Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:7920

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2016
Datum publicatie
14-07-2016
Zaaknummer
VK 16 1775
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

mvv nareis, pleegkind, feitelijke gezinsband niet aannemelijk, Eritrea

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 16/1775

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 juni 2016 in de zaak tussen

[naam], eiser,

gemachtigde: A.H. Rijkse,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: C.W.M. van Breda.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 5 januari 2016 (het bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2016. Partijen hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Tevens waren aanwezig [naam], referent, en T. Tzegai, tolk in de taal Tigrinya. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Eritrese nationaliteit te bezitten. Op 26 maart 2015 heeft referent – van Eritrese nationaliteit – ten behoeve van eiser een aanvraag ingediend voor het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Bij besluit van 24 juni 2015 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de feitelijke gezinsband tussen referent en eiser, die de pleegzoon zou zijn van referent, niet aannemelijk is gemaakt. Hieraan ligt het volgende ten grondslag. Referent wist zich tijdens het eerste gehoor in het kader van zijn asielprocedure in eerste instantie de voornaam van eiser niet te herinneren, terwijl eiser al acht jaar bij zijn gezin zou horen. De gezinsband is ook niet onderbouwd met enig document, terwijl referent meerdere malen heeft verklaard wel over een dergelijk document te beschikken dan wel dit te kunnen verkrijgen in het land van herkomst. Evenmin is een toestemmingsverklaring van de achterblijvende ouder – de biologische vader van eiser – ingebracht en heeft referent wisselend verklaard over de (detentie)situatie van de vader van eiser. Daar komt bij dat referent bevreemdende verklaringen heeft afgelegd over de vlucht van zijn biologische kinderen en die van eiser. Zo zou eiser als enige zijn achtergebleven in Eritrea omdat referent geen geld had hem ook mee te nemen naar Soedan. Eiser zou thans verblijven bij een (biologische) tante in Khartoem, van wie referent de naam niet kent, terwijl de biologische kinderen van referent zouden verblijven bij een nichtje van zijn echtgenote, wiens naam hij wel kent.

3. Eiser voert aan dat hij na het overlijden van zijn (biologische) moeder op 31 januari 2007 is opgenomen in het gezin van referent, zoals cultureel gebruikelijk is in het land van herkomst. Eiser heeft een kerkelijke overlijdensakte van zijn (biologische) moeder overgelegd en zijn eigen geboorteakte. De biologische vader van eiser is thans gedetineerd in het land van herkomst, waardoor hij niet in staat is een toestemmingsverklaring te ondertekenen. Referent en zijn echtgenote zijn als eerste leden van het gezin gevlucht, de kinderen zijn ondergebracht in Khartoem. De biologische dochter van referent is nadien zoekgeraakt, wat erg veel spanning oplevert voor referent en zijn echtgenote. Als de veilige overkomst van eiser gefrustreerd zou worden, zou dit een zeer schrijnende situatie opleveren voor het gehele gezin.

4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de feitelijke gezinsband tussen referent en eiser niet aannemelijk is gemaakt. Hiertoe is van belang dat eiser weliswaar een aantal stukken heeft overgelegd maar, nog daargelaten de vraag of deze stukken authentiek zijn, deze stukken niet kunnen bijdragen aan de vaststelling van een gezinsband tussen referent en eiser. Dergelijke stukken ontbreken, terwijl referent ter zitting nogmaals heeft verklaard wel over een document te beschikken of te hebben beschikt van de biologische vader van eiser. Gedurende de procedure is eiser reeds meermaals uitdrukkelijk gewezen op het belang van dergelijke documenten. Voorts heeft eiser met zijn verklaringen evenmin aannemelijk kunnen maken dat sprake is van een feitelijke gezinsband. Zo heeft hij wisselend verklaard over de (detentie)situatie van de biologische vader van eiser en over de familieleden bij wie zijn biologische kinderen en eiser zijn ondergebracht. De omstandigheid dat thans onbekend is waar de biologische dochter van referent zich bevindt levert, hoewel zeer betreurenswaardig, geen grond op om aan eiser de gevraagde mvv te verlenen.

5. Voor zover eiser thans wel beschikt over documenten die de gezinsband met referent aannemelijk maken, of deze in de toekomst verkrijgt, staat het hem vrij opnieuw een aanvraag in te dienen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.Y.M. van Deijck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.