Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:7888

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-07-2016
Datum publicatie
19-07-2016
Zaaknummer
C/09/510972 KG ZA 16/589
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbestedingsprocedure. Kern van het onderhavige geschil betreft de vraag of het beoordelingsteam op basis van de door eiseres bij haar inschrijving ingediende stukken redelijkerwijs tot de aan eiseres toegekende score van 4 punten voor het kwaliteitscriterium planning heeft kunnen komen. Eiseres meent dat dit niet het geval is, maar dat wordt door de voorzieningenrechter niet gevolgd. De vorderingen worden afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2016/207
Module Aanbesteding 2016/459
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team Handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/510972 / KG ZA 16/589

Vonnis in kort geding van 7 juli 2016

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[X] Watermanagement B.V.,

gevestigd te Piershil, gemeente Korendijk,

eiseres,

advocaat mr. H.P.M. van Woensel te Amsterdam,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon: waterschap

Hoogheemraadschap van Rijnland,

zetelende te Leiden,

gedaagde,

advocaat mr. I.J.M.I. Souren te Rotterdam,

waarin is tussengekomen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GMB Civiel B.V.,

gevestigd te Opheusden, gemeente Neder-Betuwe,

advocaat mr. R.G.T. Bleeker te Amsterdam.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [X] ’, ‘het Hoogheemraadschap’ en ‘GMB’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door het Hoogheemraadschap overgelegde producties;

- de incidentele conclusie tot tussenkomst dan wel voeging;

- de op 16 juni 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door alle partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 Het incident tot tussenkomst dan wel voeging

2.1.

GMB heeft gevorderd te mogen tussenkomen in de procedure tussen [X] en het Hoogheemraadschap dan wel zich te mogen voegen aan de zijde van het Hoogheemraadschap. Ter zitting heeft [X] verzocht beide verzoeken af te wijzen. Het Hoogheemraadschap heeft geen bezwaar naar voren gebracht tegen tussenkomst dan wel voeging, maar zij heeft verklaard voeging meer aangewezen te achten.

2.2.

Ter zitting is aan de bezwaren van [X] voorbij gegaan en is GMB toegelaten als tussenkomende partij, aangezien zij – als zijnde de inschrijver aan wie het Hoogheemraadschap voornemens is de opdracht te gunnen – aannemelijk heeft gemaakt dat zij daarbij voldoende belang heeft. Dat belang is gelegen in de mogelijkheid om met eigen argumenten de vorderingen van [X] te kunnen bestrijden. Voorts is niet gebleken dat de toewijzing van de gevorderde tussenkomst in de weg staat aan de vereiste spoed bij dit kort geding en de goede procesorde in het algemeen. Aan de stellingen van [X] , inhoudende dat het Hoogheemraadschap GMB van alle ins en outs van de inschrijving van [X] op de hoogte stelt en dat zij “onder één hoedje spelen” en samen trachten om [X] “buiten spel” te zetten, wordt reeds voorbij gegaan, omdat dit slechts blote stellingen betreft die na betwisting hiervan niet nader zijn onderbouwd, zodat niet van de juistheid hiervan kan worden uitgegaan.

2.3.

[X] en het Hoogheemraadschap hebben de door hen overgelegde producties niet aan GMB doen toekomen. [X] heeft in dit verband gesteld dat deze producties deels al in het bezit zijn van GMB en voor zover dat niet het geval is, deze vertrouwelijke en bedrijfsgevoelige informatie van [X] bevatten. Het Hoogheemraadschap heeft zich beroepen op de bezwaren van [X] tegen overlegging van deze producties. GMB heeft opgemerkt dat zij haar verweer voert en ook meent te kunnen voeren aan de hand van het gestelde in de dagvaarding. Als de producties echter grond vormen voor toewijzing van het gevorderde, wenst zij deze wel te ontvangen en daarop te kunnen reageren. Uit proceseconomisch oogpunt is de zaak vervolgens ter zitting inhoudelijk behandeld, waarbij door de voorzieningenrechter is aangekondigd dat de weigering om de producties aan GMB te verstrekken, reden kan vormen voor een aanhouding van de zaak en het plannen van een nieuwe behandeling. Gelet op de hierna vermelde uitkomst van deze procedure is voor een aanhouding echter geen aanleiding.

3 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

3.1.

Het Hoogheemraadschap heeft de aanbesteding “Renovatie van Boezemgemaal Spaarndam” georganiseerd volgens de niet-openbare procedure (hierna: de aanbesteding). De opdracht, inhoudende de grootschalige renovatie van het gemaal Spaarndam (hierna: de opdracht), de procedure en de eisen staan beschreven in de inschrijvingsleidraad en in het bestek. Het doel van de aanbesteding is het contracteren van één opdrachtnemer voor de opdracht, die wordt gegund aan de inschrijver die de Economisch Meest Voordelige Inschrijving (EMVI) heeft aangeboden.

3.2.

In de beschrijving van de opdracht in de inschrijvingsleidraad staat vermeld dat, samengevat, de voorbereidende werkzaamheden voor de renovatie in 2016 kunnen plaatsvinden, dat de ombouw van beide aandrijvingen dient plaats te vinden in de periode van 1 mei 2017 tot 1 september 2017 en dat tijdens de werkzaamheden te allen tijde 50% van de totale bemalingscapaciteit beschikbaar dient te blijven. Verder dienen de nieuwe aandrijflijnen op 1 september 2017 minimaal op handbedrijf operationeel te zijn, zodat het Hoogheemraadschap op die datum de beschikking heeft over 100% bemalingscapaciteit. Het gehele werk dient uiterlijk op 15 oktober 2017 te worden opgeleverd.

Over de verschillende in te dienen kwalitatieve documenten staat in de inschrijvingsleidraad het volgende vermeld.

“- Plan van Aanpak

Plan van Aanpak voor de uitvoering van het werk met daarin o.a. opgenomen deel:

o Planning

o Risicomanagement

o Projectmanagement

(…)

- Planning

De planning wordt beoordeeld op:

- Of deze realistisch en haalbaar is;

- Of deze Smart is.

In de planning dient tenminste te worden opgenomen:

- afstemming van de werkzaamheden met eventuele onderaannemers;

- afhankelijkheid van de verschillende werkzaamheden;

- Kritische pad;

- Bijwoonpunten;

- Eventuele ruimte in de planning.

(…)”

Naar aanleiding van gestelde vragen zijn de gunningscriteria nader geformuleerd. Voor zover thans relevant luiden deze als volgt:

“(…) Welke inschrijver de “Economisch Meest Voordelige Inschrijving” heeft gedaan, wordt aan de hand van de volgende gunningscriteria bepaald:

  1. Aanbiedingsprijs

  2. Kwaliteit opgenomen in het Plan van Aanpak,

- Planning

- Risicomanagement

- Projectmanagement

De inschrijving met de laagste fictieve aanbiedingsprijs is de “Economisch Meest Voordelige Inschrijving”. De fictieve aanbiedingsprijs is de aanbiedingsprijs van de inschrijver minus de fictieve aftrek op de kwaliteitscriteria. (…)”

Planning

Doelstelling

Er ligt de ruimte voor de inschrijver om aan de aanbesteder te laten zien op welke wijze hij zijn werkzaamheden over de looptijd van het werk heeft gepland, zodat aannemelijk wordt dat het werk binnen de voorgeschreven uitvoeringsperiode in het bestek voltooid kan worden.

Beoordelingsaspecten

Bij dit criterium dient de inschrijver aan te tonen dat:

- hij een kwalitatieve en haalbare projectplanning kan opstellen, waarin/waarmee concreet risico’s worden beheerst zodat het werk binnen de gestelde termijn kan worden opgeleverd. Gedacht kan worden aan slimme planning van leveranties, fasering en afstemming van disciplines.

Wijze van beoordelen

Planning in combinatie met een Plan van Aanpak, met daarbij een overzicht van de uit te voeren werkzaamheden, beargumentering van doorlooptijden en fasering en een toelichting van de beheersmaatregelen.

Waarde

Maximaal € 600.000,-

Beoordelingsschaal – Planning

Cijfer

Waardering

Beschrijving

Maximale van fictieve aftrek

4

Onvoldoende

De planning is niet realistisch en/of sluit niet aan bij het plan van aanpak icm de vereiste werkzaamheden

0

6

Neutraal (geen meerwaarde)

De planning is realistisch en haalbaar. Maar niet alle onderdelen van het integrale plan van aanpak icm de vereiste werkzaamheden komen terug.

200.000

8

Goed

De planning is realistisch, haalbaar en sluit aan bij het plan van aanpak. De planning beperkt inzicht in de fasering in relatie tot de risico’s.

400.000

10

Uitstekend

De planning is realistisch, haalbaar en sluit aan bij het plan van aanpak. De planning geeft een duidelijk dan wel volledig beeld van de fasering in relatie tot risico’s.

600.000

3.3.

[X] heeft tijdig ingeschreven op de aanbesteding.

3.4.

Bij brief van 26 april 2016 heeft het Hoogheemraadschap aan [X] meegedeeld dat haar inschrijving niet als de economisch meest voordelige kan worden aangemerkt (hierna: de afwijzingsbrief). De hiervoor in deze brief opgenomen motivering luidt ten aanzien van de planning als volgt:

“- Deze voldoet niet aan de minimale eisen:

geen kritisch pad

geen bijwoonpunten

het inleveren van de oplever- / in gebruik genomen documenten is niet duidelijk weergegeven.

  • -

    De zware onderdelen worden via de zuidzijde van het gemaal verwijderd.

  • -

    De afwijkingen in de planning worden altijd gemeld tijdens het projectoverleg en niet wanneer de planning al 14 dagen achter loopt én vooral niet tijdens de ombouwperiode.”

Uit de bij de brief gevoegde spreadsheet blijkt dat het onderdeel planning met een cijfer 4 is beoordeeld, zodat daarvoor geen fictieve aftrek is toegekend. In deze spreadsheet staan ten aanzien van dit onderdeel geen positieve punten genoemd, maar wel enkele neutrale punten en enkele negatieve punten. Deze laatste zijn:

“voldoet niet aan de minimale eisen: bijvoorbeeld:

geen kritisch pad

geen bijwoonpunten

inleveren oplever- / ingebruikname documenten niet duidelijk weergegeven

ruimte in de planning niet aangegeven

- zware onderdelen worden via de zuizijde van het gemaal verwijderen.

- afwijkingen in de planning altijd melden tijdens het projectoverleg en niet wanneer de planning al 14 dagen achter loopt vooral niet tijdens de ombouw periode.”

Voorts vermeldt de brief onder meer dat, kort gezegd, i) de fictieve inschrijfprijs van [X] € 2.795.000,00 is, ii) de inschrijving van GMB de economisch meest voordelige is gebleken met een fictieve inschrijfprijs van € 2.644.000,- en iii) voor nadere informatie en een toelichting op de inschrijving contact kan worden opgenomen met een medewerker van het Hoogheemraadschap.

3.5.

[X] heeft verzocht om een nadere toelichting als bedoeld in de afwijzingsbrief. Deze heeft zij mondeling gekregen tijdens een bijeenkomst op 12 mei 2016.

4 Het geschil

4.1.

[X] vordert, zakelijk weergegeven:

primair: te beslissen dat de opdracht zal worden gegund aan [X] ;

subsidiair: gunning aan GMB van de opdracht te verbieden, althans het Hoogheemraadschap te verbieden uitvoering te geven aan het voornemen tot gunning van de opdracht aan een ander dan aan [X] , onder gelijktijdige gunning van de opdracht aan [X] ;

meer subsidiair: het Hoogheemraadschap te verbieden de opdracht te gunnen aan GMB, met gelijktijdige bepaling dat zij de opdracht opnieuw dient aan te besteden na verduidelijking van een gunningscriteria en het bestek;

meest subsidiair: het Hoogheemraadschap te verbieden te gunnen aan GMB, met gelijktijdige bepaling dat het Hoogheemraadschap de opdracht opnieuw dient aan te besteden, waarbij het is verboden de aanbestedingsprocedure op dezelfde wijze opnieuw uit te schrijven.

4.2.

Daartoe voert [X] – samengevat – het volgende aan. Het Hoogheemraadschap heeft bij de inschrijving van [X] een onjuiste beoordeling toegepast op het kwaliteitscriterium planning. Voor dat onderdeel is een 4 toegekend. Dat had minstens een cijfer 6 moeten zijn, waarmee [X] de laagste fictieve inschrijvingsprijs zou hebben verkregen. Het verschil tussen de scores van [X] en GMB is namelijk minimaal, mede omdat de reële inschrijfprijs van [X] beduidend lager is dan die van GMB. De inschrijving van [X] is onjuist beoordeeld omdat daarin wel degelijk een kritisch pad is beschreven, met name in de overgelegde Gantt-grafiek en wel voor wat betreft de uitvoeringsfase waarin kritieke activiteiten aan de orde zijn. Verder bevatten de inschrijvingsstukken van [X] , meer specifiek de Gantt-grafiek, de in het bestek genoemde bijwoonpunten. Ook wordt hierin het inleveren/de ingebruikname van documenten duidelijk benoemd. Ruimte in de planning is zichtbaar gemaakt in de Gantt-grafiek met witte delen en deze wordt ook in het plan van aanpak benoemd. Voor het afvoeren van de zware onderdelen via de Zuidzijde heeft [X] goede redenen. Overigens betreft dit geen planningsonderdeel. Verder blijkt uit de inschrijving van [X] dat in elk projectoverleg melding wordt gedaan van eventuele afwijkingen en niet pas als de planning 14 dagen achterloopt. De conclusie dat niet aan de minimale eisen wordt voldaan, kan dan ook niet worden gevolgd. Evenmin kan worden volgehouden dat de planning niet realistisch is of dat deze niet aansluit bij het plan van aanpak, hetgeen correspondeert met het beoordelingscijfer 4. De onderbouwing als vermeld in de afwijzingsbrief is dus onjuist. Voorts zijn hierin de voordelen van de uitgekozen inschrijving niet kenbaar gemaakt. Dit kan niet worden hersteld met de overgelegde producties, met daarin nadere afwijzingsredenen en een vergelijking met de inschrijving van GMB, die pas twee dagen voor de zitting in dit geding zijn overgelegd. Dat is te laat. Overigens zijn de hierin genoemde voordelen van de inschrijving van GMB gestoeld op willekeurige ongemotiveerde keuzes en staan hierin tegenstrijdigheden. Het Hoogheemraadschap heeft gezien het vorenstaande niet tot zijn beoordeling kunnen komen en de geconstateerde gebreken zijn zodanig dat tot heraanbesteding zal moeten worden overgegaan.

4.3.

Het Hoogheemraadschap en GMB voeren gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.4.

GMB vordert – zakelijk weergegeven – het Hoogheemraadschap te gelasten de opdracht, in het geval zij deze zal doen uitvoeren, op te dragen aan GMB.

4.5.

Verkort weergegeven stelt GMB daartoe dat zij er belang bij heeft dat de opdracht definitief aan haar gegund wordt en derhalve bij afwijzing van de vorderingen van [X] , nu die definitieve gunning daardoor in gevaar kan komen.

4.6.

Voor zover nodig zullen de standpunten van [X] en het Hoogheemraadschap met betrekking tot de vorderingen van GMB hierna worden besproken.

5 De beoordeling van het geschil

5.1.

Kern van het onderhavige geschil betreft de vraag of het beoordelingsteam op basis van de door [X] bij haar inschrijving ingediende stukken redelijkerwijs tot de aan [X] toegekende score van 4 punten voor het kwaliteitscriterium planning heeft kunnen komen.

5.2.

Vooropgesteld wordt dat enige mate van subjectiviteit inherent is aan de beoordeling van een kwalitatief criterium. Weliswaar staat dat (enigszins) op gespannen voet met de objectieve beoordelingssystematiek van het aanbestedingsrecht en de daarop toepasselijke beginselen van transparantie en gelijke behandeling, maar het behoeft – op zichzelf – nog niet mee te brengen dat ook daadwerkelijk sprake is van strijd met dat recht c.q. die beginselen. Van belang is dat (i) het voor een kandidaat-inschrijver volstrekt duidelijk is wat van hem wordt verwacht, (ii) de inschrijvingen aan de hand van een zo objectief mogelijk systeem worden beoordeeld, en (iii) de gunningsbeslissing zodanig inzichtelijk wordt gemotiveerd dat het voor de afgewezen inschrijvers mogelijk is om de wijze waarop de beoordeling heeft plaatsgevonden te toetsen. Voor het overige komt de rechter slechts een beperkte toetsingsvrijheid toe wanneer het aankomt op de beoordeling van een kwalitatief criterium. Aan de aangewezen – deskundige – beoordelaars moet dienaangaande de nodige vrijheid worden gegund. Dat klemt te meer nu van de rechter niet kan worden verlangd dat hij specifieke deskundigheid bezit op het gebied van het onderwerp van de opdracht. Slechts indien sprake is van – procedurele dan wel inhoudelijke – onjuistheden c.q. onduidelijkheden die zouden kunnen meebrengen dat de (voorlopige) gunningsbeslissing niet deugt, is plaats voor ingrijpen door de rechter (zie onder meer LJN: BW9894, r.o. 3.5).

5.3.

Het betoog van [X] komt er, kort gezegd, op neer dat de diverse punten die als negatief en ontbrekend staan vermeld in de afwijzingsbrief wel degelijk in haar inschrijving staan vermeld. Zij heeft daarbij verwezen naar specifieke passages dan wel onderdelen in haar inschrijving waar zij deze heeft genoemd. Op de motivering als vermeld in de afwijzingsbrief, die [X] bij haar betoog tot uitgangspunt heeft genomen, is echter mondeling nog een nadere toelichting gegeven. De inhoud daarvan blijkt uit het door het Hoogheemraadschap overgelegde besprekingsverslag. Aan het bezwaar van [X] tegen het in aanmerking nemen van hetgeen in dit verslag staat vermeld, nu zij daarvan eerst twee dagen voor de zitting in dit geding kennis heeft genomen, wordt voorbij gegaan. Het betreft immers het verslag van een bespreking die al op 12 mei 2016 heeft plaatsgevonden, zodat aangenomen moet worden dat [X] reeds toen kennis had van de door het Hoogheemraadschap gegeven nadere toelichting. Verder is gesteld noch gebleken dat het verslag onjuistheden bevat. De nadere toelichting is voorts gegeven op verzoek van [X] naar aanleiding van de door het Hoogheemraadschap in de afwijzingsbrief geboden mogelijkheid daartoe. Ten slotte is gebleken dat het Hoogheemraadschap vijf dagen na die bespreking al door [X] is gedagvaard voor het onderhavige geding en het Hoogheemraadschap heeft onweersproken gesteld dat het besprekingsverslag toen nog niet gereed was en dat [X] daar ook nooit om heeft gevraagd en dat zij evenmin heeft verzocht om een nieuwe termijn te stellen.

5.4.

Uit het besprekingsverslag volgt dat het Hoogheemraadschap tijdens die bespreking aan [X] heeft aangegeven, samengevat, dat i) het woord “geen” bij de mededeling “geen kritisch pad” en “geen bewoonpunten” te strak is verwoord en dient te worden gelezen als “onvoldoende”, ii) er meer oplever-/ingebruikname documenten worden verlangd dan enkel de door [X] genoemde documenten en dat deze niet worden vermeld in de planning, iii) dat uit witte vlakken in de planning niet kan worden opgemaakt dat hier ruimte is en of dit de ruimte is waarbinnen werkzaamheden daadwerkelijk kunnen uitlopen, welke werkzaamheden dat dan zijn en of er dan bijvoorbeeld personeel, materieel en materiaal beschikbaar is, iv) het onderdeel betreffende de verwijdering van zware onderdelen via de zuidzijde van het gemaal op meerdere criteria van toepassing kan zijn, dat het Hoogheemraadschap dit onderdeel bij de planning heeft ondergebracht omdat een beoordelingsaspect van de planning het concreet beheersen van de risico’s is zodat het werk binnen de gestelde termijn kan worden opgeleverd en dat de summiere tekst in het Plan van Aanpak van [X] op dit belangrijke aspect van het werk de reden is voor een negatieve beoordeling op dit punt, en v) niet uit de stukken kan worden afgeleid wanneer precies afwijkingen in de planning worden aangegeven.

5.5.

Uit deze toelichting op de motivering blijkt dat, voor zover niet gezegd kan worden dat de genoemde punten in de inschrijving van [X] ontbreken, zij volgens het Hoogheemraadschap in ieder geval onvoldoende volledig, onvoldoende duidelijk, onvoldoende geconcretiseerd, onvoldoende expliciet of onvoldoende smart daarin zijn beschreven. Het Hoogheemraadschap heeft dit ook nader met voorbeelden onderbouwd, waarbij de voorzieningenrechter drie daarvan, die ter zitting uitgebreid nader aan de orde zijn geweest, in dit kader veelzeggend acht. Gebleken is namelijk dat [X] weliswaar een kritisch pad heeft beschreven, maar deze beschrijving betreft enkel de uitvoeringsfase en niet de engineeringsfase, hetgeen gezien de toelichting van het Hoogheemraadschap wel essentieel is. Deze beschrijving betreft voorts niet alle onderdelen/leveringen. Voorts heeft [X] de ruimte in de planning alleen aangegeven met witte delen, maar daarbij heeft zij niet verduidelijkt of deze bedoeld zijn als uitloop van werkzaamheden en van welke werkzaamheden en of er dan mensen en middelen beschikbaar zullen zijn. Ook heeft [X] op onderdelen volstaan met het vermelden van punten die reeds in het bestek staat vermeld, hetgeen echter nog nadere uitwerking en/of toelichting behoefde.

5.6.

Het Hoogheemraadschap heeft hiermee voldoende inzichtelijk gemaakt dat en waarom hij in redelijkheid tot een beoordeling met het cijfer 4 kon komen. Van een inschrijver mag immers worden verwacht dat hij in eigen bewoordingen aangeeft op welke wijze hij de verlangde ‘kwaliteit’ gaat leveren. Daarmee wordt hij in de gelegenheid gesteld zich te onderscheiden van de andere inschrijvers en aldus zijn ‘meerwaarde’ aan te tonen. Mede gelet hierop mag van de aanbestedende dienst dan ook niet worden verwacht dat deze aangeeft wat nodig is om een bepaalde score voor wat betreft het criterium ‘kwaliteit’ te behalen. Alsdan zou iedere innovatie, creativiteit of zelfstandig denkproces bij de inschrijvers worden geëcarteerd. Aan een gunningssystematiek - zoals hier aan de orde - is derhalve inherent dat een inschrijvende partij de ruimte wordt geboden om op eigen wijze aan te geven hoe hij de gewenste kwaliteit invult. Daardoor wordt hij optimaal gestimuleerd om inventief in te schrijven en kenbaar te maken begrip en inzicht te hebben voor c.q. in die aspecten van de opdracht die volgens hem relevant zijn voor de aanbestedende dienst (zie bijvoorbeeld LJN: BQ0351, r.o. 3.4).

5.7.

Het vorenstaande geldt in zijn algemeenheid, maar uit de aanbestedingsstukken kan ook genoegzaam worden afgeleid dat dit in het bijzonder ook van de inschrijvers op de onderhavige aanbesteding werd verwacht. De planning wordt immers beoordeeld op de vragen of deze realistisch en haalbaar is en of deze smart is, waarbij voorts is vermeld wat tenminste in de planning moet worden opgenomen. Voorts volgt dit uit de bij dit criterium geformuleerde doelstelling – “er ligt de ruimte voor de inschrijver om aan de aanbesteder te laten zien op welke wijze hij zijn werkzaamheden over de looptijd van het werk heeft gepland, zodat aannemelijk wordt dat het werk binnen de voorgeschreven uitvoeringsperiode in het bestek voltooid kan worden” – en uit de beoordelingsaspecten waarin is opgenomen dat de inschrijver dient “aan te tonen dat hij een kwalitatieve en haalbare projectplanning kan opstellen, waarin/waarmee concreet risico’s worden beheerst zodat het werk binnen de gestelde termijn kan worden opgeleverd.”

5.8.

Gelet op al het vorenstaande kan het betoog van [X] als vermeld onder 5.3. er niet toe leiden dat [X] op het onderdeel planning redelijkerwijs een hoger cijfer dan 4 had moeten krijgen.

5.9.

[X] heeft meermaals benadrukt dat het verschil tussen haar score en die van GMB zeer klein is en dat de door haar geboden reële inschrijfprijs beduidend lager is. Wat het belang is van die stellingen, valt echter niet in te zien. Het gunningscriterium is immers EMVI en niet de laagste prijs en een klein verschil kan nu eenmaal voldoende zijn om een aanbesteding te winnen. Het Hoogheemraadschap heeft in dit kader overigens nog toegelicht dat en waarom kwaliteit en met name planning zeer relevant is voor deze opdracht en dus zwaar meeweegt in de totaalscore. De werkzaamheden moeten volgens het Hoogheemraadschap écht tijdig klaar zijn vanwege de na 1 september 2017 te verwachten hogere waterstanden en bijbehorende noodzakelijke bemalingscapaciteit en derhalve om calamiteiten te voorkomen.

5.10.

[X] heeft voorts nog gesteld dat de voordelen van de uitgekozen inschrijving niet aan haar zijn meegedeeld. Blijkens de inhoud van de dagvaarding was [X] echter reeds toen bekend met zowel de fictieve inschrijfprijs van GMB als haar reële inschrijfsom als de omstandigheid dat GMB op het onderdeel planning de volledige aftrek van € 600.000,- heeft gekregen. Aan deze stelling wordt dan ook voorbij gegaan. Overigens acht [X] zelf de inschrijving van GMB voor deze procedure niet relevant, omdat het volgens [X] alleen gaat om de (volgens haar onjuiste) beoordeling van haar eigen inschrijving.

5.11.

Voor toewijzing van het gevorderde in dit geding is gezien het vorenstaande geen plaats (nog daargelaten dat, indien het betoog van [X] ten aanzien van de onjuiste beoordeling zou worden gevolgd, een herbeoordeling op zijn plaats zou zijn geweest, hetgeen niet is gevorderd).

5.12.

Nu het Hoogheemraadschap voornemens is de opdracht ook definitief te gunnen aan GMB, brengt voormelde beslissing mee dat GMB geen belang (meer) heeft bij toewijzing van haar vorderingen (en evenmin bij een beoordeling van de vraag of de inschrijving van [X] (zelfs) als ongeldig had moeten worden beoordeeld, zoals GMB heeft betoogd). Deze vorderingen zullen derhalve worden afgewezen. GMB zal worden veroordeeld in de kosten van het Hoogheemraadschap, welke kosten worden begroot op nihil, nu niet is gebleken dat het Hoogheemraadschap als gevolg van deze vorderingen extra kosten heeft moeten maken. Ondanks de afwijzing moet [X] in haar verhouding tot GMB worden aangemerkt als de in het ongelijk gestelde partij. Het doel van GMB was immers te voorkomen dat de opdracht aan [X] zou worden gegund, welk doel is bereikt. [X] zal dan ook worden veroordeeld in de proceskosten van GMB. Voorts zal [X] , als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van het Hoogheemraadschap. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

6 De beslissing

De voorzieningenrechter:

6.1.

wijst het gevorderde af;

6.2.

veroordeelt GMB voor wat betreft de door haar ingestelde vorderingen jegens het Hoogheemraadschap in de kosten van het Hoogheemraadschap, tot dusver begroot op nihil;

6.3.

veroordeelt [X] in de overige proceskosten, tot dusver begroot aan de zijde van zowel het Hoogheemraadschap als GMB telkens op € 1.435,--, waarvan € 619,-- aan griffierecht en € 816,-- aan salaris advocaat;

6.4.

bepaalt dat de verschuldigde proceskosten dienen te worden voldaan binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken en dat [X] – bij gebreke daarvan – daarover de wettelijke rente verschuldigd is.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken door mr. G.P. van Ham op 7 juli 2016.

ts