Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:7923

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
15-07-2016
Zaaknummer
VK16 12219
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Armenië, vervangende dienstplicht, gewetensbezwaren, Nagorno-Karabach

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/12219

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 30 juni 2016 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: mr. J.P.M. Sio,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. D.P.A. van Laarhoven.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 mei 2016 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 juni 2016. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder bericht niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Armeense nationaliteit. Op 12 januari 2010 hebben de ouders van eiser mede namens hem een eerste asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is op 28 september 2010 afgewezen en het hiertegen ingestelde beroep is op 18 juli 2011 ongegrond verklaard (AWB 10/35716 en 10/39732). Op 24 mei 2016 heeft eiser de onderhavige asielaanvraag ingediend, die bij het bestreden besluit is afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Bij het bestreden besluit is tevens bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en is een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

2. De rechtbank overweegt allereerst ambtshalve het volgende. Het bestreden besluit is een besluit van gelijke strekking als het eerdere afwijzende besluit van 28 september 2010. Gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1759, zal de rechtbank niet het ne bis-beoordelingskader toepassen maar zal het besluit tot afwijzing van de opvolgende asielaanvraag overeenkomstig artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht getoetst worden in het licht van de daartegen door eiser aangevoerde beroepsgronden. Deze toetsing omvat, zoals bij alle besluiten, de motivering van het besluit en de manier waarop het tot stand is gekomen.

3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag gelegd. Sinds hij de meerderjarige leeftijd heeft bereikt is hij dienstplichtig in Armenië. Eiser wil echter niet dienen in het leger omdat hij het pacifisme aanhangt en vanwege zijn religie. Bij terugkeer vreest hij bestraft te worden als dienstweigeraar.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser bij terugkeer volgens de Armeense wetgeving dienstplichtig is. Voor zover eiser inderdaad zal worden opgeroepen om zijn dienstplicht te vervullen en aangemerkt zal worden als dienstweigeraar wegens zijn verblijf in het buitenland of gewetensbezwaren, stelt verweerder zich op het standpunt dat dit onvoldoende zwaarwegend is om over te gaan tot het verlenen van een asielvergunning. Verweerder heeft de situatie van eiser getoetst aan het beleid zoals beschreven in paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), onder ‘vervolging wegens dienstweigering of desertie’, en het arrest van het Hof van Justitie voor de Europese Unie (HvJEU) van 26 februari 2015, [naam], zaak C-472/13. Niet is gebleken dat eiser in Armenië onevenredige of discriminatoire bestraffing te wachten staat wegens dienstweigering. Daarnaast kent Armenië een vervangende, niet-militaire dienstplicht en is niet aannemelijk dat eiser, indien hij wel in militaire dienst gaat, ingezet zal worden in een gewelddadig conflict waarbij hij het risico loopt betrokken te raken bij oorlogsmisdrijven. Verweerder heeft ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer verwezen naar het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Armenië van april 2016 (het ambtsbericht).

5. Eiser voert aan dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel ernstige schade bij terugkeer naar Armenië. Zijn dienstweigering zal leiden tot een gevangenisstraf en hoge boete en daarmee schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Omdat eiser afkomstig is uit een arm gezin kan hij niet net als mannen uit welgestelde families middels steekpenningen de dienstplicht en vervolging ontlopen. Dat rijke jongens de dienstplicht kunnen afkopen blijkt uit het ambtsbericht. Tevens heeft eiser ernstige, onoverkomelijke gewetensbezwaren omdat hij een overtuigd pacifist is en vanwege zijn religie. Eiser is voornemens een stage te gaan lopen bij de organisatie PAX Christi, een pacifistische organisatie. Hij komt niet in aanmerking voor vervangende dienstplicht nu hij de leeftijd voor aanmelding hiervoor, namelijk 16 jaar, reeds is gepasseerd. Eiser heeft hier geen beroep op kunnen doen omdat hij toen al in Nederland verbleef. De kans is daarnaast zeer groot dat eiser ingezet zal worden in het gewelddadige conflict tussen Armenië en Azerbeidzjan over Nagorno-Karabach dat recentelijk weer is opgelaaid. De internationale gemeenschap heeft zich reeds met dit conflict bemoeid om een wapenstilstand te bewerkstelligen, maar deze lijkt volgens een artikel van The Guardian van 7 april 2016 geen stand te houden. Verder blijkt uit het ambtsbericht dat sprake is van geweld binnen het leger. Eiser voert voorts aan dat verweerder hem geen vertrektermijn had mogen onthouden omdat nog een beroep aanhangig is tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaar tegen de weigering hem uitstel van vertrek te verlenen op grond van artikel 64 van de Vw. Hangende dit beroep verblijft eiser rechtmatig in Nederland. Hij is bovendien nimmer onbereikbaar geweest voor verweerder zodat geen onttrekkingsrisico bestaat. Ook het inreisverbod is ten onrechte opgelegd nu de ouders van eiser in Nederland verblijven en beiden ernstig ziek zijn. Zij zijn deels van eiser afhankelijk voor hun verzorging.

De rechtbank overweegt als volgt.

6. Verweerder kon zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt stellen dat de omstandigheid dat eiser in Armenië mogelijk zal worden aangemerkt als een dienstweigeraar onvoldoende zwaarwegend is om te concluderen dat eiser bij terugkeer risico loopt op vervolging dan wel ernstige schade. Hiertoe is het volgende van belang. In het ambtsbericht is vermeld dat niet bekend is dat bij een eventuele veroordeling als dienstweigeraar factoren als ras, religie, lidmaatschap van een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging een rol spelen bij de uiteindelijke strafmaat. In het ambtsbericht wordt ook overigens geen melding gemaakt van discriminatore of onevenredig zware bestraffing van gewetensbezwaarden. Uit het ambtsbericht blijkt voorts dat Armenië een vervangende, niet-militaire dienstplicht kent en dat gewetensbezwaarden niet langer worden vervolgd, bestraft en gevangen gehouden wanneer zij op basis van hun geloofsovertuiging weigeren in militaire dienst te gaan. Niet is gebleken dat eiser niet voor vervangende dienstplicht in aanmerking kan komen. De stelling dat hij zich hiervoor reeds op zestienjarige leeftijd had moeten aanmelden is niet nader onderbouwd en zulks blijkt niet uit het ambtsbericht. Voor zover eiser wel in militaire dienst zou gaan, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij zal worden ingezet in een gewapend conflict waarbij hij het risico loopt betrokken te raken bij oorlogsmisdrijven. Weliswaar blijkt uit het door eiser overgelegde artikel dat nog altijd sprake is van onrust omtrent Nagorno-Karabach, hieruit volgt geenszins dat eiser conform het voormelde arrest Shepherd van het HvJEU het risico loopt betrokken te raken bij oorlogsmisdrijven.

7. Uit het voorgaande volgt dat verweerder de asielaanvraag van eiser kon afwijzen. Thans staat nog ter beoordeling of verweerder kon bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en een inreisverbod kon opleggen.

8. Naar het oordeel van de rechtbank kon verweerder op grond van artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw, gelezen in samenhang met de artikelen 6.1 en 5.1b van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) bepalen dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten. De omstandigheid dat een beroep aanhangig is over een aanvraag tot uitstel van vertrek is geen grond om van het onthouden van een vertrektermijn af te zien. Voor zover uitstel van vertrek daadwerkelijk wordt verleend, wordt de werking van het terugkeerbesluit (en inreisverbod) opgeschort. Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 1 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1015. Daar komt nog bij dat het beroep van eiser tegen de ongegrondverklaring van zijn bezwaar tegen de weigering uitstel van vertrek te verlenen door deze rechtbank en zittingsplaats ongegrond is verklaard bij uitspraak van 9 juni 2016 (AWB 15/14354).

9. Gelet op het bovenstaande kon verweerder op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, een inreisverbod opleggen voor de duur van twee jaar. In het verblijf van de ouders van eiser in Nederland en hun medische problematiek hoefde verweerder geen aanleiding te zien om van het opleggen van het inreisverbod af te zien, nu de ouders van eisers evenmin een verblijfsstatus hebben in Nederland en op hen eveneens een vertrekplicht rust.

10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.M. van Dijk-de Keuning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.Y.M. van Deijck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.