Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:7761

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2016
Datum publicatie
14-07-2016
Zaaknummer
16/11472
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afghanistan, ongeloofwaardig, 15c Kwalificatierichtlijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummers: AWB 16/11472

V-nummer: [nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 23 juni 2016 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. A.I. Engelsman,

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

gemachtigde: mr. P.M.W. Jans.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 mei 2016 (bestreden besluit).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2016. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door mr. S. Igdeli, waarnemer voor zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig A.K. Naimi, tolk in de taal Dari, en A. Damen van NIDOS, voogd van eiser. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser bezit de Afghaanse nationaliteit en is afkomstig uit Herat. Zijn geboortedatum heeft verweerder gesteld op [geboortedatum] . Op 19 januari 2016 heeft eiser een asielaanvraag ingediend, waaraan het volgende ten grondslag ligt. Eiser was sinds twee jaar lid van sportschool [naam], waar hij samen met zijn vriend [naam] , die toe 13 of 14 jaar oud was, trainde. [naam] is de [naam] van een commandant. Op een gegeven moment kwam ook [naam] bij deze sportschool. [naam] had foto’s gezien van wolfjes die [naam] thuis had en wilde zijn eigen hondje ruilen tegen een van de wolfjes. Eiser ging samen met [naam] bij [naam] thuis kijken naar dit hondje. Eenmaal daar kwamen drie vrienden van [naam] tevoorschijn. [naam] en twee vrienden hebben [naam] daarop met geweld verkracht, terwijl een derde vriend het voorval filmde. Eiser werd gedwongen toe te kijken en later opgedragen [naam] naar huis te brengen. [naam] beschuldigde eiser ervan hem in de val te hebben gelokt. [naam] begon [naam] af te persen met de video-opname en kreeg van hem zo geld, een wolfje en een aan zijn vader toebehorend pistool. Eiser probeerde ondertussen, in samenspraak met [naam] , om [naam] over te halen de video te wissen omdat hij bang was dat de vader van [naam] (de commandant) erachter zou komen. Toen dat inderdaad gebeurde, zijn [naam] en zijn twee vrienden door de commandant gevangen genomen. Eiser is hierop naar het huis van zijn tante gegaan en is na een maand onderduiken gevlucht met de hulp van een hem bekende winkeleigenaar. Sinds eisers vlucht zijn [naam] en de twee vrienden veroordeeld tot 16 respectievelijk 9 jaar gevangenisstraf. Eiser vreest bij terugkeer dat met hem hetzelfde zal gebeuren. Ook vreest eiser bij terugkeer voor de Taliban, omdat zijn grootvader van moederszijde vier jaar geleden een conflict met hen heeft gehad over grondbezit. Zijn grootvader, die grootgrondbezitter is, weigerde (een deel van) zijn grond af te staan, als gevolg waarvan eisers oom (een van de zonen van deze grootvader) is vermoord. Als de Taliban achter de familierelatie tussen eiser en zijn opa komt, kan dit hem ook gebeuren.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit en nationaliteit van eiser geloofwaardig. Het asielrelaas acht verweerder niet geloofwaardig.

3. Eiser voert aan dat verweerder de geloofwaardigheidsbeoordeling niet conform Werkinstructie 2014/10 (de werkinstructie) heeft uitgevoerd door niet alle relevante elementen te benoemen. Ook voert eiser aan dat zijn belangen als minderjarige onvoldoende zijn meegewogen. Eiser betwist voorts gemotiveerd dat zijn asielrelaas niet geloofwaardig is. Bij terugkeer vreest hij te worden veroordeeld zonder eerlijk proces en als minderjarige te worden gedetineerd onder erbarmelijke omstandigheden. Daarnaast doet eiser een beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van Richtlijn 2011/95/EU (Definitierichtlijn).

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Voor het oordeel dat verweerder de geloofwaardigheidsbeoordeling niet conform de werkinstructie heeft uitgevoerd bestaat geen grond. Dat verweerder niet alle onderdelen van het relaas afzonderlijk als relevant element heeft aangemerkt, maakt nog niet dat deze onderdelen niet zijn meegenomen in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Uit de besluitvorming blijkt voldoende kenbaar van een integrale beoordeling van het relaas.

5. Eisers stelling dat zijn belangen als minderjarige onvoldoende zijn meegewogen is niet nader onderbouwd. Reeds daarom faalt deze beroepsgrond. Bovendien heeft verweerder in het bestreden besluit concreet aangegeven op welke wijze met deze belangen rekening is gehouden.

6. Verweerder heeft het relaas van eiser over de verkrachting van [naam] terecht ongeloofwaardig geacht. Hoewel de rechtbank met eiser van oordeel is dat niet zozeer bevreemdend is dat [naam] eiser er in eerste instantie van zou beschuldigen hem in de val te hebben gelokt, is te meer bevreemdend dat [naam] twee dagen na het incident zelf contact zou zoeken met eiser en zij daarna nog meerdere keren contact zouden hebben over de pogingen van eiser om [naam] te bewegen de video te wissen. Voorts kon verweerder aan eiser tegenwerpen dat het zeer opmerkelijk is dat eiser telefonisch door [naam] gewaarschuwd zou zijn voor de commandant, terwijl eiser en [naam] geen vrienden waren, eiser in feite ook een slachtoffer was van het handelen van [naam] en [naam] had geweigerd in te gaan op het verzoek van eiser om de belastende video te wissen.

7. Gelet op het voorgaande is niet aannemelijk dat eiser te vrezen heeft voor de vader van [naam] , zodat de beroepsgronden met betrekking tot het gebrek aan een eerlijk proces en de erbarmelijke omstandigheden in detentie in het land van herkomst geen bespreking behoeven.

8. Voorts heeft verweerder het relaas van eiser over de problemen met de Taliban terecht ongeloofwaardig geacht. De gestelde problemen tussen eisers grootvader en de Taliban speelden zich vier jaar geleden af en eiser heeft hierna nimmer problemen ondervonden van de zijde van de Taliban. De stelling van eiser dat dit slechts zo is omdat hij op advies van zijn grootvader nooit bij hem op bezoek ging, strookt niet met zijn eigen verklaringen tijdens het eerste gehoor dat hij af en toe naar zijn grootvader ging.

9. Verweerder heeft dan ook terecht geoordeeld dat eiser niet op basis van zijn individuele verklaringen in aanmerking komt voor een asielvergunning.

10. Eisers beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn is slechts onderbouwd met zijn individuele asielrelaas. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, onder meer de uitspraak van 21 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:658, volgt dat artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onderdeel 3, van de Vw bescherming beoogt te bieden in de uitzonderlijke situatie dat de mate van willekeurig geweld in het aan de gang zijnde gewapend conflict dermate hoog is dat zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat een burger die terugkeer naar het betrokken gebied louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op de in dat artikelonderdeel bedoelde bedreiging. Hieruit vloeit voort dat eisers individuele asielrelaas op zichzelf onvoldoende is om een dergelijk risico aan te nemen. Eiser heeft geen algemene informatie overgelegd waaruit dit risico wel zou dienen te blijken. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat in Herat geen sprake is van een situatie zoals beschreven in artikel 15, aanhef en onder c, van de Definitierichtlijn.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Ente, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.Y.M. van Deijck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2016.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.