Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:7922

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2016
Datum publicatie
14-07-2016
Zaaknummer
VK16 3984
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

intrekking verblijf bij partner, voortgezet verblijf, 8 EVRM, minderjarige kinderen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/3984

V-nummers: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 juni 2016 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

mede namens haar minderjarige kinderen:

[naam] , geboren op 4 juni 1999, en

[naam] , geboren op 22 oktober 2002,

gezamenlijk te noemen: eisers,

gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. C.W.M. van Breda.

Procesverloop

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 februari 2016 (het bestreden besluit).

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 18 mei 2016. Eiseres is ter zitting verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde, en vergezeld van [naam]. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig M. Verhoof-Valairat, tolk in de Thaise taal. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres is geboren op [geboortedatum] Evenals haar kinderen bezit zij de Thaise nationaliteit. Eiseres is op 4 december 2009 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij partner [naam] , te noemen referent 1. Deze vergunning is aansluitend verlengd tot 4 december 2015. De minderjarigen zijn op 15 juni 2012 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij eiseres. Bij besluit van 16 mei 2014 is de vergunning van eiseres met terugwerkende kracht vanaf 15 december 2013 ingetrokken wegens het verbreken van haar relatie met referent 1. Bij dit besluit zijn tevens de vergunningen van de minderjarigen voor de periode van 15 december 2013 tot 9 april 2014 ingetrokken. Eiseres is vanaf 9 april 2014 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij partner [naam] te noemen referent 2. Aan haar kinderen is opnieuw een van haar rechtmatig verblijf afhankelijke verblijfsvergunning verleend. Op 24 november 2014 heeft referent 2 aan verweerder gemeld dat de gezinsband met eiseres is verbroken. Hierop heeft verweerder op 17 februari 2015 het voornemen uitgebracht de vergunningen van eisers per 15 november 2014 in te trekken. Eiseres en referent 2 hebben bij brief van 3 maart 2015 gezamenlijk op dit voornemen gereageerd. Bij brief van 16 maart 2015 heeft eiseres een aanvullende reactie ingediend. Daarin stelt zij dat referent 2 haar en haar kinderen volkomen onverwacht zijn huis heeft ‘uitgegooid’, maar dat de scheiding mogelijk een tijdelijk karakter heeft.

2. Op 25 maart 2015 heeft eiseres de onderhavige aanvraag ingediend tot wijziging van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in verblijf op niet-tijdelijke humanitaire gronden in het kader van voortgezet verblijf. Bij besluit van 2 juni 2015 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen en de verblijfsvergunningen van eisers conform het voornemen ingetrokken per 15 november 2014. Bij bet bestreden besluit heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

3. Op hetgeen eisers daartegen hebben aangevoerd wordt hieronder nader ingegaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

4. Niet in geschil is dat de relatie tussen eiseres en referent 2 inmiddels definitief verbroken is. Op grond daarvan was verweerder bevoegd de verblijfsvergunningen van eisers in te trekken omdat zij niet langer voldoen aan het verblijfsdoel.

5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich vervolgens terecht op het standpunt gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor de gevraagde verblijfsvergunning, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden zoals gesteld in artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en verder uitgewerkt in paragraaf B9/8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Zij is immers blijkens de hierboven vermelde tijdvakken niet gedurende een aaneengesloten periode van 5 jaar in het bezit geweest van een verblijfsvergunning als familie- of gezinslid.

6. Voorts kon verweerder zich op het standpunt stellen dat geen sprake is van onevenredige hardheid, noch van schending van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in het kader van privéleven. De - onder verwijzing naar haar brief van 16 maart 2015 - ingenomen stelling van eiseres dat met name referent 2 gebruik heeft gemaakt van de afhankelijkheidspositie waarin zij verkeerde en haar op die manier psychisch heeft mishandeld, is niet onderbouwd met stukken uit objectieve bron als processen-verbaal van aangifte en/of mutaties van politie betreffende geweld in huiselijke kring. Uit het gezamenlijk schrijven van eiseres en referent 2 van 3 maart 2015 blijkt bovendien van een andere situatie, namelijk dat zij goede vrienden zijn en een toekomstige samenwoning zeer wel mogelijk is. Daarnaast mag van eisers worden verwacht dat zij zich opnieuw vestigen in Thailand. Zij hebben het merendeel van hun leven in Thailand gewoond. Eiseres verblijft sinds eind 2009 in Nederland, de minderjarigen sinds medio 2012. Hoewel de minderjarigen thans hier naar school gaan en eiseres hier een bedrijf heeft opgezet, is de verblijfsduur van eisers niet zodanig dat sprake is van een te beschermen privéleven in Nederland. De omstandigheid dat eisers door de eigen inkomsten van eiseres niet ten laste zullen komen van de openbare kas, is onvoldoende voor verblijfsaanvaarding.

7. Voor zover eisers hebben betoogd dat thans sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM tussen eiseres en haar huidige partner [naam] is de rechtbank van oordeel dat dit, gelet op het ‘ex tunc’ karakter van de onderhavige toets, niet kan worden meegewogen. Bovendien heeft eiseres reeds een afzonderlijke aanvraag ingediend voor verblijf bij deze partner.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.Y.M. van Deijck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.