Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:7981

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15-07-2016
Datum publicatie
15-07-2016
Zaaknummer
09/852107-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tot 3 jaar celstraf voor phishing-bende

Drie mannen en twee vrouwen zijn op 15 juli 2016 veroordeeld voor hun aandeel in het in 2015 op grote schaal plegen van oplichting door middel van phishing, waarbij voornamelijk klanten van de Rabobank voor grote bedragen benadeeld werden. De drie mannen en één vrouw krijgen celstraffen tot 3 jaar van de rechtbank Den Haag. Ook moeten zij geld terugbetalen aan enkele benadeelden en aan de Rabobank, die de benadeelde rekeninghouders voor het grootste gedeelte schadeloos heeft gesteld.

De vijf vormden een criminele organisatie met als doel het plegen van oplichting. Deze oplichting bestond uit phishing. Dit is een vorm van computercriminaliteit waarbij (in dit geval) mensen met een rekening bij de Rabobank zijn benaderd via een vals e-mailbericht met het aanbod voor het aanvragen van een nieuwe Rabo Scanner. Na op een link geklikt te hebben en hun persoonlijke gegevens op een website te hebben ingevuld ten behoeve van de aanvraag, zijn deze mensen gebeld door een van de vrouwen, die zich voordeed als medewerkster van de Rabobank. Gedurende het telefoongesprek liet zij de slachtoffers handelingen uitvoeren en codes afgeven. Vervolgens werden dan vanaf de rekening van de slachtoffers geldbedragen overgeboekt naar andere rekeningen, en opgenomen of uitgegeven. Hierin hadden de drie mannen een aandeel. Deze vrouw en de drie mannen hebben zich op die manier schuldig gemaakt aan oplichting van diverse rekeninghouders en de Rabobank gedurende een periode van ruim een half jaar. Daarbij hebben zij hun slachtoffers bewogen tot afgifte van in totaal bijna 500.000 euro. De schade had ruim 1 miljoen euro kunnen bedragen, als de fraude-afdeling van de Rabobank niet snel had ingegrepen door rekeningen te blokkeren en overboekingen te storneren.

De andere vrouw had een kleinere rol dan haar mededaders, namelijk het ter beschikking stellen van haar woning aan de andere deelnemers van de criminele organisatie. Zij krijgt daarom voor haar aandeel in de criminele activiteiten 2 maanden gevangenisstraf voorwaardelijk en een werkstraf van 150 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/852107-15

Datum uitspraak: 15 juli 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

Donelle [medeverdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ten terechtzittingen van 24 en 27 juni 2016 (beide inhoudelijk) en 11 juli 2016 (sluiting).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. H. Mol en van hetgeen door de raadsman van verdachte mr. A.J.W. van Galen, advocaat te Amsterdam, en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 5 december 2014 t/m 21 juni 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten o.a. verdachte [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van oplichting en/of diefstal en/of (gewoonte)witwassen;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] in of omstreeks de periode van 5 december 2014 t/m 30 juni 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, hebben deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van oplichting en/of diefstal en/of (gewoonte)witwassen, tot en/of bij het plegen van welke misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 5 december 2014 t/m 21 juni 2015 te Amsterdam, althans in Nederland, opzettelijk gelegenheid en/of middelen heeft verschaft en/of behulpzaam is geweest door haar, verdachtes, woning ter beschikking te stellen als verzamellocatie en/of werklocatie voor oplichting en/of diefstal en/of (gewoonte)witwassen.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding
Aanleiding voor dit onderzoek, genaamd [onderzoeksnaam] , is een proces-verbaal geweest met restinformatie uit het onderzoek [onderzoeksnaam 2] . Uit deze restinformatie is gebleken dat op grote schaal fraude (door middel van het zogenaamde phishing) plaats vond, waarbij voornamelijk klanten van de Rabobank voor grote bedragen benadeeld werden. In onderzoek [onderzoeksnaam] is gebruik gemaakt van bijzondere opsporingsmethodieken, zoals het afluisteren van telefoons en het observeren van verdachten. Uit dit onderzoek zijn de verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte] naar voren gekomen. Deze zijn aangehouden en verhoord. Hun is allen deelname aan een criminele organisatie ten laste gelegd en, op de verdachte [medeverdachte] na, oplichting van vijftien rekeninghouders en/of de Rabobank door middel van phishing.

De verdenking luidt dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, althans dat zij daaraan medeplichtig is geweest.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde feit, te weten de deelneming aan een criminele organisatie.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat – wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs dat verdachte wetenschap had van het feit dat een aantal mensen in haar woning was met het oogmerk misdrijven te plegen – vrijspraak dient te volgen ten aanzien van het primair en het subsidiair tenlastegelegde feit.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging 1

De criminele organisatie - algemeen

Een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht is een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen ten minste twee personen. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat men moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. Aanwijzingen voor het bestaan van een dergelijk samenwerkingsverband kunnen bijvoorbeeld zijn gemeenschappelijke regels, een bepaalde gezamenlijke werkwijze, het voeren van overleg, gezamenlijke besluitvorming, een taakverdeling en een bepaalde hiërarchie.

De organisatie dient het plegen van misdrijven tot oogmerk te hebben, hetgeen betekent dat het plegen van misdrijven het naaste doel van de organisatie is. Voor het bewijs van het oogmerk kan betekenis toekomen aan het meer duurzame of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Meer in het algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.

Er is sprake van deelnemen aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht indien de verdachte behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk, te weten: het plegen van misdrijven. Hij dient in dat verband in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Niet is vereist dat de deelnemer enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven, aan enig concreet misdrijf heeft deelgenomen of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad.

Criminele organisatie met betrekking tot deze zaak

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van oplichting, diefstal en/of (gewoonte)witwassen.

De verklaringen van de medeverdachten

De verklaring die [medeverdachte 1] op 28 september 2015 heeft afgelegd houdt – kort en zakelijk weergegeven – het volgende in.2

[medeverdachte 1] heeft in het verleden in de Bijlmer gewoond en kwam daar nog regelmatig. Via [medeverdachte 4] (‘ [medeverdachte 4] ’), die ze kende uit de tijd dat ze in de Bijlmer woonde, is zij in contact gekomen met [medeverdachte 3] (‘ [medeverdachte 3] ’). [medeverdachte 3] heeft op enig moment [medeverdachte 1] meegevraagd om bij een vriendin van hem voor de gezelligheid wat te gaan drinken. Die vriendin was [medeverdachte] (‘ [verdachte] ’) en zij woonde in een flatwoning aan de [adres] in Amsterdam Zuid-Oost . In een gesprek met [medeverdachte 3] is [medeverdachte 1] gevraagd om phishinggesprekken te gaan voeren. Toen ze ja had gezegd, is [medeverdachte 2] (‘ [medeverdachte 2] ’) in beeld gekomen. De fraude is ergens in januari 2015 begonnen. Er werd gewerkt vanuit de woning van [medeverdachte] . [medeverdachte] wist ongetwijfeld van de fraude, aldus [medeverdachte 1] . De ene keer was ze er wel bij, de andere keer niet. Over de werkzaamheden heeft [medeverdachte 1] verklaard dat [medeverdachte 2] haar het verhaal van de Rabo Scanner vertelde en hoe ze mensen moest bellen. Dat was een soort script, aldus [medeverdachte 1] . Ze kreeg een telefoon en [medeverdachte 2] gaf haar het nummer op dat gebeld moest worden. Hij zat naast [medeverdachte 1] achter een laptop en voorzag haar van de persoonsgegevens van het slachtoffer. Zij belde vervolgens met het slachtoffer en deed zich voor als ‘ [pseudoniem van verdachte] ’, een medewerkster van de Rabobank . Het slachtoffer werd verteld dat er een Rabo Scanner zou komen en dat dit de nodige handelingen vereiste. De door het slachtoffer opgegeven codes herhaalde zij hardop, daar werd vervolgens iets mee gedaan. Vervolgens kreeg [medeverdachte 1] van [medeverdachte 2] codes die zij daarna aan het slachtoffer doorgaf. Die codes kreeg zij de ene keer via een briefje, de andere keer via een Rabobankscherm. Bij de gesprekken die [medeverdachte 1] met de slachtoffers voerde was [medeverdachte 3] meestal aanwezig, hij was dan bezig met zijn telefoon. [medeverdachte 1] zegt niet zeker te weten wat [medeverdachte 3] deed, maar het meest logische was dat hij de pinners in kennis stelde. Als [medeverdachte 4] in de woning was, zat hij erbij. [medeverdachte 4] was er minder vaak dan [medeverdachte 3] . Hij was met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] aan het praten over geldbedragen. Dat ging er dan over dat ze snel moesten zijn en de hoop dat het ging lukken. [medeverdachte 1] gaat ervan uit dat ook [medeverdachte 4] deelnam aan die gesprekken, want hij zat er bij. Een aantal malen, wanneer een rekening van een vrouwelijk slachtoffer geblokkeerd bleek, heeft [medeverdachte 1] met de Rabobank gebeld, zich daarbij voorgedaan als het slachtoffer en gevraagd waarom de rekening geblokkeerd was. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] hadden haar gevraagd dit te doen en het zou ook kunnen dat [medeverdachte 4] daar bij was.

Het was [medeverdachte 3] die haar contactpersoon was. Ze kreeg meestal een sms van hem wanneer ze moest komen om te werken. Als ze [medeverdachte 3] niet kon bereiken om te weten hoe laat ze moest werken, dan belde ze [medeverdachte 4] of een andere man, [betrokkene] . Ze werd voor haar werkzaamheden steeds betaald door [medeverdachte 3] en misschien ook een keer door [medeverdachte 4] . Nooit door [medeverdachte 2] .

Op een gegeven moment kreeg [medeverdachte 1] van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] te horen dat ze zouden weggaan uit de woning en naar een hotel zouden gaan. [medeverdachte 1] wilde dat niet, maar [medeverdachte 3] vertelde haar dat hij geen andere locatie had dan een hotel. Er is twee of drie keer vanuit een hotel gewerkt. [medeverdachte 3] of [medeverdachte 2] regelde de kamers en de betaling. [medeverdachte 2] heeft toen opgemerkt dat ze voorzichtig moesten zijn. Dat soort opmerkingen hoorde [medeverdachte 1] veel minder toen ze in de woning van [medeverdachte] zaten.

Tijdens haar verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 17 juni 2016 heeft verdachte [medeverdachte 1] op vragen van [advocaat van medeverdachte] verklaard dat de woonkamerdeur dicht was als zij aan het werk waren.3

De verklaring die [medeverdachte 4] op 24 februari 2016 heeft afgelegd houdt - kort en zakelijk weergegeven - het volgende in.4

De verdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij [verdachte] (verdachte [medeverdachte] ) heeft geholpen met haar huis verhuren om zo de kosten van de huur te drukken. Hij moest voor haar toezicht houden in de woning als er iemand was, want [medeverdachte] wilde niet alleen zijn. Hij hoorde dat [medeverdachte 1] (verdachte [medeverdachte 1] ) in de woning ging bellen. Zij was dan samen met een Afrikaanse man, die zich voorstelde als [medeverdachte 2] (verdachte [medeverdachte 2] ). Later kwam [medeverdachte 3] (verdachte [medeverdachte 3] ) erbij. Ze hadden verteld dat ze de huur zouden betalen en er niet de hele dag zouden zijn, dus dat was snel verdiend. [medeverdachte 3] heeft verteld dat ze zich als bank, de Rabobank , voordeden tijdens de telefoongesprekken. [medeverdachte 2] zat daarbij op zijn laptop.

De verklaring die [medeverdachte 4] op 16 maart 2016 heeft afgelegd houdt – kort en zakelijk weergegeven - het volgende in.5

De verdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [verdachte] (verdachte [medeverdachte] ) haar woning wilde verhuren want zij had geldnood. Een week na zijn aankomst uit Suriname is hij naar de woning van [verdachte] gegaan. Daar waren [medeverdachte 2] (verdachte [medeverdachte 2] ), [medeverdachte 3] (verdachte [medeverdachte 3] ) en [medeverdachte 1] (verdachte [medeverdachte 1] ). Hij vroeg aan [medeverdachte 1] wat zij precies deden. [medeverdachte 1] vertelde hem dat zij uit naam van de bank belde, en [medeverdachte 1] verkeerde in de veronderstelling dat hij ( [medeverdachte 4] ) wel wist wat ze deden in de woning van [verdachte] .

De verklaring van de verdachte

De verklaring van de verdachte, die zij op 17 juni 2016 ten overstaan van de rechter-commissaris heeft afgelegd houdt – kort en zakelijk weergegeven – het volgende in.6

De verdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat de verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] in een bepaalde periode vaak in haar woning waren. [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] zijn al langer bekenden van haar. Behalve met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] had zij ook contact met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Ze spraken elkaar bij haar thuis. Het kwam ook voor dat [medeverdachte 1] met [medeverdachte 4] of met [medeverdachte 3] alleen in haar woning was. De anderen gaven aan dat ze eraan kwamen via de app of ze belden. Zij heeft een keer een sms gestuurd aan [medeverdachte 1] . Ze heeft gezien dat [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] om beurten de laptop op schoot hadden.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 24 juni 2016 verklaard dat zij woonachtig is op het adres [adres] te Amsterdam . [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] kwamen regelmatig in haar woning7; het waren vrienden van [medeverdachte 4] met wie zij toen een relatie had. De verdachte heeft verder verklaard dat zij niet wist wat er in de woonkamer gebeurde en wie er in haar woonkamer waren. Ook heeft zij verklaard dat zij ook niet altijd thuis was, maar dat als zij thuis was, zij vaak verbleef op haar slaapkamer. De woonkamerdeur was dan altijd dicht. Zij ging er nooit naar binnen. Ook als haar zoontje thuis was, ging deze niet de woonkamer binnen. Zij heeft in de ten laste gelegde periode tot medio juni een relatie gehad met [medeverdachte 4] . Hij had een sleutel van haar woning. Vanaf het moment dat de relatie was beëindigd, kwamen de anderen (de medeverdachten) niet meer bij haar op bezoek. Zij heeft nooit een kamer in haar woning onderverhuurd. Zij had wel telefonisch contact met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Met [medeverdachte 4] altijd via haar Lyca-nummer, omdat [medeverdachte 4] ook Lyca had en dan kon je onderlig gratis bellen. Het telefoonnummer - [telefoonnummer 1] betreft haar Lyca-nummer. Met haar andere nummer - [telefoonnummer 8] kon zij onbeperkt bellen. De gesprekken met [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] betroffen gewone gesprekken zoals vrienden doen; bijkletsen.

Zaaksdossiers

In het dossier bevinden zich 15 zaakdossiers die aangiftes van phishing bevatten, die – ze onderling met elkaar vergelijkend - elk een zelfde beeld geven met betrekking tot de bij de oplichting van de rekeninghouders en de Rabobank gehanteerde werkwijze. De zaaksdossiers bevatten voorts een weergave van de tijdstippen waarop de werktelefoon (waarover hieronder meer) actief is, van de onderlinge telefonische contacten van de verdachten op de dag van de oplichting en/of de daaraan voorafgaande dag, en van de zendmastlocaties welke door de bij de verdachten in gebruik zijnde telefoons worden aangestraald alsmede van de tijdstippen waarop dat gebeurt. In een aantal zaaksdossiers bevindt zich ook een weergave van afgeluisterde telefoongesprekken tussen de belster (verdachte [medeverdachte 1] ) en het slachtoffer van phishing.8

Naast de aangiftes in de zaakdossiers 1 tot en met 15 en de aangifte van de Rabobank9 is nog een groot aantal aangiftes gedaan van phishing waarbij de aangevers zijn gebeld door de bij verdachte [medeverdachte 1] in gebruik zijnde werktelefoons.10 Uiteindelijk is uit deze aangiftes een selectie gemaakt van de gevallen waarbij een telefoongesprek met de benadeelde heeft plaatsgevonden van een langere duur dan 500 seconden.11 Zaaksdossier 17 bevat een nadere omschrijving van deze gevallen. Dit zaaksdossier betreft nog eens 70 aangiftes van phishing, waaruit geen ander beeld naar voren komt met betrekking tot de bij de oplichting van de rekeninghouders en de Rabobank gehanteerde werkwijze. 12

Werktelefoons

Naar aanleiding van diverse aangiftes van phishing is onderzoek gedaan naar het telefoonnummer en het IMEI-nummer (de ‘werktelefoon’) waardoor aangevers waren gebeld en welke zendmasten daarbij werden aangestraald. Hieruit is naar voren gekomen dat telkens als de werktelefoon gebruikt werd, de mast aan [adres] werd aangestraald. Nader onderzoek met behulp van - onder andere - technische hulpmiddelen en observaties heeft uitgewezen dat er met de werktelefoon werd gebeld vanuit de woning aan de [adres] te Amsterdam .13 Verdachte [medeverdachte] staat sinds 28 februari 2014 op dat adres ingeschreven.14 Uit onderzoek is gebleken dat er met enige regelmaat andere telefoonnummers konden worden gekoppeld aan hetzelfde IMEI-nummer (de ‘werktelefoon’) en voorts dat deze voornamelijk tussen 9:00 en 21:00 uur zijn gebruikt met de grootste pieken in aantal gesprekken (30 of meer) tussen 12:00 en 20:00 uur.15

De hiervoor aangehaalde - zakelijk weergegeven - bewijsmiddelen leveren naar het oordeel van de rechtbank het wettig en overtuigend bewijs dat er een groot aantal oplichtingen door middel van phishing heeft plaatsgevonden en voorts dat deze zijn gepleegd in het kader van een criminele organisatie.

De rechtbank zal nog andere bewijsmiddelen aanhalen die haar oordeel in deze ondersteunen, de periode waarin de criminele organisatie actief was verduidelijken en die bovendien nog niet eerder besproken zijn.

Overige bewijsmiddelen

In de telefoon van [medeverdachte 1] zijn sms-berichten aangetroffen, die dateren van januari 201516 en die zien op het maken van ‘afspraken’. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat zij in januari 2015 is gestart met de ‘phishinggesprekken’. Zij werkte in de woning van [medeverdachte] . Voorts heeft zij verklaard dat als zij moest werken zij meestal een sms’je kreeg van [medeverdachte 3] . Ze had ook wel contact daarover met [betrokkene] of [medeverdachte 4] .17

Op 16 februari 2015 zijn er sms-berichten tussen het toestel van [medeverdachte 1] en het mobiele telefoonnummer [telefoonnummer 3] , welk nummer blijkens de politiesystemen in gebruik is bij de verdachte [medeverdachte] .18 Bij [medeverdachte 1] komt om 09:34 uur het bericht binnen: “Gm het word vandaag om 2 uur.”19

Op 19 mei 2015 is er, voorafgaand aan het tijdstip waarop de phishinggesprekken plaatsvinden, twee maal contact tussen het nummer [telefoonnummer 4] ( [medeverdachte] ) en het nummer - [telefoonnummer 5] ( [medeverdachte 3] ) en wordt er tussen 11:26 en 11:43 zes maal geprobeerd te bellen met het nummer - [telefoonnummer 6] ( [medeverdachte 1] ), maar worden de oproepen zeer waarschijnlijk doorgeschakeld naar de voicemail.20

Uit onderzoek in de historische verkeersgegevens van het mobiele nummer - [telefoonnummer 7] ( [medeverdachte 4] ) komt naar voren dat er twee maal telefonisch contact is geweest met een van de telefoonnummers (- [telefoonnummer 8] ) van verdachte [medeverdachte] . De andere twee telefoonnummers van [medeverdachte] komen niet voor in de historische verkeersgegevens van het nummer - [telefoonnummer 7] .

Uit onderzoek in de historische verkeersgegevens van het mobiele nummer - [telefoonnummer 5] ( [medeverdachte 3] ) komt naar voren dat er 105 maal telefonisch contact is geweest met het telefoonnummer

(- [telefoonnummer 8] ) van verdachte [medeverdachte] . De andere nummers van [medeverdachte] komen niet voor.21

Er zijn gedurende het onderzoek diverse telefoons getapt. Dit heeft erin geresulteerd dat er niet alleen phishinggesprekken, maar ook telefoongesprekken tussen de verdachten onderling en van de verdachten met derden zijn uitgeluisterd. Bovendien zijn op verschillende data observaties verricht. Voor zover de resultaten hiervan redengevend zijn voor het bewijs van het door verdachten deelnemen aan een criminele organisatie worden zij hieronder weergegeven.

Tijdens een observatie op 2 juni 2015 is gezien dat [medeverdachte 1] haar auto rond 11:00 uur parkeert op de parkeerplaats tegenover de flat aan [adres] . Na te hebben aangeklopt, gaat zij [adres] binnen. Nog geen kwartier later worden ook verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] binnengelaten. Iets meer dan een uur later wordt ook [medeverdachte 3] binnengelaten. Kort daarna verlaten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] de [adres] , waarna [medeverdachte 3] in een Mercedes C200 stapt en [medeverdachte 4] in een Renault Clio. [betrokkene] zwaait richting de Renault en wordt na aankloppen binnengelaten bij de [adres] . Circa een uur later verlaat hij de [adres] en heeft een zwarte laptoptas bij zich, die hij aan een onbekend gebleven man geeft. Kort daarna gaat [betrokkene] terug de [adres] binnen. Tegen 15:00 uur verlaten verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [betrokkene] de [adres] .22 Die dag is omstreeks 13:00 uur een phishinggesprek gevoerd met een van de werktelefoons.23 [betrokkene] heeft ten aanzien van zaaksdossier 6 tweemaal als pinner opgetreden.24

Hieronder volgt een zakelijke weergave van de inhoud van enkele contacten tussen de gebruikers van telefoonnummers - [telefoonnummer 5] (verdachte [medeverdachte 3] ), - [telefoonnummer 9] (verdachte [medeverdachte 2] ),

- [telefoonnummer 7] (verdachte [medeverdachte 4] ) en - [telefoonnummer 6] en - [telefoonnummer 10] (verdachte [medeverdachte 1] ) onderling en enkele contacten van die nummers met derden. Waar dit van toepassing is, worden tevens de observaties die hebben plaatsgevonden weergegeven. Onderstaande beslaat de periode van 21 tot en met 26 juni 2015, een periode waarvan verdachte [medeverdachte 1] heeft aangegeven dat zij toen in hotels gingen werken:25

Sessie 1184: Op 21 juni 2015 om 19:54 uur belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 3] zegt bij [telefoonnummer 10] ( [betrokkene] ) langs te gaan. “Als er morgen dan niets is, hebben we tenminste een huis”, aldus [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] zegt, dat [betrokkene 2] begrijpt waar ze mee bezig zijn. Ze spreken af dat [medeverdachte 2] eerst [betrokkene 2] gaat vragen.

Sessie 1189: Op 21 juni 2015 om 20:04 uur belt [medeverdachte 2] met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 2] heeft met [betrokkene 2] gesproken. [betrokkene 2] weet niet wanneer hij uit zijn huis vertrekt aldus [medeverdachte 2] . Volgens [medeverdachte 3] moet [medeverdachte 2] tegen [betrokkene 2] zeggen, dat ze het huis voor de hele dag willen.

Sessie 1502: Op 22 juni 2015 om 09:06 uur belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] zegt dat [medeverdachte 3] 1 uur moet zeggen tegen de mevrouw.

Sessie 1534: Op 22 juni 2015 omstreeks 11:40 uur, belt [medeverdachte 1] met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] moet bij het Tulip Inn aan de Provincialeweg 38 zijn.

Sessie 1583: Op 22 juni 2015 om 12:53 uur belt [medeverdachte 2] met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] zegt bij het Tulip Inn te zijn. [medeverdachte 3] zegt (naar het nummer gevraagd): “56”.

Sessie 2019: Op 23 juni 2015 om 12:50 belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 3] zegt dat [betrokkene 3] ( [betrokkene] ) is gegaan, hij nu van Schiphol vandaan komt en vraagt of ze ‘gaan werken’. [medeverdachte 2] bevestigt dit. [medeverdachte 3] zegt dat [betrokkene 3] op Schiphol is en hij ‘ [betrokkene 4] ’ dan nu laat komen. [medeverdachte 2] zegt dat ‘ze’ alvast in het hotel kan gaan zitten voordat zij komen en dat zij toch niet samen moeten gaan.

Sessie 2041: Op 23 juni 2015 om 12:58 uur sms’t [medeverdachte 3] de tekst; “Je kan nu komen”

aan het nummer - [telefoonnummer 6] , in gebruik bij [medeverdachte 1] .

Omstreeks 13:27 uur, wordt door leden van het observatieteam gezien, dat [medeverdachte 1] het portiek verlaat waaraan haar woning [adres medeverdachte 1] is gelegen. Omstreeks 14:12 uur daarop volgend zien de leden van het observatieteam, dat [medeverdachte 1] met haar Kia voorzien van het kenteken [kenteken] parkeert op de Kruitberghof te Amsterdam om vervolgens bij snackbar [naam snackbar] te Amsterdam binnen te gaan.

Op 23 juni 2015 omstreeks 15.32 uur zien leden van het observatieteam dat [medeverdachte 3] als passagier (al bellend) instapt in de Kia van [medeverdachte 1] .26

Sessie 2360: Op 23 juni 2015 om 15:42 uur belt [medeverdachte 2] met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] zegt met ‘ [betrokkene 4] ’ te zijn en hij alleen vanuit huis de laptop moet pakken.

Sessie 2372: Op 23 juni 2015 om 15:51 uur belt [medeverdachte 2] met [medeverdachte 3] . [medeverdachte 3] zegt niet helder te kunnen denken (hij is boos) en rijdt nu naar hetzelfde hotel als gisteren. [medeverdachte 3] zegt dat het Campanille ook goed is. [medeverdachte 2] zegt dat ze hadden gezegd dat ze gingen

veranderen. Hij zegt dat ze twee plaatsen hebben; het Campanille en dinges. [medeverdachte 3] zegt hierop dat het Campanille wordt.27

Op 23 juni 2015 om 15:54 uur zien leden van het observatieteam dat [medeverdachte 1] parkeert nabij het Campanille hotel, Loosdrechtdreef 3 te Amsterdam. Tevens wordt gezien, dat [medeverdachte 3] het genoemde hotel naar binnen gaat en aldaar betaalt met twee biljetten van € 50. Hij krijgt kamersleutel 20 overhandigd van een medewerker.28

Sessie 2375: Op 23 juni 2015 om 15:57 uur belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 3] zegt; “Campanilla kamer 20 beneden”.29

Op 23 juni 2015 omstreeks 15:58 zien leden van het observatieteam dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] hotelkamer 20 van het Campanillehotel binnengaan met een kennelijk gevulde boodschappentas. Om 16:20 uur zien zij ook [medeverdachte 2] dezelfde kamer binnengaan. Tussen 17:59 en 18:11 uur verlaat [medeverdachte 3] kort de hotelkamer, waarna hij weer terugkeert. Om 19.19 uur zien ze dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] de hotelkamer verlaten. [medeverdachte 3] levert de sleutel van de hotelkamer in bij de receptie. Ze vertrekken gezamenlijk in de KIA.30

Enkele dagen eerder zijn ook gesprekken tussen het nummer - [telefoonnummer 7] , in gebruik bij de verdachte [medeverdachte 4] , en diverse andere nummers, waaronder die van [medeverdachte 3] , getapt. Zo wordt [medeverdachte 4] op 19 juni 2015 drie keer gebeld door een onbekend gebleven vrouw, tegen wie hij zegt dat hij er eentje heeft gestuurd en nog twee wachtenden heeft, “maar hij zegt die muurlimiet is 2500. Hij zegt tegen mij die muurlimiet is 2500 en daarna gaat tie zelf naar casino, we zijn dicht bij casino. Gaat tie zelf naar casino leeghalen.” Hij vraagt de vrouw hoe veel ze erop gaat gooien en zij zegt dat hij moet zeggen hoe veel ze erop moet zetten. In het tweede gesprek geeft hij aan dat hij op internet gezocht heeft en per week maximaal 2.500 euro gepind kan worden, swipen, en bij de pinautomaat maximaal 1.000. Qua overmaken kan 3.000. Zonder verhoging kan hij maximaal 3.500 weghalen. Kort na dit gesprek wordt [medeverdachte 4] voor de derde keer gebeld door de vrouw, die hem vraagt of AXA-bank een echte bank is, of een verzekeringsbank. Hij zegt dat hij die muur zoekt, “weet je wat die gat direct snap je”. Twee minuten laten belt [medeverdachte 4] met [medeverdachte 3] en gaat het gesprek ook over Axa en dat Frank geen muur ziet, waarbij [medeverdachte 3] in het Engels vraagt “where is the wall from AXA” aan een derde persoon. Daarna zegt hij dat je maar 35 kan pakken per dag. In het tweede gesprek die dag tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] is bij [medeverdachte 3] op de achtergrond de verdachte [medeverdachte 1] te horen die een vraag aan [medeverdachte 3] stelt. [medeverdachte 3] antwoordt hierop: “34.000 (..) overmaken.”

Op 22 juni belt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 4] en zegt hem dat ze gaan stoppen. Vervolgens zegt hij: “Veertig, maar die andere konden we niet doen, maar we konden maar vier kaarten overschrijven (..) Hij heeft veel geld in uh dingen gezet, voor betalingen voor in de week snap je?”

Op 23 juni is [medeverdachte 4] door een onbekend gebleven man gebeld, tegen wie hij zegt: “Ja hij moet eerst die 5K muur, gewoon bij die muur, 5 K. Binnen, binnen kan je niet pakken. Laat die eerst die vijf in zijn zak zitten, eerst die vijf, dan kan die die dinges voor jou kopen die … toch en daarna als ze groot gooien dan gaat-ie naar binnen.” Als hij later die dag wederom door dezelfde man gebeld wordt, zegt hij: “Die man heeft al geld opgenomen toch? Luister. Die man heeft geld opgenomen. Weet je wat die klote blanke man gedaan heeft? (..) Die blanke man is bij de Rabobank naar binnen gegaan en heeft toen de helft van het geld opgenomen en toen heeft hij dat geld naar de ING rekening gestuurd. Nu is de man binnen om het restant te nemen. Die man heeft dan de hele hap opgenomen. Wij kunnen op alles werken (..) maar als je met [betrokkene 5] bent dan doe ik het, ik wacht op jou.”31

Op 24 juni 2015 wordt met het nummer dat in gebruik is bij de verdachte [medeverdachte 2] , - [telefoonnummer 9] , gebeld naar een man met een Nigeriaans netnummer, die door de gebruiker van het nummer - [telefoonnummer 9] [betrokkene 6] wordt genoemd. Het gesprek hield, kort en zakelijk weergegeven, in dat de beller eergisteren, gisteren en vandaag met anderen op een andere plek heeft gewerkt; dat hij heeft gehoord dat er een jongen, die hij kent en hetzelfde werk doet, is opgepakt door de politie, terwijl ze bezig waren; dat ook het meisjes dat ze gebruiken, is aangehouden; dat hij bang is geworden, omdat hij al die mensen kent en die jongen doet, wat [medeverdachte 2] ook doet.32

Op 25 juni 2015 wordt met het nummer dat in gebruik is bij de verdachte [medeverdachte 2] , - [telefoonnummer 9] , opnieuw gebeld naar “ [betrokkene 6] ”. Het gesprek hield het volgende in:

NN44 (verdachte [medeverdachte 2] ): Ik vraag me af of ze dat hebben gevolgd en toen de jongens aangehouden.

NN87: Nee het was per ongeluk. Kijk in Nigeria neemt niemand het woord 419 meer in de mond. Ze gingen rond rijden toen kwamen ze deze jongens. Ze hebben ze gefouilleerd en aangehouden. Zo gaat het. (..) Misschien hebben mensen hen aangegeven.

(..) NN44: Die mensen die opgepakt zijn in andere stad kenden waar wij voorheen gingen. Het was goed dat wij va plek veranderd zijn. Want mensen wisten waar wij waren. Die jongen kende dat huis. Hij was daar geweest om iets met ons te doen. Misschien kan hij gaan praten. Wie weet? Misschien hebben de buren hen aangegeven. Toen kregen ze al deze problemen. (..) Want ik vroeg mij af hoe ze opgespoord waren. Misschien gebruikten ze iets dat wij nu moeten veranderen. Wij gaan nu hotels. Dat lijkt mij goed. (..) Wij wisselen van hotels.33

Op 26 juni 2015 is - [telefoonnummer 5] , in gebruik bij [medeverdachte 3] , gebeld door - [telefoonnummer 6] , in gebruik bij [medeverdachte 1] . Van hen beide is de stem herkend. [medeverdachte 1] vraagt [medeverdachte 3] of dat van gisteren allemaal wel goed is gegaan. [medeverdachte 3] zegt dat die van gister, vanochtend nog niet is gekomen en dat de jongens bezig zijn. Het is pas 12 uur en hij is bezig. Hij zegt dat het wel gekomen is. Die van die groene is gekomen, van die 2200. [medeverdachte 3] vraagt of hij het ergens voor haar kan achterlaten. [medeverdachte 1] zegt dat ze even langs PC gaat en vraagt [medeverdachte 3] te laten weten hoe laat hij kan.34 Later zoekt [medeverdachte 3] haar in de PC Hooftstraat te Amsterdam op.35

Conclusie met betrekking tot de verdachte

De hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen leveren naar het oordeel van de rechtbank het wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte in de ten laste gelegde periode heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven.

De rechtbank overweegt daartoe nader als volgt.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is naar voren gekomen dat er door middel van gebruikmaking van een uitgebreid netwerk aan mensen phishing heeft plaatsgevonden. Klanten van de Rabobank kregen een valse e-mail waarin hen werd gevraagd op een link te klikken als zij in aanmerking wilden komen voor een gratis Rabo Scanner, waarna zij enkele gegevens dienden achter te laten (bankrekeningnummer, pasnummer, personalia en telefoonnummer). Deze mensen werden kort daarna benaderd door iemand die zich voordeed als medewerkster van de Rabobank die met hen enkele stappen wilde doorlopen om de aanvraag definitief te maken. Mensen verstrekten nietsvermoedend inloggegevens en codes waarmee betalingen konden worden verricht. Terwijl de mensen nog aan de telefoon zaten met de ‘medewerkster van de Rabobank ’, werden er al bedragen van hun rekening overgemaakt naar rekeningen van derden, waarop er vrijwel direct op diverse plekken verspreid over Nederland geld gepind werd van die rekeningen. Daar waar camerabeelden waren van de bewuste pintransacties is veelal vastgesteld dat de ‘pinner’ niet de rekeninghouder was.36 Het beeld is ontstaan dat deze derden, zogenaamde ‘money mules’, tegen betaling hun bankrekening daartoe ter beschikking hebben gesteld. De money mules die uiteindelijk verhoord zijn, vertelden hun bankpas verloren te zijn en konden geen verklaring geven hoe anderen ook over hun pincode konden beschikken. Een enkele money mule heeft (uiteindelijk) verklaard zijn bankpas en pincode in ruil voor een financiële vergoeding aan een derde te hebben gegeven.37

Inherent aan bovengeschetste gang van zaken is een strakke mate van organisatie. Phishing vergt een planmatige aanpak, intensieve samenwerking en duidelijke afstemming tussen de daarbij betrokken personen.

Het onderzoek heeft niet alle radertjes in het netwerk kunnen blootleggen. Zo is onduidelijk gebleven wie het grote brein achter het plan was, ook wie de uiteindelijke leiding over de organisatie had, wie de money mules benaderde, wie het geld na de pintransacties collecteerde en bijvoorbeeld waar het geld is gebleven. Daarentegen is een aantal andere zaken met betrekking tot de rolverdeling tussen de verdachten wel duidelijk geworden.

De verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] bevonden zich van januari tot en met juni 2015 bijna elke werkdag in de woning van [medeverdachte] , [adres] , waar de gewraakte phishinggesprekken plaatsvonden. [medeverdachte 4] , die ergens in januari 2015 tot en met begin maart naar Suriname is geweest, heeft de woning van [medeverdachte] geregeld en was na zijn terugkeer uit Suriname ook veelal aanwezig tijdens de phishinggesprekken. Met ingang van 22 juni 2015 werd er overgegaan naar het ‘werken’ vanuit verschillende hotels. Verdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] voerden onderling intensief telefonisch overleg over de tijden en plaatsen waar gewerkt zou gaan worden, waarbij te zien is dat [medeverdachte 2] louter met [medeverdachte 3] contact heeft en op zijn beurt [medeverdachte 3] met [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] onderling. [medeverdachte] en [medeverdachte 1] hadden slechts een enkele keer telefonisch contact, [medeverdachte] en [medeverdachte 3] 105 maal en [medeverdachte] en [medeverdachte 4] slechts 2 maal. [medeverdachte 1] heeft hierover verklaard dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] (en soms [betrokkene] ) haar contactpersonen waren met wie zij werkafspraken maakte en dat zij in de woning van [medeverdachte] - en later in de hotels - samen met [medeverdachte 2] werkte. [medeverdachte 2] zat daarbij op de laptop en [medeverdachte 1] pleegde de telefoontjes aan de hand van een script dat zij van [medeverdachte 2] had gekregen en zijn instructies ter plekke. Zij kreeg codes van hem die zij aan de mensen moest doorgeven die zij belde en andersom; zij moest de codes die de gebelden haar gaven hardop herhalen. [medeverdachte 4] en/of [medeverdachte 3] zaten erbij en waren met hun telefoon bezig. Gelet op de tapgesprekken waarin [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] spreken over geldbedragen, mannen of jongens, banken en de ‘muur’ (kennelijk wordt een geldautomaat bedoeld) acht de rechtbank het aannemelijk dat zij, naast hun rol als contactpersoon voor [medeverdachte 1] , de pinners aanstuurden, mede gelet op het feit dat de geldbedragen vaak nog tijdens het phishinggesprek werden opgenomen door het hele land. Uit de zaaksdossiers 1 tot en met 15 komt bovendien naar voren dat er slechts gewerkt werd als er ten minste 3 personen aanwezig waren, waarbij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] er telkens bij waren en de derde persoon wisselde ( [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en/of [betrokkene] ). Voor zulk een snel handelen is een goed functionerend netwerk en een mate van organisatie nodig, waarbij een ieder op de hoogte is van zijn eigen taken en verantwoordelijkheden.

Uit de tapgesprekken en de observaties volgt dan ook dat het handelen van de verdachten intensief en planmatig was. Phishing werd door hen als ‘werk’ gezien. Uit niets is gebleken dat de verdachten inkomsten uit legaal werk in Nederland hadden. Verdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte] ontvingen wel een uitkering.

In het door [medeverdachte 2] gevoerde tapgesprek met ‘ [betrokkene 6] ’ van 25 juni 2015 valt op dat hij een berekenende houding heeft ten aanzien van de mogelijkheid om gepakt te worden; nu er aanhoudingen verricht zijn onder mensen die hetzelfde doen als zij, moet de werkmethode (bijvoorbeeld het niet langer werken vanuit de woning van verdachte [medeverdachte] , maar in wisselende hotels) aangepast worden om de pakkans te verkleinen.

De rechtbank concludeert dat uit de bewijsmiddelen volgt dat in de bewezenverklaarde periode sprake was van een duurzaam samenwerkingsverband tussen de verdachten, met een duidelijke structuur en een min of meer vaste werkwijze, waarbij bijna dagelijks overleg werd gevoerd en gezamenlijke besluitvorming plaatsvond. Uit de bewijsmiddelen rijst het beeld van een goed geoliede machine die in elk geval al op poten stond in januari 2015.

De organisatie draaide tot de aanhouding van de verdachten. Het oogmerk van deze organisatie was onmiskenbaar het plegen van phishing.

De organisatie kende een duidelijke taakverdeling: [medeverdachte 1] voerde de phishinggesprekken met de slachtoffers, [medeverdachte 2] zat ernaast met zijn laptop en logde in op de internetbankieromgeving om de bedragen over te maken en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] waren de contactpersonen van [medeverdachte 1] en stuurden pinners (katvangers/money mules) aan door het hele land om zo snel mogelijk het geld op te nemen, alvorens de Rabobank de rekeningen zou bevriezen of de gebelde mensen zelf onraad roken. Uit het onderzoek is niet gebleken dat ook maar één andere persoon dan [medeverdachte 1] phishinggesprekken heeft gevoerd. Ook [medeverdachte 2] had een zeer specifieke rol. Zonder hem kon immers niet gewerkt worden.38 [medeverdachte] stelde haar woning ter beschikking, van waaruit gewerkt kon worden, totdat [medeverdachte 2] de hete adem van de politie in zijn nek voelde en er werd overgegaan op het wisselen van hotels van waaruit gewerkt werd.

De rechtbank overweegt tot slot dat een deel van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen ziet op een periode waarin niet langer vanuit de woning van [medeverdachte] werd gewerkt, maar vanuit hotelkamers. Er is echter niets in het dossier dat erop wijst dat de werkwijze van de criminele organisatie anders was ten tijde van het werken vanuit de woning van [medeverdachte] dan vanuit de hotelkamers. Duidelijk is geworden dat in ieder geval vanaf 22 juni 2015 de woning van [medeverdachte] niet langer als werklocatie werd gebruikt.

Opmerking verdient nog dat de weergave van de bewijsmiddelen is beperkt tot een selectie, maar dat uit de overige tapgesprekken, observaties en aangiftes uit die periode geen ander beeld naar voren komt.

Wetenschap

De vraag of bij de verdachte sprake was van wetenschap dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven (in dit geval het plegen van oplichting door middel van phishing), wordt op grond van de bovengenoemde bewijsmiddelen, bevestigend beantwoord. Daarbij overweegt de rechtbank dat volstaat dat de verdachte dit in zijn algemeenheid weet.

De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen laten naar het oordeel van de rechtbank geen ruimte voor een alternatieve uitleg, zoals door de verdachte gegeven. De verdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] bevonden zich met goedvinden van de verdachte in haar woning. Vanuit de woning van de verdachte werden op werkdagen bijna dagelijks, gedurende een aantal aaneengesloten uren, met de zogenaamde werktelefoons, de phishinggesprekken gevoerd door [medeverdachte 1] , terwijl [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 4] daarbij waren.39 Voorafgaand daaraan werden telefonisch afspraken gemaakt over hoe laat ze bij elkaar zouden komen. Uit de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] komt een duidelijk beeld naar voren van de reden voor de aanwezigheid in de woning en van wat er in de woning werd gedaan, namelijk – kort gezegd – de phishingactiviteiten. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank niet verenigbaar de verklaring van de verdachte, dat de anderen slechts voor de gezelligheid in haar woning aanwezig waren (omdat het vrienden betrof van [medeverdachte 4] met wie zij toen een relatie had) en dat zij in het geheel niet zou hebben meegekregen wat zich in de woonkamer afspeelde. Dit geldt te meer nu zij heeft verklaard merendeels op haar slaapkamer te zijn geweest omdat zij zich ziek voelde, hetgeen zich niet lijkt te verhouden met het ontvangen van mensen in de woning ontvangen voor de gezelligheid. Niet valt in te zien dat er – met de verdachte in de slaapkamer en de anderen in de woonkamer – sprake was van sociale interactie van de verdachte met de anderen, of waarom dat voor de verdachte gezellig was. Ook overweegt de rechtbank dat blijkens de verklaring van de verdachte haar zoontje zich na schooltijd regelmatig in de woning bevond en dan regelmatig bij haar op de slaapkamer of in zijn eigen kamer verbleef.

Niet valt in te zien waarom hij dan niet gewoon in de woonkamer zou kunnen verblijven, als de mensen die daar zaten er alleen voor de ‘gezelligheid’ waren. De werkzaamheden die in de woonkamer hebben plaatsgevonden, in het bijzonder het voeren van telefoongesprekken waarbij verdachte [medeverdachte 1] zich voordeed als medewerkster van de Rabobank , verhouden zich in ieder geval geenszins met het risico dat een kind op enig moment zomaar de woonkamer in zou komen, hetgeen vooraf gemaakte afspraken daarover tussen de verdachte en de medeverdachten (namelijk wegblijven uit de woonkamer) veronderstelt. Bovendien vereist de phishing, zoals hiervoor is omschreven, een uitgebreid netwerk waarin alle radertjes een taak hebben en waarbij een ieder de juiste handelingen op het juiste moment moet verrichten. De rechtbank geeft in dit verband als voorbeeld dat gedurende een phishinggesprek niet alleen het geld van de rekeninghouder werd overgemaakt naar een rekening van een derde, maar ook dat dit geld vervolgens - nog vaak tijdens dat telefoongesprek - al werd opgenomen. Dit vergt een strakke organisatie gedurende de phishing, maar ook zeker voorafgaand daaraan. Dit alles verhoudt zich niet met het op de bonnefooi ‘voor de gezelligheid’ bij verdachte langs gaan met het risico dan weggestuurd te worden of überhaupt niet binnen te kunnen. Het aantal en de aard van de contacten tussen de verdachten onderling voorafgaand aan de phishinggesprekken ligt ook meer in die lijn dat er afspraken werden gemaakt. Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte wetenschap had van hetgeen in en vanuit haar woning gebeurde.

De rechtbank overweegt voorts dat de door verdachte afgelegde verklaring ter terechtzitting dat zij altijd via haar Lyca nummer belde met het Lyca-nummer van [medeverdachte 4] , het nummer

- [telefoonnummer 7] van [medeverdachte 4] betreft een Lyca-nummer40, wordt weersproken door de uitkomsten van de onderzoeken in de historische gegevens van het nummer - [telefoonnummer 7] van [medeverdachte 4] , hetgeen de verklaring van verdachte in ieder geval op dat punt ongeloofwaardig maakt. De frequentie van slechts 2 maal een telefonisch contact met [medeverdachte 4] afgezet tegen 105 maal met [medeverdachte 3] , van wie duidelijk is geworden dat hij telkens het contact over de werkafspraken onderhield met [medeverdachte 2] , roept minstgenomen vragen op en lijkt eerder het maken van werkafspraken te suggereren dan gezellig bijkletsen (waarbij zij opgemerkt dat ook de korte duur van de tussen verdachte en [medeverdachte 3] gesignaleerde gesprekken niet het ‘bijkletsen’ ondersteunen).

Gelet op de frequentie, de duur en de aard van de uitgevoerde werkzaamheden in haar woonkamer, wordt de verklaring van verdachte als ongeloofwaardig gepasseerd.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft deelgenomen aan de hiervoor beschreven criminele organisatie, door het (tot het moment dat de andere verdachten vanuit een hotel gingen werken) ter beschikking stellen van haar woning aan andere deelnemers van de criminele organisatie, wetende dat deze zich bezighield met het plegen van oplichting door middel van phishing.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte het haar tenlastegelegde heeft begaan, in dier voege dat:

zij in de periode van 1 januari 2015 t/m 21 juni 2015 te Amsterdam, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten o.a. verdachte [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten het plegen van oplichting.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

Door de officier van justitie is gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee (2) jaren en een taakstraf voor de duur van honderdvijftig (150) uur, bij niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door vijfenzeventig (75) dagen hechtenis.

6.2

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De verdachte heeft zich gedurende een aantal maanden schuldig gemaakt aan deelname aan een criminele organisatie die het plegen van misdrijven, namelijk oplichting door middel van phishing, tot oogmerk had. Een lid van de organisatie deed zich voor als medewerker van de Rabobank om op die manier inloggegevens en signeercodes voor het doen van betalingsopdrachten via internetbankieren te verkrijgen van rekeninghouders bij voornoemde bank. Andere leden van de organisatie deden zich vervolgens tegenover de Rabobank voor als die rekeninghouders door – via internetbankieren - betalingsopdrachten te verrichten vanaf de rekeningen van de slachtoffers naar rekeningen van derden, om vervolgens vanaf die rekeningen de overgemaakte geldbedragen contant op te (laten) nemen, of daarmee betalingen te (laten) verrichten. Verdachte fungeerde als facilitator voor deze organisatie door haar woning bijna dagelijks gedurende meerdere uren ter beschikking te stellen, zodat de organisatie vanuit haar woning kon ‘werken’; het voeren van de phishinggesprekken met de rekeninghouders, het verrichten van de overboekingen en het aansturen van ‘pinners’ die het overgeboekte geld moesten opnemen. Blijkens de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 4] had de verdachte geld nodig om haar huur te betalen en was dat met het ter beschikking stellen van haar woning snel verdiend. Dat de verdachte een minder grote rol heeft gehad in de criminele organisatie ten opzichte van haar medeverdachten, maakt haar niet minder strafbaar. Verdachte heeft immers wel haar bijdrage aan de criminele organisatie geleverd.

Verdachte heeft steeds een ontkennende dan wel zwijgende houding aangenomen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat zij ervoor heeft gekozen geen inzicht te tonen in het kwalijke van haar handelen en geen verantwoordelijkheid te nemen voor haar gedrag.

De door de officier van justitie geëiste straf houdt rekening met de aard en ernst van het bewezenverklaarde, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte alsmede de omstandigheden waaronder het feit is begaan. De rechtbank ziet in hetgeen ter terechtzitting is aangevoerd omtrent de persoonlijke omstandigheden van de verdachte geen aanleiding om af te wijken van de straf zoals die door de officier van justitie is geëist en acht deze passend en geboden.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd. De rechtbank zal echter bepalen dat deze vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee (2) jaren, opdat verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van die proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Voorts is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemene nutte, van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd.

7 De vorderingen van de benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel

Als benadeelde partijen hebben zich ten aanzien van het tenlastegelegde gevoegd:

- [benadeelde 1] , ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 3.083,50;

- [Benadeelde 2] , ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 180,50;

- [benadeelde 3] , ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 25.838,18;

- [benadeelde 4] , ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 2.210,00;

- [benadeelde 5] , ter zake van een vordering tot schadevergoeding, groot € 468.644,58, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Alle vorderingen bestaan uit materiële schade.

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partijen in hun vordering.

7.2

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman van de verdachte is niet-ontvankelijkverklaring van de vorderingen benadeelde partij bepleit, primair omdat de verdachte naar mening van de verdediging integraal vrijgesproken dient te worden van het tenlastegelegde en, subsidiair, omdat de geleden schade niet rechtstreeks voortvloeit uit het tenlastegelegde en bewezenverklaarde.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen tot schadevergoeding. Binnen het kader van dit strafproces zou het een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren om uit te zoeken in welke mate de schade redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend, nu de rol van verdachte ten opzichte van die van de medeverdachten veeleer op de achtergrond heeft plaatsgevonden. De benadeelde partijen kunnen hun vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partijen dienen te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met haar verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) MAANDEN;

bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee (2) jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte te dier zake voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van HONDERDVIJFTIG (150) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van VIJFENZEVENTIG (75) DAGEN;

bepaalt dat de benadeelde partijen [benadeelde 1] , [Benadeelde 2] , [benadeelde 3] en Rabobank niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding en bepaalt dat zij deze vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;

veroordeelt deze benadeelde partijen in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met haar verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. G.J. Schiffers-Hanssen, voorzitter,

mr. M.L. Harmsen, rechter,

mr. A.M.A. Keulen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.A. Beckers, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 15 juli 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500 2015005891, van de politie eenheid Den Haag, dienst regionale recherche, met bijlagen. Nu de zaaksdossiers, het algemeen dossier en overige dossiers van dit proces-verbaal allen apart genummerd zijn, zal bij de paginaverwijzing ook telkens vermeld worden welk dossier het betreft.

2 AH-456, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 28 september 2015 (met fotobijlagen), verdachtendossier [medeverdachte 1] , p. 48 t/m 51, alsmede AH-536, proces-verbaal van bevindingen van 13 november 2015 (met een woordelijk uitgewerkt verhoor van [medeverdachte 1] van 28 september 2015 als bijlage), verdachtendossier [medeverdachte 1] , p. 60 t/m 115.

3 Proces-verbaal verhoor getuige [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 17 juni 2016, paragraaf 64.

4 AH-553, proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 24 februari 2016, AD p. 1212 t/m 1220.

5 Proces-verbaal van verhoor van de verdachte [medeverdachte 4] d.d. 16 maart 2016, Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (aanvulling), p. 44 t/m 47.

6 Proces-verbaal verhoor getuige [medeverdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 17 juni 2016.

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 24 juni 2016.

8 Proces-verbaal van relaas d.d. 2 september 2015, p. 3 t/m 10 en d.d. 28 oktober 2015, p. 181 t/m 183 van ZD 1; Proces-verbaal van relaas d.d. 1 september 2015, p. 3 t/m 12 en d.d. 20 oktober 2015, p. 245 t/m 250 van ZD 2; Proces-verbaal van relaas d.d. 1 september 2015, p. 3 t/m 7 en d.d. 30 oktober 2015, p. 127 t/m 131 van ZD 3; Proces-verbaal van relaas d.d. 1 september 2015 p. 3 t/m 7 en d.d. 30 oktober 2015, p. 171 t/m 173 van ZD 4; Proces-verbaal van relaas d.d. 1 september 2015, p. 4 t/m 12 en d.d. 3 november 2015, p. 167 t/m 172 van ZD 5; Proces-verbaal van relaas d.d. 2 september 2015 p. 4 t/m 18 en d.d. 9 november 2015, p. 239 t/m 247 van ZD 6; Proces-verbaal van relaas d.d. 2 september 2015, p. 3 t/m 9 en d.d. 21 oktober 2015, p. 124 t/m 125 van ZD 7; Proces-verbaal van relaas d.d. 1 september 2015, p. 3 t/m 11 en d.d. 28 oktober 2015, p. 209 t/m 211 van ZD 8; Proces-verbaal van relaas d.d. 1 september 2015, p. 5 t/m 20, d.d. 23 oktober 2015 p. 429 t/m 434 en d.d. 24 november 2015, p. 548 van ZD 9; Proces-verbaal van relaas d.d. 2 september 2015, p. 3 t/m 7 en d.d. 9 november 2015, p. 104 t/m 106 van ZD 10; Proces-verbaal van relaas d.d. 2 september 2015 p. 3 t/m 7 en d.d. 9 november 2015, p. 158 t/m 160 van ZD 11; Proces-verbaal van relaas d.d. 2 september 2015, p. 3 t/m 10, d.d. 26 oktober 2015 p. 145 en 146 en d.d. 26 januari 2016 p. 158 en 159 van ZD 12; Proces-verbaal van relaas d.d. 1 september 2015, p. 3 t/m 7 en d.d. 27 oktober 2015, p. 177 t/m 179 van ZD 13; Proces-verbaal van relaas d.d. 1 september 2015 p. 3 t/m 8 en d.d. 28 oktober 2014, p. 140 t/m 141 van ZD 14; Proces-verbaal van relaas d.d. 2 september 2015, p. 3 t/m 7 en d.d. 28 oktober 2015, p. 136 en 137 van ZD 15.

9 AH-488, een schriftelijk stuk d.d. 9 oktober 2015, AD p. 1082 t/m 1090.

10 AH-288, proces-verbaal van bevindingen, ZD 17, p. 25 t/m 35.

11 Proces-verbaal van relaas d.d. 1 juli 2015, ZD 17 p. 4 t/m 24.

12 AH-342, processen-verbaal van aangifte, ZD 17 p. 43 t/m 249.

13 Proces-verbaal van relaas d.d. 2 september 2015, AD p. 9 onderaan en 10 bovenaan.

14 Proces-verbaal van relaas d.d. 2 september 2015, AD p. 14 bovenaan.

15 AH-288, proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 juli 2015, AD p. 733 t/m 742.

16 AH-398, proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 augustus 2015, ZD 18 p. 129.

17 AH-536, proces-verbaal van bevindingen van 13 november 2015 (met een woordelijk uitgewerkt verhoor van [medeverdachte 1] van 28 september 2015 als bijlage), AD p. 999, 1098, 1102 t/m 1104 en 1114.

18 AH-396, proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 augustus 2015, AD p. 785.

19 AH-398, proces-verbaal van bevindingen, AD p. 832.

20 AH-497, proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 oktober 2015, ZD 6 p. 337 en 338.

21 Proces-verbaal van bevindingen (los, ter terechtzitting d.d. 27 juni 2016 overgelegd door de officier van justitie), nr. 861.

22 AH-118, proces-verbaal van observeren 2 juni 2015 d.d. 2 juni 2015, AD p. 422 t/m 425, AH-515, proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2015, ZD 6 p. 344 en 345 en AH-471, AD p. 1013 onderaan.

23 AH-342, proces-verbaal van aangifte d.d. 19 juni 2015, ZD 17 p. 236 en 237, Algemeen relaas ZD 17, p. 4 en 23.

24 AH-515, proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 oktober 2015, ZD 6 p. 344 en 345.

25 AH-536, proces-verbaal van bevindingen van 13 november 2015 (met een woordelijk uitgewerkt verhoor van [medeverdachte 1] van 28 september 2015 als bijlage), AD p. 1118 en 1119 bovenaan.

26 AH-222, proces-verbaal van observeren, observatie 23 juni vroeg, AD p. 667.

27 AH-253, proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2015 inclusief bijlagen, AD p. 884 t/m 886 en 900 t/m 902.

28 AH-226, proces-verbaal van observeren, observatie 23 juni laat, AD p. 681.

29 AH-253, proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 juli 2015 inclusief bijlagen, AD p. 884 t/m 886 en 903.

30 AH-226, proces-verbaal van observeren, observatie 23 juni laat, AD p. 681.

31 AH-479, proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 september 2015, AD p. 1059 t/m 1062.

32 AH-178, proces-verbaal van bevindingen belastende tapgesprekken [medeverdachte 2] , bestaande uit een tapgesprek van 24 juni 2015 20:21:39 uur met sessienummer 73, AD p. 523.

33 AH-178, proces-verbaal van bevindingen belastende tapgesprekken [medeverdachte 2] , bestaande uit een tapgesprek van 25 juni 2015 15:33:54 uur met sessienummer 73, AD p. 527 en 528.

34 AH-206, proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juli 2015 inclusief bijlagen, p. 594 en 621.

35 AH-206, proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 juli 2015 inclusief bijlagen, p. 594 en 623.

36 Zie onder meer AH-377, proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 augustus 2015, ZD 2 p. 161 t/m 166, AH-284 proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 juli 2015, ZD 5 p. 38 t/m 40, AH-530, proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 oktober 2015, ZD 5 p. 231 en 232, AH-300, proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 augustus 2015, ZD 3 p. 37 t/m 40 en AH-380, proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 augustus 2015, ZD 13 p. 103 t/m 107.

37 Zie onder meer AH-442, proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 7] d.d. 3 september 2015, ZD 2 p. 257 t/m 262, AH-435, proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 10] d.d. 1 september 2015, ZD 5 p. 181 t/m 183, AH-443, proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 9] d.d. 3 september 2015, ZD 6 p. 275, proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 11] d.d. 2 mei 2015, ZD 3 p. 181 t/m 184 en AH-446, proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene 12] d.d. 1 september 2015, ZD 13 p. 186 t/m 189.

38 “ [medeverdachte 2] is ziek dus morgen”, proces-verbaal van relaas d.d. 28 oktober 2015, ZD 18 p. 9 onderaan en AH-398, proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 augustus 2015 inclusief bijlage, ZD 18 p. 142 onderaan en 175.

39 Proces-verbaal van bevindingen van 29 juli 2015, AH 288, Algemeen dossier p. 733-750; proces-verbaal smsberichten telefoon [medeverdachte 1] van 13 augustus 2015, AH 398, Algemeen dossier p. 786-849, Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] van 28 september 2015 (met fotobijlagen), verdachtendossier [medeverdachte 1] , p. 40 t/m 51, alsmede het proces-verbaal van bevindingen van 13 november 2015 (met een woordelijk uitgewerkt verhoor van [medeverdachte 1] van 28 september 2015 als bijlage), verdachtendossier [medeverdachte 1] , p. 60 t/m 115.

40 AH-479 Proces-verbaal van bevindingen, AD p. 1059.