Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:7445

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
04-07-2016
Zaaknummer
C/09/497234 / FA RK 15-7632
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHDHA:2017:3166
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

echtscheiding met nevenvoorzieningen; rechtsmacht ipr

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 15-7632

Zaaknummer: C/09/497234

Datum beschikking: 16 juni 2016

Scheiding

Beschikking op het op 1 oktober 2015 ingekomen verzoek van:

[datum huwelijk] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. E.M.T. van Ruitenbeek- de Bekker te Den Haag.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] (Oostenrijk),

advocaat: mr. M. van Yperen-Groenleer te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

- het verzoekschrift;

- het verweerschrift;

het gewijzigde en aanvullend verzoekschrift;

- het verweerschrift tegen het gewijzigde en aanvullend verzoekschrift;

- het F9-formulier van 30 december 2015 van de zijde van de man, met als bijlage het formulier verdelen en/of verrekenen van de zijde van de man;

- het F9- formulier van 26 februari 2016 van de zijde van de vrouw, met bijlage;

  • -

    het F9-formulier van 10 maart 2016 van de zijde van de man, met bijlage;

  • -

    het F9-formulier van 9 mei 2015 van de zijde van de man, met bijlagen;

- de faxbrief van 17 mei 2016 van de zijde van de vrouw, met bijlage;

- het F9-formulier van 17 mei 2016 van de zijde van de man, met bijlage;

- het F9-formulier van 19 mei 2016 van de zijde van de man, met bijlage.

Op 19 mei 2016 is de zaak – uitsluitend ten aanzien van de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag ter zake van de gedane verzoeken – ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld door mr. K.M. Braun als rechter-commissaris.

Hierbij zijn verschenen: de man bijgestaan door zijn advocaat, de vrouw bijgestaan door haar advocaat en door mr. S.A. Wensing. Van de zijde van beide partijen zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek, zoals dat thans luidt, strekt tot echtscheiding, met nevenvoorzieningen tot:

  • -

    vaststelling van de financiële afrekening van de huwelijkse voorwaarden en aldus te bepalen dat de vrouw aan de man een bedrag dient te betalen van € 711.949,34 binnen twee dagen na datum beschikking, dan wel een beschikking te geven conform een nader door de man in te dienen voorstel, dan wel conform een door beide partijen ondertekende overeenkomst;

  • -

    (kort samengevat) bepaling dat de vrouw aan de man ter beschikking stelt zijn paarden met bescheiden, alsmede haar medewerking verleent aan het verkrijgen van de benodigde vervoersdocumenten op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per paard per dag;

  • -

    bepaling dat de vrouw thans een dwangsom is verschuldigd van € 1.500,-- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 december 2015, zijnde 4 weken na datum beschikking voorlopige voorziening;

  • -

    bepaling dat de vrouw, ingeval de vrouw de cash stortingen op haar privérekeningen zou blijven betwisten, de afschriften van haar bankrekeningen met nummers [nummer] (betaalrekening) en [nummer] (spaarrekening) dient af te geven vanaf 2010 althans haar administratie ter inzage dient te geven, op straffe van een dwangsom van € 10.000,-- per dag,

voor wat betreft de financiële afrekening uitvoerbaar bij voorraad,

kosten rechtens.

De vrouw voert verweer tegen de verzochte echtscheiding met nevenvoorzieningen en stelt zich daarbij op het standpunt dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van de door de man verzochte echtscheiding met nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

  • -

    Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum huwelijk] te [plaats huwelijk] , Oostenrijk.

  • -

    De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Oostenrijkse nationaliteit.

  • -

    Partijen zijn gehuwd onder huwelijkse voorwaarden naar Nederlands recht, kort gezegd inhoudende dat zij met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen en uitsluiting van pensioenverevening zijn gehuwd.

  • -

    De slotverklaringen (pagina vier) van de huwelijkse voorwaarden luiden – voor zover hier van belang –:

“(…) - dat ten aanzien van het tussen hen geldende huwelijksgoederenrecht het Nederlandse recht van toepassing is;

- dat geschillen dienen te worden voorgelegd aan casu quo beslist door de rechtbank in Den Haag;

(…) - dat ingeval van ontbinding van het huwelijk door echtscheiding of overlijden niets tussen partijen zal worden verdeeld, zelfs niet die goederen die partijen tijdens het huwelijk gezamenlijk zullen hebben verkregen of gebruikt.”

- Deze rechtbank heeft op 11 november 2015 bij wege van voorlopige voorziening bepaald dat de vrouw aan de man de “Imac Retina 27” als goed strekkend tot zijn dagelijks gebruik beschikbaar zal stellen, onder verbeurte van een (eenmalige) dwangsom van € 1.500,--, welke vatbaar is voor matiging door de rechter. De overige verzoeken van de man zijn afgewezen.

Beoordeling

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Tussen partijen is niet in geschil dat de forumkeuze in de huwelijkse voorwaarden voor de rechtbank Den Haag, deze rechtbank niet bevoegd maakt ter zake van de echtscheiding. De rechtbank sluit zich daarbij aan. Daartoe overweegt zij als volgt. Op grond van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2201/2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid (hierna: Brussel IIbis) kan de echtgenoot die – voor zover hier van belang – onderdaan is van een lidstaat ter zake van echtscheiding slechts op grond van artikel 3 Brussel IIbis voor de gerechten van een andere lidstaat worden gedaagd. Nu de vrouw onderdaan is van Oostenrijk, wordt de bevoegdheid ter zake van echtscheiding derhalve bepaald aan de hand van artikel 3 Brussel IIbis. Deze bepaling voorziet niet in een bevoegdheid op grond van een forumkeuze.

Op grond van artikel 3 Brussel IIbis is ter zake van echtscheiding bevoegd de rechter van de lidstaat op het grondgebied waarvan – voor zover hier van belang – zich de gewone verblijfplaats van verzoeker bevindt, indien hij daar sedert ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek verblijft.

Van een gewone verblijfplaats in de zin van Brussel IIbis is sprake indien betrokkene het permanente centrum van zijn belangen aldaar heeft gevestigd met de bedoeling daaraan een vast karakter te verlenen, waarbij voor de vaststelling van de gewone verblijfplaats rekening moet worden gehouden met de feitelijke omstandigheden die voor dat begrip bepalend zijn.

De man heeft gesteld dat hij gedurende ten minste zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek in Nederland verblijft. Hij heeft ter onderbouwing van zijn stelling een gewaarmerkt afschrift (d.d. 2 december 2015) uit de Basisregistratie Personen van de gemeente [woonplaats] overgelegd waarin vermeld is dat dat hij sinds 13 november 2014 onafgebroken in het Koninkrijk der Nederlanden heeft gewoond. Voorts heeft de man gesteld dat hij sinds 1 november 2014 een woning huurt aan de [adres] te [woonplaats] . Hij stelt dat de vrouw hem ook begin 2015 op dat adres heeft bezocht, waarbij zij is komen vliegen vanuit Oostenrijk en daartoe een auto heeft gehuurd. Ter terechtzitting heeft de man aangeboden om van zijn stelling, dat hij sinds voormelde datum in Nederland verblijft op genoemd adres, bewijs te leveren middels het overleggen van jaarafrekeningen ter zake het energieverbruik van de woning in [woonplaats] .

De vrouw heeft de bevoegdheid van de Nederlandse rechter betwist, stellende dat haar geluiden ter ore zijn gekomen die haar er aan doen twijfelen of de man gedurende zes maanden onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van het verzoek in Nederland heeft verbleven. De man zou mogelijk wel op het adres in [woonplaats] ingeschreven hebben gestaan, maar hij zou dit adres in de periode direct voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift voornamelijk als zijn postadres hebben gebruikt, aldus de vrouw in haar brief van 28 april 2016. Ter zitting heeft de vrouw toegelicht dat de echtgenote van de verhuurder van de woning aan de [adres] te [woonplaats] aan een kantoorgenoot van haar advocaat heeft verklaard dat de man tot recentelijk het adres in [woonplaats] slechts als postadres gebruikte. De vrouw heeft bewijs aangeboden van haar stelling dat de man een half jaar voor 30 september 2015 niet zijn gewone verblijf in Nederland had door het horen van voormelde kantoorgenoot van de advocaat en de huisbaas en diens echtgenote als getuige.

De rechtbank passeert het verweer van de man dat het bevoegdheidsverweer ter zake de echtscheiding gedaan had moeten worden vóór alle weren en om die reden niet-ontvankelijk zou zijn. Daartoe overweegt de rechtbank dat zulks niet blijkt uit de Verordening Brussel IIbis.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, tegenover de – onder meer met een uittreksel uit de Basisregistratie Personen – onderbouwde stelling van de man onvoldoende gemotiveerd weersproken heeft dat de man sinds (in ieder geval) zes maanden voor indiening van het verzoekschrift, in Nederland zijn verblijfplaats heeft. De vrouw heeft haar stelling aanvankelijk op geen enkele wijze onderbouwd en daarna slechts haar stelling – eerst ter terechtzitting – onderbouwd door te stellen dat de echtgenote van de verhuurder zou hebben verklaard als hiervoor vermeld. De vrouw heeft echter niet betwist dat zij de man begin 2015 in Nederland heeft bezocht, zoals door de man gesteld, en de vrouw heeft ook niet gesteld of anderszins onderbouwd dat de man buiten Nederland zijn verblijfplaats had of heeft. De vrouw heeft ook in oktober 2015, ten tijde van de voorlopige voorzieningen procedure, erkend dat de man in Nederland verbleef. De rechtbank is van oordeel dat van de vrouw tegenover voormelde onderbouwde stelling van de man, een nadere motivering van haar verweer mag worden verlangd. De stelling van de vrouw, dat het adres in [woonplaats] mogelijk (op enig moment) als postadres door de man is gebruikt, merkt de rechtbank aan als onvoldoende motivering van haar verweer op dit punt. De rechtbank gaat aan dit verweer dan ook als onvoldoende gemotiveerd voorbij. Aan bewijs komt de rechtbank daarom niet toe. De rechtbank neemt dan ook als vaststaand aan dat de man sinds 13 november 2014 zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Derhalve komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe. Het bevoegdheidsverweer van de vrouw ter zake van de echtscheiding, in de zin dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is, wordt derhalve gepasseerd.

De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Relatieve competentie

Ter terechtzitting heeft de vrouw gesteld dat zij de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Den Haag niet langer betwist, zodat dit verweer – gelet op het bepaalde in artikel 270, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) – geen nadere bespreking behoeft.

Inhoudelijke beoordeling

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is. Partijen hebben er desgevraagd mee ingestemd dat de rechtbank, zo zij zich daartoe bevoegd acht, de echtscheiding uitspreekt.

Bevoegdheid van de rechtbank ter zake de verzochte nevenvoorzieningen

Zoals ter zitting met partijen is besproken, neemt de rechtbank bij de beoordeling van haar bevoegdheid de verzoeken zoals die door de man zijn ingediend, tot uitgangspunt. De rechtbank slaat in dit stadium van de procedure geen acht op de inhoudelijke betwisting van de vrouw van de door de man gestelde grondslagen.

Alvorens in te gaan op de bevoegdheid van de rechtbank ten aanzien van de afzonderlijke verzoeken, zal de rechtbank de stelling van de man beoordelen dat de bevoegdheid van de rechtbank Den Haag in zijn algemeenheid kan worden ontleend aan de huwelijkse voorwaarden.

Forumkeuze huwelijkse voorwaarden

De man stelt zich op het standpunt dat partijen met de slotverklaringen van de huwelijkse voorwaarden de rechtbank Den Haag als bevoegde rechter hebben aangewezen en daarmee een forumkeuze hebben gemaakt voor alle voorkomende geschillen tussen partijen.

De vrouw heeft deze stelling betwist. Volgens de vrouw dient de forumkeuze restrictief te worden uitgelegd, in die zin dat deze uitsluitend ziet op verzoeken met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden.

Nu partijen een verschillende uitleg geven aan dit deel van de huwelijkse voorwaarden, overweegt de rechtbank dat dit geschil volgens vaste jurisprudentie niet slechts beslecht kan worden op basis van de letterlijke bewoordingen van het artikel, maar dat het hierbij ook aankomt op de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (HR 13 maart 1981, NJ 1981/635, Haviltex).

De rechtbank overweegt dat partijen blijkens de slotverklaringen van de huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen dat ten aanzien van het tussen hen geldende huwelijksgoederenrecht het Nederlandse recht van toepassing is én dat geschillen dienen te worden voorgelegd aan casu quo beslist door de rechtbank in Den Haag.

De rechtbank is van oordeel dat beide bepalingen in onderlinge samenhang dienen te worden gelezen. De bepalingen van de huwelijkse voorwaarden, in onderlinge samenhang bezien, bieden naar het oordeel van de rechtbank geen aanknopingspunten voor de stelling van de vrouw dat de forumkeuze niet geldt voor andere verzoeken in verband met het tussen hen geldende huwelijksgoederenrecht dan de verzoeken die zien op de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden. Gesteld noch gebleken is van feiten of omstandigheden die tot een dergelijke uitleg van die bepaling nopen. De rechtbank houdt het er daarom voor dat het de bedoeling van partijen is geweest, zoals de man heeft gesteld, dat de forumkeuze betrekking heeft op alle geschillen tussen partijen die betrekking hebben op het tussen hen geldende huwelijksgoederenrecht.

Vergoedingsrecht op grond van artikel 1:87 BW

De man heeft verzocht om bij wijze van nevenvoorziening een vergoedingsrecht op grond van artikel 1:87 BW vast te stellen. De man stelt zich op het standpunt dat hij met zijn privévermogen heeft geïnvesteerd in privévermogen van de vrouw, hetgeen de vrouw op inhoudelijke gronden heeft betwist. Volgens de man zijn partijen de door hem gestelde transactie(s) aangegaan als echtelieden, waarmee de vermogensrechtelijke verhouding tussen partijen als huwelijksvermogensrechtelijk is te kwalificeren.

De vrouw stelt zich, zo begrijpt de rechtbank althans, op het standpunt dat de man niet ontvankelijk is in zijn verzoek omdat er onvoldoende samenhang is met de echtscheiding en de inhoudelijke beoordeling van het verzoek complicaties zal opleveren en zal leiden tot onnodige vertraging van de procedure.

De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 1:87 BW is opgenomen in de titel van het Burgerlijk Wetboek die betrekking heeft op rechten en verplichtingen van echtgenoten. De rechtbank is van oordeel dat nu het verzoek van de man ziet op de rechtsverhouding tussen echtgenoten, het verzoek dient te worden aangemerkt als betrekking hebbend op het huwelijksgoederenrecht, zodat de Nederlandse rechter, meer in het bijzonder de rechtbank Den Haag, op grond van de forumkeuze in de huwelijkse voorwaarden – gelet op de uitleg die de rechtbank hieraan reeds heeft gegeven – rechtsmacht toekomt en naar Nederlands recht dient te beslissen op het verzoek. Dat partijen met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen zijn gehuwd, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of het verzoek ontvankelijk is als nevenvoorziening in het kader van de echtscheidingsprocedure. Het verzoek valt niet te scharen onder artikel 827, lid 1, sub a tot en met e, Rv. Op grond van sub f van voornoemd artikel kan een andere voorziening dan bedoeld in de onderdelen sub a tot met e worden getroffen, mits deze voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden.

De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat het verzoek van de man ziet op de rechtsverhouding tussen echtgenoten. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank de samenhang met het verzoek tot echtscheiding gegeven. Hoewel de rechtbank wel inziet dat de inhoudelijke behandeling van het verzoek tot enige vertraging zou kunnen leiden, is de rechtbank niet gebleken ter zake waarvan en in welk opzicht deze vertraging onnodig zou zijn. De rechtbank zal de man dan ook ontvangen in zijn verzoek op dit punt en gaat derhalve aan het ontvankelijkheidsverweer van de vrouw op dit punt voorbij.

Afgifte van goederen (paarden)

De man stelt als grondslag voor zijn verzoek tot afgifte van de paarden dat hij de eigenaar is van de paarden, hetgeen de vrouw betwist.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het voorgaande het geschil ziet op de vraag aan wie van de beide echtgenoten een bepaald goed toekomt en, mede gelet op de voor een geval als dit geldende bijzondere wettelijke bewijsregel (artikel 1:131 BW), derhalve een geschil is van huwelijksgoederenrechtelijke aard, zodat de Nederlandse rechter/rechtbank Den Haag op grond van de forumkeuze in de huwelijkse voorwaarden rechtsmacht toekomt en naar Nederlands recht dient te beslissen op het verzoek. Ten aanzien van de bevoegdheidsvraag is het naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet relevant dat de goederen waarvan de man afgifte verzoekt, zich in Oostenrijk bevinden.

Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de man ontvangen kan worden in het verzoek, als nevenvoorziening in het kader van de echtscheidingsprocedure. De rechtbank overweegt dat de door de man verzochte afgifte van de paarden op basis van eigendomsrecht (revindicatie) in elk geval niet valt te scharen onder artikel 827, lid 1, Rv. Blijkens de parlementaire geschiedenis kan sub f van voornoemd artikel betrekking hebben op een verzoek tot afgifte van bepaalde zaken, mits de verzochte voorziening voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding en niet te verwachten is dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden.

Hoewel de rechtbank wel inziet dat de inhoudelijke behandeling van het verzoek tot enige vertraging zou kunnen leiden, is de rechtbank niet gebleken ter zake waarvan en in welk opzicht deze vertraging onnodig zou zijn. De rechtbank acht verder voldoende samenhang aanwezig met het verzoek tot echtscheiding en zal de man dan ook in deze procedure ontvangen in zijn verzoek op dit punt.

Voortgang procedure

Voor zover de man ter zitting heeft verzocht om bij deze beschikking te bepalen dat alleen hoger beroep kan worden ingesteld tegen de eindbeschikking, overweegt de rechtbank als volgt. Op grond van artikel 358 lid 4 Rv kan van tussenbeschikkingen hoger beroep slechts tegelijk met dat van de eindbeschikking worden ingesteld, tenzij de rechter anders heeft bepaald. Voor een beslissing als door de vrouw verzocht ontbreekt evenwel een wettelijke grondslag, zodat het verzoek in zoverre zal worden afgewezen.

De rechtbank zal iedere verdere beslissing ten aanzien van de verzochte nevenvoorzieningen en de proceskosten in deze zaak aanhouden en stelt de vrouw in de gelegenheid om binnen vier weken na de dagtekening van deze beschikking inhoudelijk te reageren op de aanvullende verzoeken van de man.

Beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen: [de man] en [de vrouw] , gehuwd op [datum huwelijk] te [plaats huwelijk] (Oostenrijk);

stelt de vrouw in de gelegenheid om binnen vier weken na dagtekening van deze beschikking inhoudelijk te reageren op de aanvullende verzoeken van de man;

bepaalt dat de behandeling zal worden voortgezet op een nader te bepalen terechtzitting;

houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de nevenvoorzieningen en de proceskosten pro forma aan tot 1 augustus 2016 in afwachting van de verhinderdata van partijen in de maanden augustus tot en met november 2016.

Deze beschikking is gegeven door mrs. F.R. Salomons, S.M. Westerhuis-Evers en K.M. Braun, bijgestaan door mr. K. Veelenturf-Beukhof als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2016.