Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:8131

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-06-2016
Datum publicatie
21-07-2016
Zaaknummer
C/09/498353 / HA ZA 15-1182
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

beroep op gezag van gewijsde, uitleg rechtsoverweging in vonnis

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/498353 / HA ZA 15-1182

Vonnis in verzet van 29 juni 2016

in de zaak van

[opposant] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

opposant,

advocaat mr. J.P. van Veenendaal te Den Haag.

tegen

[geopposeerde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

geopposeerde,

advocaat mr. M. Hoekman te Den Haag,

Partijen zullen hierna “ [opposant] ” en “ [geopposeerde] ” genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 16 juli 2015, met de producties 1 tot en met 5;

  • -

    het tussen [geopposeerde] en [opposant] gewezen en op 26 augustus 2015 uitgesproken

verstekvonnis met zaak- en rolnummer C/09/493379 / HA ZA 15-857;

  • -

    de verzetdagvaarding van 5 oktober 2015, met de producties 1 tot en met 4;

  • -

    het tussenvonnis van 25 november 2015 waarbij een comparitie is bevolen en de

beschikking van 18 december 2015 waarbij die comparitie nader is bepaald op 25 februari 2016;

- het proces-verbaal van comparitie van 25 februari 2016 en de daarin genoemde

stukken;

- de brief van 2 maart 2016 van [geopposeerde] met opmerkingen over het proces-verbaal

van comparitie;

  • -

    de akte na comparitie van [geopposeerde] ;

  • -

    de antwoordakte van [opposant] ;

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen [geopposeerde] als verkoper enerzijds en [opposant] als koper anderzijds is op 8 februari 2010 een koopovereenkomst gesloten ter zake van het appartementsrecht, onder meer rechtgevende op het uitsluitend gebruik van het appartement, zijnde de dubbele bovenwoning op de eerste en tweede verdieping met toebehoren, aan de [adres] , te [plaats] (hierna: “het appartement”), tegen een koopsom van € 120.000,00.

2.2.

[opposant] heeft niet meegewerkt aan de levering van het appartement.

2.3.

Op 31 mei 2010 heeft [geopposeerde] de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden en aanspraak gemaakt op de contactuele boete van € 12.000,00, zich daarbij het recht voorbehoudende op aanvullende schadevergoeding.

2.4.

Op 11 juni 2010 heeft [geopposeerde] het appartement laten taxeren door een VBO erkend taxateur. Blijkens het taxatierapport heeft dit geresulteerd in een getaxeerde waarde van € 105.000,00.

2.5.

Op 3 januari 2011 heeft [geopposeerde] [opposant] in een bodemprocedure gedagvaard en onder meer gevorderd om – kort gezegd – [opposant] te veroordelen tot een bedrag van € 12.000,00 aan contractuele boete alsmede een bedrag van € 15.642,00 ter zake van schade, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente, alsmede veroordeling van [opposant] in de proceskosten, waaronder de nakosten. In haar vonnis van 14 december 2011 heeft de rechtbank overwogen – zakelijk weergegeven – dat [opposant] toerekenbaar is tekortgeschoten door niet mee te werken aan de levering van het appartement. De rechtbank heeft de in de koopovereenkomst overeengekomen contractuele boete toegewezen. De gevorderde aanvullende schadevergoeding heeft de rechtbank afgewezen.

2.6.

Op 14 januari 2015 heeft [geopposeerde] het appartement verkocht aan zijn broer tegen een koopsom van € 80.000,00.

2.7.

Op 29 januari 2015 heeft [geopposeerde] het appartement laten taxeren door een NVM taxateur. Blijkens het taxatierapport heeft dit geresulteerd in een getaxeerde waarde van € 82.500,00.

2.8.

Op 16 februari 2015 heeft [geopposeerde] het appartement geleverd aan zijn broer. In de akte van levering is onder het kopje WOZ-waarde opgenomen dat de thans bekende WOZ-waarde van het verkochte € 108.000,- bedraagt. “Partijen zijn ermee bekend dat de koopprijs afwijkt van voormelde WOZ-waarde. Volgwens partijen is de WOZ-waarde te hoog.”

3 Het geschil

3.1.

[geopposeerde] heeft in de verstekprocedure gevorderd – samengevat – dat de rechtbank [opposant] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 28.955,90 ter zake van aanvullende schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en proceskosten.

3.2.

[geopposeerde] heeft aan zijn vordering – zakelijk weergegeven – ten grondslag gelegd dat in het vonnis van 14 december 2011 de naast de contractuele boete gevorderde aanvullende schadevergoeding als gevolg van het toerekenbaar tekortschieten door [opposant] , is afgewezen omdat het toen niet mogelijk was te bepalen hoeveel het appartement bij een eventuele verkoop in de toekomst zou opbrengen. Inmiddels heeft hij het appartement aan zijn broer verkocht en geleverd. Maatstaf voor de berekening van de schade is het verschil tussen de koopsom in de koopovereenkomst met [opposant] (€ 120.000) en de verkoopopbrengst van het appartement aan zijn broer (€ 80.000), derhalve een verschil van € 40.000, met aftrek van de contractuele boete van € 12.000, hetgeen uitkomt op € 28.000. De schade bedraagt tezamen met de makelaarskosten ad € 955,90 dus in totaal € 28.955,90.

3.3.

Bij het verstekvonnis van 26 augustus 2015 (hierna: “het verstekvonnis”) zijn de vorderingen van [geopposeerde] integraal toegewezen en is [opposant] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [geopposeerde] tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 751,19. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.4.

[opposant] vordert in het verzet – samengevat –, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

  1. vernietiging van het verstekvonnis;

  2. dat de vorderingen van [geopposeerde] ongegrond worden verklaard dan wel worden

afgewezen dan wel niet ontvankelijk worden verklaard;

3. veroordeling van [geopposeerde] in de proceskosten van de verstekprocedure en de

verzetprocedure;

4. een verklaring voor recht dat [geopposeerde] haar rechten op de vordering heeft verwerkt;

5. een verklaring voor recht dat [geopposeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [opposant] ;

subsidiair:

indien de rechtbank beslist om de vorderingen van [geopposeerde] toch volledig of deels toe te wijzen dan vordert [opposant] matiging van de vordering tot € 5.000,00 tegen

finale kwijting.

3.5.

[opposant] legt aan de primaire vordering ten grondslag dat [geopposeerde] onrechtmatig en te kwader trouw handelt door een te hoge schadevergoeding van hem te vorderen als gevolg van zijn toerekenbaar tekortschieten door niet mee te werken aan de levering van het appartement. [geopposeerde] heeft het appartement voor een te laag, niet marktconform bedrag, aan zijn broer heeft verkocht. Volgens [opposant] heeft het er alle schijn van dat sprake is van een een-tweetje tussen [geopposeerde] en zijn broer. Dit levert voorts misbruik van procesrecht op. Omdat het appartement voor een te lage prijs is verkocht, kan de schade niet aan hem worden toegerekend. Tevens ontbreekt het causaal verband tussen de toerekenbare tekortkoming en de schade, omdat de prijzen op de woningmarkt juist zijn aantrokken. Verder is sprake van rechtsverwerking. [geopposeerde] heeft immers het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat hij zijn aanspraak jegens [opposant] niet (meer) geldend zou maken door jaren na de eerdere procedure niets meer van zich te laten horen. Bovendien is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid om een paar jaar na de eerdere procedure eenzelfde vordering in te stellen. [opposant] stelt zich subsidiair op het standpunt dat [geopposeerde] dan wel zijn makelaar een slechte verkoper is geweest, zodat een second opinion moet worden verkregen van de mogelijke verkoopprijs die [geopposeerde] had moeten krijgen voor het appartement.

Aan de subsidiaire vordering legt [opposant] ten grondslag dat hij een zeer beperkt inkomen heeft en zich jaren later geconfronteerd ziet met hoge vordering, hetgeen meebrengt dat een matiging gerechtvaardigd is.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [opposant] in zoverre in zijn verzet kan worden ontvangen.

4.2.

In geschil is of [opposant] is gehouden tot betaling van een schadevergoeding van een bedrag van € 28.000,-, waartoe hij zich beroept op r.o. 4.8. van het vonnis van 14 december 2011. Daarin overweegt de rechtbank als volgt:

“De door [geopposeerde] gestelde schade overtreft het bedrag van het boetebeding. Ten aanzien van het genoemde bedrag van € 15.000,00 overweegt de rechtbank als volgt. De omvang van de schadevergoeding na ontbinding wegens een tekortkoming moet op grond van vaste jurisprudentie worden bepaald door een vergelijking te maken tussen de situatie waarin onberispelijk zou zijn nagekomen en de situatie na ontbinding en afwikkeling van de daaruit voortvloeiende restitutieverplichtingen. Gelet hierop, is de rechtbank van oordeel dat nu [geopposeerde] de woning niet voor een lagere prijs heeft moeten verkopen en zelfs niet langer te koop aanbiedt, niet kan worden vastgesteld dat [geopposeerde] schade heeft geleden tot het door hem gestelde bedrag. Immers, de na de ontbinding getaxeerde waarde vertegenwoordigt slechts een momentopname. Het is thans niet mogelijk te bepalen hoeveel de woning, die [geopposeerde] als gevolg van de ontbinding nog altijd in eigendom heeft, bij een eventuele verkoop in de toekomst gaat opbrengen. De gevorderde schadevergoeding ad € 15.000,00, althans het deel daarvan dat hoger is dan de contractuele boete, komt dan ook om deze reden niet voor toewijzing in aanmerking.”

4.3.

[geopposeerde] stelt dat de daadwerkelijke schade (na vermindering van de reeds toegewezen contractuele boete) inmiddels kan worden vastgesteld. Hij heeft het appartement thans verkocht en geleverd voor een bedrag van € 80.000. [geopposeerde] vordert het prijsverschil minus de contractuele boete als schadevergoeding.

4.4.

[opposant] voert aan dat [geopposeerde] al eerder schade heeft gevorderd die boven het bedrag van de contractuele boete uitgaat en dat al bij vonnis van 14 december 2011 is overwogen dat hij geen recht had op de overige schade. [opposant] vertrouwde erop dat [geopposeerde] niet na jaren (en een afgewezen vordering bij vonnis in 2011) nogmaals met eenzelfde vordering zou komen die met een juridische procedure en een onrechtmatige manier wordt afgedwongen; zie verder hierboven onder 3.5.

4.5.

De rechtbank begrijpt het verweer van [opposant] als een beroep op het gezag van gewijsde (artikel 236 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, hierna: “Rv”). [geopposeerde] heeft evenwel betoogd dat het gezag van gewijsde niet ambtshalve door de rechter mag worden toegepast, maar slechts wanneer door een der partijen daarop een beroep is gedaan (artikel 236 lid 3 Rv). [geopposeerde] miskent echter dat de rechtbank alle behoorlijk te zijner kennis gebrachte en ten processe gebleken feiten en omstandigheden in zijn beoordeling van het hem voorgelegde punt van geschil mag betrekken en dus het verweer van [opposant] mag uitleggen, hetgeen zij aldus heeft gedaan. Om evenwel te voorkomen dat de rechtbank een verrassingsbeslissing zou nemen, heeft de rechtbank [geopposeerde] de gelegenheid geboden zich uit te laten over een mogelijke toepassing van het gezag van gewijsde. [geopposeerde] heeft vervolgens in zijn akte betoogd dat geen sprake is van gezag van gewijsde, zodat dat punt ter beoordeling voorligt.

4.6.

Ingevolge artikel 236 lid 1 Rv hebben beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en die zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis, in een ander geding tussen dezelfde partijen bindende kracht. Dat geldt niet alleen voor beslissingen die zijn neergelegd in het dictum van een vonnis, maar ook voor beslissingen die zijn neergelegd in dragende overwegingen van het betreffende vonnis.

4.7.

In het vonnis van 14 december 2011 tussen partijen heeft de rechtbank onder het kopje “De beslissing” – het dictum dus – de door [geopposeerde] gevorderde boete toegewezen en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het “meer of anders gevorderde” had betrekking op een vordering tot aanvullende schadevergoeding van € 15.000,- en “overige door [geopposeerde] gestelde schadeposten”.

De gevorderde schadevergoeding van € 15.000,- wegens de toerekenbare tekortkoming van [opposant] kwam blijkens het vonnis niet voor toewijzing in aanmerking, waartoe de rechtbank overwoog dat “nu [geopposeerde] de woning niet voor een lagere prijs heeft moeten verkopen en zelfs niet langer te koop aanbiedt, niet kan worden vastgesteld dat [geopposeerde] schade heeft geleden tot het door hem gestelde bedrag.”

4.8.

De rechtbank dient dus deze rechtsoverweging te interpreteren aangezien de beslissing uit 2011 ziet op deze dragende overweging van de rechtsbetrekking die toen en thans in geschil is. In deze overweging wordt de schade afgewezen wegens – kort gezegd - gebrek aan bewijs omtrent de schade. Dat blijkt ook uit de uitleg in de volgende zinsnede: “Immers, de na de ontbinding getaxeerde waarde vertegenwoordigt slechts een momentopname. Het is thans niet mogelijk te bepalen hoeveel de woning, die [geopposeerde] als gevolg van de ontbinding nog altijd in eigendom heeft, bij een eventuele verkoop in de toekomst gaat opbrengen.”

4.9.

Met het gezag van gewijsde wordt vastgesteld dat de beweerde rechtsverhouding op de aangevoerde gronden niet bestaat. [geopposeerde] kan dus niet over hetzelfde geschilpunt een procedure herhalen met het argument dat hij thans over nieuw bewijsmateriaal meent te beschikken over zijn schade (vgl. HR 14 oktober 1988, NJ 1989, 413). In het vonnis is namelijk vastgesteld dat de beweerde schade op de aangevoerde gronden niet bestaat. Die beslissing heeft vervolgens bindende kracht gekregen. Het vonnis is in kracht van gewijsde gegaan. Indien [geopposeerde] het niet eens was met de beslissing van de rechtbank, had hij een daartoe geëigend rechtsmiddel kunnen instellen.

4.10.

Gelet op het voorgaande behoeven de overige stellingen en verweren geen bespreking meer. De vorderingen van [geopposeerde] dienen te worden afgewezen.

4.11.

[geopposeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [opposant] worden tot op heden begroot op € *, waarvan € 94,19 (inclusief BTW) aan explootkosten, € * aan griffierecht en € 1.158,00 voor salaris advocaat (2 punten x € 579,00, volgens tarief ΙΙΙ), te vermeerderen met de gevorderde rente.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

vernietigt het door deze rechtbank op 26 augustus 2015 onder zaak- en rolnummer

C/09/493379 / HA ZA 15-857 bij verstek uitgesproken vonnis;

en opnieuw rechtdoende:

5.2.

wijst de vorderingen af;

5.3.

veroordeelt [geopposeerde] in de proceskosten, aan de zijde van [opposant] tot op heden begroot op € *;

5.4.

verklaart de veroordeling in de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.A.M. Ahsmann en in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2016, in tegenwoordigheid van de griffer.1

1type: 1693coll: