna: de Akte).

2.4.

In artikel 2 van de Akte is bepaald dat het opstalrecht wordt gevestigd voor de duur van elf jaar, na het in vervulling gaan van de opschortende voorwaarde in de Akte. Het opstalrecht voor de Windturbines is ingegaan op 20 oktober 2006 en eindigt in beginsel op 20 oktober 2017. In artikel 2 van de Akte is voorts bepaald dat Windpark Rijnwoude het recht heeft de duur van het opstalrecht met twee keer vijf jaar te verlengen.

2.5.

In artikel 3 van de Akte is bepaald welke vergoedingen en retributies Windpark Rijnwoude aan de Landeigenaren verschuldigd is. Een deel van de retributies is vast en een deel is variabel.

2.6.

In artikel 5 van de Akte is met betrekking tot het gebruik van de opstallen het navolgende bepaald:

5.1. Windpark Rijnwoude zal het Terrein en de Opstallen uitsluitend gebruiken ten behoeve van de exploitatie van windturbines, een en ander in de ruimste zin van het woord en met inachtneming van het bepaalde in deze akte.

5.2.

Het is de Opstaller niet geoorloofd zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Landeigenaren:

- in het gebruik van het Terrein en/of de Opstallen een wijziging aan te brengen anders dan ter vervanging, vernieuwing, modernisering en/of instandhouding van de bestaande Opstallen;

- andere (bouw)werken op te richten dan de Opstallen, anders dan die dienstbaar zijn aan de Opstallen of die dienen ter vervanging, vernieuwing, modernisering en/of instandhouding van de bestaande Opstallen;

- de Opstallen hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk van bestemming te wijzigen.

5.3.

De Landeigenaren kunnen voorwaarden verbinden aan de in artikel 5.2 bedoelde toestemming. Bij geschillen over het in artikel 5.2 bepaalde zal een deskundige worden ingeschakeld, één en ander zoals bepaald in artikel 11.2 van deze akte.

5.4.

Eventueel van derden benodigde toestemmingen en/of vergunningen in verband met de realisering, de aanwezigheid, de verwijdering en het gebruik van de Opstallen en het Project dienen door en voor rekening en risico van de Opstaller te worden aangevraagd.

5.5.

Windpark Rijnwoude vrijwaart de Landeigenaren voor alle aanspraken voortvloeiende uit de realisering van het Project en de aanwezigheid, de verwijdering en het gebruik van de Opstallen. Overigens zullen de Landeigenaren de gevolgen gepaard gaande met de normale bedrijfsvoering, realisering, aanwezigheid, verwijdering en het gebruik van de Opstallen dulden.”

2.7.

In artikel 12 van de Akte is onder meer het navolgende bepaald:

Wegneemplicht / Bankgarantie.

Artikel 12.

12.1

De Opstaller is bij het einde van het Opstalrecht verplicht de Opstallen, voor zover door hemzelf of een rechtsvoorganger aangebracht of van de Landeigenaren tegen vergoeding van de waarde overgenomen, geheel dan wel gedeeltelijk weg te nemen (…) met dien verstande dat wanneer de Landeigenaren gebruik maken van het recht als bedoeld in artikel 12.2, de Opstaller niet de wegneemplicht, als in dit lid 12.1 bedoeld, heeft.

12.2

De Landeigenaren hebben het recht om bij het einde van het Opstalrecht de alsdan nog aanwezige Opstallen van de Opstaller geheel of gedeeltelijk over te nemen. De Landeigenaren dienen uiterlijk vijf maanden vóór de datum waarop het Opstalrecht wordt beëindigd aan de Opstaller schriftelijk kenbaar te maken of zij gebruik wensen te maken van hun recht de Opstallen geheel of gedeeltelijk over te nemen. Indien de Landeigenaren besluiten de Opstallen over te nemen, heeft de Opstaller recht op een vergoeding van de waarde zoals bepaald in artikel 13.

(…)

12.4

Windpark Rijnwoude zal, tot zekerheid van de betaling van alle financiële verplichtingen die voortvloeien uit het Opstalrecht, waaronder de in dit artikel 12.3 onder a bedoelde kosten, uiterlijk zes maanden nadat de in artikel 1.2 bedoelde akte, inhoudende de constatering van het in vervulling gaan van de Opschortende Voorwaarde en de datum waarop van dit in vervulling gaan sprake is, is gepasseerd en bankgarantie stellen van eenhonderdduizend euro (…), welke wordt verhoogd met vijfenzeventigduizend euro (…) twaalf maanden na afgifte van de eerste bankgarantie en welke nogmaals wordt verhoogd met vijfenzeventigduizend euro (…) vierentwintig maanden na afgifte van de eerste bankgarantie.

(…)

Vergoedingsrecht bij einde Opstalrecht.

13.1

Indien de Landeigenaren gebruik maken van hun recht als in artikel 12.2 bedoeld, heeft de Opstaller recht op vergoeding van de waarde van de ten tijde van de beëindiging als bedoeld in artikel 12.2 nog aanwezige Opstallen, voor zover deze door zichzelf of een rechtsvoorganger zijn aangebracht of van de Landeigenaren tegen vergoeding van de waarde zijn overgenomen.

(…)

13.2

De waarde van de Opstallen bij het einde van het Opstalrecht, derhalve na elf, zestien of éénentwintig jaar vanaf heden, wordt vastgesteld op éénhonderdduizend euro (…)

2.8.

Gedurende de jaren 2006 tot en met 2014 hebben partijen uitvoering gegeven aan de gemaakte afspraken. Gedurende die jaren zijn jaarlijks retributies tussen de € 226.000,-- en € 329.000,-- door Windpark Rijnwoude aan de Landeigenaren voldaan.

2.9.

Bij e-mailbericht van 13 juni 2014 heeft Windpark Rijnwoude aan de Landeigenaren te kennen gegeven dat zij geen gebruik zal maken van het in artikel 2 van de Akte bedoelde recht op verlenging van het opstalrecht.

2.10.

Vanaf medio 2014 hebben partijen gesprekken gevoerd om te bezien of de Windturbines vernieuwd zouden kunnen worden, aangezien de exploitatie van de Windturbines vanwege de lage energieprijzen en het eindigen van de destijds verleende MEP-subsidieregeling onrendabel zou worden per 1 juli 2016. Tussen partijen is in dat kader onder meer verschil van mening ontstaan over de vraag of de Landeigenaren recht hebben op (een deel van) de verkoopopbrengst van de Windturbines en hogere retributies.

2.11.

Windpark Rijnwoude heeft op 22 augustus 2014 een vergunning bij de gemeente aangevraagd voor het bouwen van nieuwe windturbines. Deze vergunning is op 16 oktober 2014 verleend. De door Windpark Rijnwoude ingediende aanvraag voor een subsidie in het kader van de zogenaamde “Stimulering Duurzame Energieproductie 2014 (hierna: SDE-subsidieregeling) is afgewezen, evenals het hiertegen door Windpark Rijnwoude ingediende bezwaar. De SDE- subsidieregeling is de opvolger van de subsidie die Windpark Rijnwoude tot 29 juni 2016 ontvangt in het kader van de Milieukwaliteit van de Elektriciteitsproductie (MEP).

2.12.

Op 12 februari 2016 heeft Windpark Rijnwoude een koopovereenkomst gesloten met een derde partij inzake de verkoop van de Windturbines. In de betreffende koopovereenkomst is bepaald dat de ontmanteling en overdracht van de Windturbines zal plaatsvinden op 1 juli 2016.

2.13.

Windpark Rijnwoude heeft de Landeigenaren er bij e-mailbericht van 25 februari 2016 van op de hoogte gesteld dat het bezwaar tegen de afwijzing van de aanvraag voor de SDE-subsidie is afgewezen en zij daarom op korte termijn geen nieuwe windturbines kunnen laten bouwen op de locatie Spookverlaat. Bericht wordt voorts dat de Windturbines zijn verkocht en naar verwachting in het derde kwartaal van 2016 zullen worden ontmanteld. Verder bericht Windpark Rijnwoude dat zij zich zal beraden op de alternatieve mogelijkheden voor de locatie van de Landeigenaren.

2.14.

Op 19 mei 2016 hebben de Landeigenaren, na daartoe verlof te hebben verkregen van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, ten laste van Windpark Rijnwoude diverse conservatoire beslagen laten leggen. Hierbij hebben zij de door hen gestelde schade begroot op een bedrag van in totaal € 8.157.769,--.

2.15.

Windpark Rijnwoude heeft ten gunste van de Landeigenaren een bankgarantie gesteld ter hoogte van € 250.000,--.

3 Het geschil

3.1.

Windpark Rijnwoude vordert – zakelijk weergegeven – de door de Landeigenaren ten laste van Windpark Rijnwoude gelegde conservatoire beslagen op te heffen en de Landeigenaren te verbieden om ten laste van Windpark Rijnwoude nieuwe conservatoire beslagen te leggen, op straffe van verbeurte van een dwangsom.

3.2.

Daartoe voert Windpark Rijnwoude – samengevat – het volgende aan.

Windpark Rijnwoude heeft op grond van het eigendomsrecht van de Windturbines een wettelijk wegneemrecht dat zij te allen tijde mag uitoefenen. De opstaller is op grond van zijn eigendomsrecht bevoegd te doen met de opstallen wat hem goeddunkt, waaronder het recht zijn opstellen op ieder gewenst moment weg te nemen. Dit wegneemrecht vormt een essentieel onderdeel van het opstalrecht en vloeit rechtstreeks voort uit de wet. Van een uitsluiting van het wettelijk wegneemrecht is geen sprake. Van een exploitatieplicht is evenmin sprake, nu dit ook niet uit de Akte voortvloeit. De demontage van de Windturbines laat onverlet dat het opstalrecht zelf zal doorlopen tot oktober 2017. Windpark Rijnwoude zal de aan de Landeigenaren verschuldigde vaste retributies voor het gebruik van de grond tot het einde van het opstalrecht doorbetalen. Gelet voorts op de door Windpark Rijnwoude ten behoeve van de Landeigenaren gestelde bankgarantie, lijden zij geen schade en van een tekortkoming in de nakoming van de op Windpark Rijnwoude rustende verplichtingen is geen sprake. De Landeigenaren stellen ten onrechte dat er sprake is van een koopoptie op grond waarvan zij de Windturbines voor € 100.000,-- over kunnen nemen. Het Opstalrecht is immers nog niet geëindigd en de opstallen zullen voor het einde van het Opstalrecht worden verwijderd, zodat de Landeigenaren geen beroep toekomt op artikel 12.2 van de Akte.

Teneinde aan haar leveringsverplichting jegens de kopers van de Windturbines te kunnen voldoen moeten de Windturbines in juli 2016 worden gedemonteerd en aan de koper worden geleverd. Door de gelegde beslagen wordt deze levering geblokkeerd met aanzienlijke schade tot gevolg. Voorts wordt de bedrijfsvoering van Windpark Rijnwoude ernstig bedreigd, waardoor zij schade lijdt en failliet zal kunnen gaan.

Op grond van artikel 5.3 van de Akte moet een deskundige worden benoemd, zoals bedoeld in artikel 11.2 van de Akte, die partijen bindend zal adviseren. De Landeigenaren hebben inmiddels een bodemprocedure aangespannen bij de rechtbank Overijssel. Gelet op de bindend adviesclausule dient de rechter zich onbevoegd te verklaren, in ieder geval voor zover dit betreft de op 5.2 van de Akte gegronde vorderingen. Ten gevolge van deze onbevoegdheid staat vast dat de eis in de hoofdzaak niet tijdig is ingesteld, waardoor de gelegde beslagen vervallen. Ook op die grond dient tot opheffing van de gelegde beslagen te worden overgegaan.

3.3.

De Landeigenaren voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

Ingevolge artikel 705 lid 2 Rv wordt een gelegd conservatoir beslag onder meer opgeheven indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt. Volgens vaste rechtspraak ligt het op de weg van degene die opheffing van het conservatoire beslag vordert om, met inachtneming van de beperkingen van een kort geding, aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk is of dat het voortduren van het beslag om andere redenen niet kan worden gerechtvaardigd.

4.2.

De grondslag van de door de Landeigenaren gepretendeerde geldvordering, op grond waarvan namens hen beslag is gelegd luidt, kort samengevat, als volgt. Allereerst stellen zij zich op het standpunt dat de exploitatie van het windpark voor Windpark Rijnwoude de verplichting met zich bracht de SDE-subsidie op zorgvuldige wijze in te dienen. Nu Windpark Rijnwoude de betreffende subsidieaanvraag niet tijdig en foutief heeft ingediend levert dit tegenover de Landeigenaren een schending op van de uit de Akte voortvloeiende verplichtingen en is er sprake van een toerekenbare tekortkoming in de zin van artikel 6:74 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De Landeigenaren stellen dat zij dientengevolge schade lijden, aangezien zij geen aanspraak meer hebben op de hogere vergoedingen waarop zij aanspraak zouden hebben kunnen maken bij vernieuwing van de Windturbines. De Landeigenaren begroten deze schade op een bedrag van € 5.107.182,50.

4.3.

De Landeigenaren hebben voorts aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat de verkoop van de Windturbines een flagrante schending vormt van de verplichting van Windpark Rijnwoude onder de Akte. Op grond van artikel 5.2 van de Akte is het Windpark Rijnwoude volgens de Landeigenaren niet toegestaan zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de Landeigenaren wijzigingen in het gebruik van het terrein of de opstallen aan te brengen anders dan ter vervanging, vernieuwing, modernisering dan wel instandhouding van de bestaande opstallen. In de visie van de Landeigenaren hebben partijen met deze bepaling gebruik gemaakt van de in artikel 5:102 BW bedoelde beperking van de bevoegdheid om de opstallen weg te nemen. De door Windpark Rijnwoude gesloten koopovereenkomst en de voorgenomen ontmanteling levert volgens de Landeigenaren daarom een schending op van de in de Akte opgenomen bepalingen op. Ten gevolge hiervan lopen de Landeigenaren naar eigen zeggen niet alleen retributies mis, maar dit belet hen tevens gebruik te maken van de in de Akte bedoelde koopoptie (artikel 12.2 jo. artikel 13 van de Akte) bij het eindigen van het opstalrecht in oktober 2017. De door de Landeigenaren begrote schade ten gevolge van de misgelopen retributies bedraagt
€ 350.587,30 en de begrote schade ten gevolge van het niet uit kunnen oefenen van de koopoptie een bedrag van € 2.700.000,--.

4.4.

Ten aanzien van het betoog van Windpark Rijnwoude dat de rechtbank Overijssel niet bevoegd is om kennis te nemen van de vordering die ziet op het weghalen van de Windturbines oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. Het is aan de rechtbank Overijssel te oordelen over de vraag of er al dan niet sprake is van bevoegdheid om van de vorderingen van de Landeigenaren kennis te nemen. Zoals de Landeigenaren terecht aanvoeren geldt in dat kader dat de voorzieningenrechter die oordeelt over de opheffing van het beslag alleen tot opheffing van het beslag op die grond kan overgaan in geval de rechter die over de hoofdzaak heeft te oordelen zich bij in kracht van gewijsde gegaan vonnis onbevoegd heeft verklaard. Dit is slechts anders in geval de rechter die voor de hoofdzaak is aangezocht evident onbevoegd is, hetgeen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval is, mede gelet op het door de Landeigenaren op dit punt gevoerde gemotiveerde verweer. Aan de door Windpark gestelde onbevoegdheid van de rechtbank Overijssel in de aldaar aangespannen procedure wordt dan ook voorbij gegaan.

4.5.

Vaststaat dat Windpark Rijnwoude op 13 juni 2014 aan de Landeigenaren heeft aangegeven dat zij geen gebruik zal maken van het recht op verlenging van het opstalrecht. Vaststaat voorts dat vanaf medio april 2014 tussen partijen gesprekken zijn gevoerd over de mogelijke vernieuwing van de Windturbines. Partijen zijn echter niet tot overeenstemming gekomen.

4.6.

Het geschil tussen partijen spitst zich met name toe op de vraag of Windpark Rijnwoude de Windturbines mag verwijderen en tot levering mag overgaan aan de koper daarvan. Partijen verschillen in dit kader van mening over de vraag op welke wijze de bepalingen uit de Akte gelezen moeten worden, onder verwijzing naar de tussen partijen gevoerde onderhandelingen voorafgaand aan het sluiten van de Akte. In de Akte is in artikel 5.2 bepaald dat het Windpark Rijnwoude niet is geoorloofd zonder voorafgaande toestemming van de Landeigenaren een wijziging aan te brengen in het gebruik van de opstallen, anders dan ter vernieuwing, vervanging, modernisering dan wel instandhouding van de bestaande opstallen. De Landeigenaren stellen zich op het standpunt dat uit artikel 5.2 van de Akte expliciet volgt dat de Windturbines niet weggenomen mogen worden. Dit standpunt deelt de voorzieningenrechter echter niet. Windpark Rijnwoude heeft op grond van artikel 5:103 BW de bevoegdheden die voor het volle genot van haar recht nodig zijn. Niettemin kunnen in de akte van vestiging de bevoegdheden tot het gebruiken, het aanbrengen en het wegnemen van gebouwen en dergelijke worden beperkt. De opstaller heeft in beginsel op grond van zijn eigendomsrecht tijdens de duur daarvan een wegneemrecht, tenzij partijen anders zijn overeengekomen. Nu in de Akte niet met zoveel worden wordt gesproken over een beperking van het wettelijke wegneemrecht van Windpark Rijnwoude, maar in de Akte in artikel 5.2 enkel wordt gesproken over het gebruik van de opstallen, kan daaruit niet worden afgeleid dat partijen in afwijking van de wettelijke regeling zijn overeengekomen dat het Windpark Rijnwoude tijdens de duur van de overeenkomst niet zou zijn toegestaan de Windturbines weg te nemen. De vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld, kan echter niet enkel worden beantwoord op grond van alleen een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen in de overeenkomst. Hierbij komt het tevens aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Partijen verwijzen daartoe beiden naar hetgeen is voorafgegaan aan het sluiten van de overeenkomst, alsmede naar hetgeen zich heeft afgespeeld nadat Windpark Rijnwoude in juni 2014 aan de Landeigenaren te kennen heeft gegeven dat zij niet tot verlenging van het opstalrecht zal overgaan. Gelet op de sterk uiteenlopende standpunten van partijen op dit punt, kan de bedoeling van partijen met betrekking tot de vraag of het wegneemrecht van Windpark Rijnwoude is beperkt in het beperkte kader van dit kort geding niet worden vastgesteld. Om deze bedoeling van partijen (te proberen) te achterhalen zal uitvoerige bewijslevering moeten volgen. Daarvoor biedt de kortgedingprocedure echter geen ruimte. In de gegeven situatie zal aansluiting worden gezocht bij de tekst van de Akte en dient er vooralsnog vanuit te worden gegaan dat partijen het wegneemrecht van Windpark Rijnwoude niet hebben beperkt in de door de Landeigenaren gestelde zin, nu zulks in de onderhavige procedure onvoldoende aannemelijk is geworden. Evenmin kan uit de Akte worden afgeleid dat er sprake is van een exploitatieplicht, inhoudende dat Windpark Rijnwoude gehouden zou zijn de Windturbines gedurende de gehele looptijd van het opstalrecht in exploitatie te houden. De vraag of de Landeigenaren schade lijden doordat de Windturbines vroegtijdig (voor het einde van de overeenkomst) worden weggenomen, kan bovendien buiten beschouwing blijven, nu de vaste retributies door Windpark Rijnwoude worden doorbetaald en ten aanzien van de variabele retributies tot een bedrag van € 250.000,-- zekerheid is gesteld.

4.7.

Aangezien er, zoals hiervoor is overwogen, vanuit wordt gegaan, dat er geen sprake is van een exploitatieplicht aan de zijde van Windpark Rijnwoude, valt evenmin in te zien op grond waarvan Windpark Rijnwoude gehouden zou zijn een nieuwe subsidie aan te vragen voor het eventueel vernieuwen van de Windturbines. Windpark Rijnwoude heeft er voor gekozen het opstalrecht te eindigen per april 2017 en heeft geen gebruik gemaakt van haar recht tot verlenging. In zoverre rust op haar geen verplichting tot het aanvragen van een nieuwe subsidie. Vaststaat dat Windpark Rijnwoude met het oog op de lopende onderhandelingen tussen partijen wel een SDE-subsidie heeft aangevraagd. Dat zij deze, door haar eigen toedoen, uiteindelijk niet heeft ontvangen betekent echter niet dat er sprake is van een tekortkoming tegenover de Landeigenaren. De verplichting tot het aanvragen van een nieuwe subsidie volgt immers niet uit de bewoordingen van de Akte, noch is anderszins aannemelijk geworden dat Windpark Rijnwoude daartoe gehouden was. De Landeigenaren begroten hun vordering vanwege het niet verkrijgen van een subsidie voor nieuwe windturbines op een bedrag van € 5.107.182,50. Op grond van het voorgaande wordt geoordeeld dat dit deel van de gepretendeerde vordering van de Landeigenaren als summierlijk ondeugdelijk moet worden beschouwd.

4.8.

De Landeigenaren baseren hun vordering voorts op de stelling dat Windpark Rijnwoude door het wegnemen van de Windturbines niet in staat is de in de Akte genoemde koopoptie (artikel 12.2 van de Akte) na te leven. In de Akte is in artikel 12.1 bepaald dat de opstaller bij het einde van het opstalrecht verplicht is de opstallen geheel of gedeeltelijk weg te nemen, tenzij de Landeigenaren gebruik maken van het hen in artikel 12.2 gegeven recht. In artikel 12.2 is bepaald dat de Landeigenaren bij het einde van het opstalrecht het recht hebben de alsdan aanwezige opstallen van de opstaller over te nemen. Nu er, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, vanuit moet worden gegaan dat Windpark Rijnwoude bevoegd is de Windturbines voor het einde van het opstalrecht te verwijderen en zij de Windturbines inmiddels heeft verkocht, zullen de Windturbines bij het einde van het opstalrecht naar verwachting zijn ontmanteld en verwijderd. De in artikel 12.2 genoemde situatie doet zich dan niet voor, zodat de Landeigenaren daarop geen gegrond beroep toekomt. Ook de daarop gerichte vordering dient als summierlijk ondeugdelijk te worden beschouwd.

4.9.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de door Windpark Rijnwoude gevorderde opheffing van de gelegde beslagen dient te worden toegewezen. Het gevorderde verbod tot het opnieuw leggen van beslagen kan echter niet worden toegewezen. Aan de Landeigenaren kan het recht om, bij het aan het licht komen van nieuwe feiten, opnieuw conservatoire maatregelen te treffen immers niet bij voorbaat worden ontzegd.

4.10.

De Landeigenaren zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

heft op het door de Landeigenaren ten laste van Windpark Rijnwoude gelegde conservatoire beslagen;

5.2.

veroordeelt de Landeigenaren om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan Windpark Rijnwoude te betalen, tot dusverre aan de zijde van Windpark Rijnwoude begroot op € 1.519,15, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat, € 619,-- aan griffierecht en € 84,15 aan dagvaardingskosten, in voorkomende gevallen te vermeerderen met btw;

5.3.

bepaalt dat bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2016.