Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:7262

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
09-807440-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensenhandel (artikel 273f, lid 1, sub 2, sub 4 en sub 6): de rechtbank veroordeelt een vijfendertig jarige verdachte tot een gevangenisstraf van vijftien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met en proeftijd van drie jaren voor mensenhandel, er uit bestaande dat zij drie kinderen – waaronder twee van haar dochters – meermalen geld heeft laten ophalen voor niet bestaande sponsorlopen.

De rechtbank stelt vast dat het ophalen van geld ten behoeve van een niet bestaande sponsorloop een vorm van oplichting is, en derhalve een strafbaar feit. Uit de omstandigheid dat verdachte de kinderen doelbewust heeft aangezet tot het plegen van een strafbaar feit om er zelf bovendien (financieel) beter van te worden, volgt dat verdachte het oogmerk van uitbuiting heeft gehad. Tot slot zijn de betreffende kinderen alle drie jonger dan achttien jaar en dus minderjarig. Dit maakt dat het werven en vervoeren met het oogmerk van uitbuiting van kinderen bewezen kan worden verklaard.

Verdachte heeft van haar overwicht respectievelijk de kwetsbare positie van de kinderen misbruik gemaakt door hen geld te laten ophalen voor een niet bestaande sponsorloop. In deze omstandigheid hadden de kinderen redelijkerwijs geen andere keus dan deze uitbuiting te ondergaan en zich daarvoor beschikbaar te stellen. Het ophalen van geld op een dergelijke wijze is daarnaast te beschouwen als het verrichten

van arbeid of een dienst. De kinderen moesten immers (een deel) van het geld dat zij ophaalden afstaan aan verdachte, zodat zij eten en benzine kon kopen. Dit maakt dat verdachte ook opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting.

De rechtbank spreekt verdachte vrij van ten laste gelegde inbraken in een kelderbox.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/807440-16

Datum uitspraak: 30 juni 2016

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Utrecht, locatie Nieuwersluis te Nieuwersluis.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzitting van 16 juni 2016.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Fikenscher en van hetgeen door de raadsman van verdachte, mr. L.E. Buiting, advocaat te Gouda, en door verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging - ten laste gelegd dat:

1.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2015 tot en met 7 maart 2016 te Alphen aan den Rijn en/of Leiden en/of Gouda en/of elders in Nederland een of meer ander(en), genaamd

- [slachtoffer 1] [geboortedatum] en/of

- [slachtoffer 3] [geboortedatum] en/of

- [slachtoffer 2] [geboortedatum] en/of

- [slachtoffer 4] [geboortedatum] (telkens) heeft geworven en/of vervoerd en/of overgebracht en/of gehuisvest en/of opgenomen, met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] , terwijl die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] de leeftijd van achttien jaren nog niet had(den) bereikt (sub 2),

en/of

die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] onder een van de onder artikel 273f lid 1 sub 1 genoemde omstandigheden (te weten: door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie) enige handeling heeft ondernomen waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (sub 4),

en/of

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van een ander, genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] (sub 6) immers heeft verdachte onder andere

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] (meermalen) de opdracht gegeven om onder het mom van sponsorloop geld op te halen en/of verzamelen bij anderen en/of om vervolgens eten te kunnen kopen en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] (meermalen) naar Gouda en/of elders in Nederland vervoerd en/of overgebracht om onder het mom van sponsorloop geld op te halen en/of vervolgens met dat geld benzine te kopen en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] de opdracht gegeven een konijn te stelen (zodat dat konijn aan de honden zou kunnen worden gevoerd en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] meermalen naar de supermarkt heeft vervoerd en/of overgebracht en/of gestuurd en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] heeft bewogen om goederen te stelen bij de supermarkt en/of elders en/of

- die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 4] de opdracht gegeven (gestolen) goederen in te leveren bij de servicebalie van de supermarkt (met als reden dat zij, verdachte, het bonnetje niet meer had), zodat zij geld zou(den) ontvangen;

2.

zij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 oktober 2015 tot en met 31 oktober 2015 te Alphen aan den Rijn tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een lasaparaat en/of een benzinetank en/of een gereedschapsset en/of een motor (harley davidson), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s), zulks na zich de toegang tot de plaats des misdrijfs te hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goederen (telkens) onder haar/hun bereik te hebben gebracht door het (cilinder)slot van die garage te verbreken en/of de garagedeur te forceren/ontzetten.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding
In januari 2016 is door verschillende mensen melding gemaakt van kinderen die geld ophaalden voor een sponsorloop. Vervolgens is het vermoeden ontstaan dat dit geld onder valse voorwendselen werd ingezameld en dat er in werkelijkheid geen sponsorloop was. Verdachte - de moeder van enkele van de kinderen die hierbij betrokken zouden zijn - is in beeld gekomen als verdachte van mensenhandel. Voorts wordt zij ervan verdachte dat zij kinderen ertoe heeft bewogen om goederen te ontvreemden uit een supermarkt om die vervolgens weer voor geld in te leveren, en om een konijn te stelen uit een tuin. Tot slot wordt zij ervan verdacht dat zij samen met haar partner heeft ingebroken in de garagebox van haar ex-partner.

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of er wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte deze feiten heeft begaan.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan.

Hiertoe heeft zij met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat uit de verschillende verklaringen volgt dat verdachte meerdere kinderen ertoe heeft bewogen om geld op te halen voor een niet bestaande sponsorloop en om goederen weg te nemen uit onder meer een Jumbo supermarkt. In alle gevallen kwam de opbrengst ten goede aan verdachte. De kinderen bevonden zich ten opzichte van verdachte - als volwassene - in een kwetsbare en afhankelijke positie. Voor twee van de kinderen geldt daarnaast dat sprake is van een familierelatie met verdachte. Verdachte heeft met haar handelen de kinderen uitgebuit.

Met betrekking tot feit 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat uit de verschillende verklaringen de betrokkenheid van verdachte en haar partner bij de inbraken volgt.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Hiertoe is met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat er geen sprake was van de vereiste handelingen en dat er bovendien - gelet op de uiteenlopende verklaringen - te veel twijfel bestaat over de vraag of verdachte daadwerkelijk opdracht heeft gegeven om geld op te halen voor een niet bestaande sponsorloop en om diefstallen te plegen. Indien de rechtbank evenwel tot de vaststelling komt dat deze gebeurtenissen wel degelijk in opdracht van verdachte hebben plaatsgevonden, dan kan dit nog steeds niet tot bewezenverklaring leiden. Er is geen sprake geweest van dwangmiddelen of onvrijwilligheid, vanwege de aanwezigheid van een reële eigen keus bij de kinderen, noch was er sprake van een uitbuitingssituatie.

Met betrekking tot feit 2 is aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte betrokken is geweest bij de inbraken. Er zijn geen forensische sporen die naar verdachte leiden, noch zijn de goederen bij haar aangetroffen. De belastende getuigenverklaringen komen uit dezelfde hoek, te weten de vriendenkring rondom Verbeek.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

3.4.1

Feit 1

Ter beantwoording van de vraag of er wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel zal de rechtbank allereerst de verschillende relevante verklaringen weergeven, daarna zal zij de rol van verdachte vaststellen en tot slot zal worden bezien of die feitelijke gedragingen mensenhandel in de zin van artikel 273f, lid 1, sub 2, sub 4 en sub 6 van het Wetboek van Strafrecht opleveren.

De verklaringen

In de periode van 20 december 2015 tot en met 11 januari 2016 zijn er bij de politie in Alphen aan den Rijn diverse aangiftes gedaan in verband met kinderen die geld hebben opgehaald voor een sponsorloop op school. In veel van de gevallen ging het om één of meerdere meisjes in de leeftijd van ongeveer twaalf tot vijftien jaar.2 Door de politie is contact opgenomen met de scholen die door de kinderen werden genoemd. Deze scholen hebben laten weten in die periode geen sponsorloop te hebben gehad, noch deze op korte termijn te zullen hebben.3

[slachtoffer 1] , die [geboortedatum] , heeft verklaard dat verdachte en haar kinderen – onder wie [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] - hebben bedacht om een nep sponsorloop te houden, waarmee ze in 2015 zijn begonnen. Die sponsorlopen deden ze vervolgens in Alphen aan den Rijn en een keer in Leiden. Het geld ging (gedeeltelijk) naar verdachte.4

[slachtoffer 1] heeft daarnaast nog verklaard dat zij samen met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] in opdracht van verdachte goederen heeft weggenomen uit een Jumbo supermarkt. Ook zou verdachte hen een konijn hebben laten stelen, om dit aan de honden te voeren.

[Naam 2] , de moeder van [slachtoffer 1] , heeft bij de politie verklaard dat zij - na van haar dochter gehoord te hebben dat zij vaker geld ophaalde voor een zogenaamde sponsorloop en dit ook in Gouda had gedaan toen ze daar zonder benzine stonden - naar verdachte toe is gegaan. Verdachte gaf vervolgens aan [Naam 2] toe dat zij de kinderen hiertoe opdracht had gegeven, omdat zij geld nodig had voor eten. In Gouda moest geld worden opgehaald omdat er geen benzine meer was om thuis te komen en het een noodsituatie betrof. Voorts heeft [Naam 2] verklaard dat [slachtoffer 1] makkelijk beïnvloedbaar is, ADHD heeft5 en weliswaar 12 jaar oud is, maar de verstandelijke vermogens heeft van een achtjarig kind.6

[getuige 1] heeft verklaard dat hij met onder meer verdachte naar Safaripark Beekse Bergen zou gaan, maar dat ze uiteindelijk in Gouda terecht kwamen. Daar bleek de benzine op te zijn en hoorde hij verdachte zeggen dat de kinderen nu wel een sponsorloop mochten doen om geld op te halen voor benzine.7

Ook [Naam 4] heeft verklaard dat hij samen met verdachte naar de Beekse Bergen is gegaan, met onder meer [slachtoffer 1] en de kinderen van verdachte. Nadat ze in Gouda waren uitgekomen, gaf verdachte aan dat ze zonder benzine zaten. Als ze thuis wilden komen, moesten de kinderen geld verdienen door langs de deuren te gaan en te zeggen dat ze bezig waren met een sponsorloop. Hiervoor maakten de meisjes een formulier in de auto.8

De leeftijd van de kinderen van verdachte

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zijn geboren op [geboortedatum] , respectievelijk [geboortedatum] .9

De rol van verdachte

Op basis van voormelde verklaringen stelt de rechtbank vast dat er in de periode van

20 december 2015 tot en met 11 januari 2016 door [slachtoffer 1] , [geboortedatum] , [slachtoffer 2] , [geboortedatum] en [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] , geld is opgehaald in Alphen aan den Rijn, Leiden en Gouda onder het mom van een sponsorloop. Uit deze verklaringen volgt voorts genoegzaam dat verdachte hen hiertoe heeft aangezet en hen tenminste éénmaal - op 11 januari 2016 - naar Gouda heeft vervoerd, waar zij de kinderen geld heeft laten ophalen. Het geld is (gedeeltelijk) aan verdachte gegeven.

De rechtbank acht niet bewezen dat [slachtoffer 4] eveneens geld heeft opgehaald in deze periode.

Naar het oordeel van de rechtbank staat op basis van de stukken die zich in het dossier bevinden tevens vast dat [slachtoffer 1] een konijn heeft gestolen en goederen heeft weggenomen bij een Jumbo supermarkt. De betrokkenheid van verdachte bij deze feiten kan evenwel niet worden vastgesteld. De enkele omstandigheid dat diverse getuigen hebben verklaard dat er bij verdachte niet altijd eten in huis was voor de kinderen en dat verdachte, nadat [slachtoffer 1] op heterdaad was gepakt in de supermarkt, [slachtoffer 1] moeder geld heeft aangeboden, is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat verdachte opdracht heeft gegeven tot het plegen van die diefstallen, dan wel hen daartoe op andere wijze heeft aangezet. Verdachte dient dan ook van dat deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Mensenhandel

Aan verdachte is - kort gezegd - ten laste gelegd dat zij met het oogmerk van uitbuiting kinderen heeft geworven of vervoerd (artikel 273f, lid 1, sub 2 van het Wetboek van Strafrecht), dat zij deze kinderen heeft gedwongen of bewogen tot het verrichten van arbeid of diensten (artikel 273f, lid 1, sub 4 van het Wetboek van Strafrecht) en dat zij heeft geprofiteerd van de opbrengsten die door deze kinderen zijn verzameld (artikel 273f, lid 1, sub 6 van het Wetboek van Strafrecht).

Voor een bewezenverklaring van mensenhandel in de zin van sub 2 dient te zijn voldaan aan een drietal elementen. Ten eerste moet er worden vastgesteld dat er sprake is van feitelijke handelingen, waaronder het werven, vervoeren of overbrengen van anderen, ten tweede of verdachte hierbij het oogmerk van uitbuiting had en ten derde dat de betreffende kinderen minderjarig waren ten tijde van de feiten.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan deze drie elementen. Verdachte heeft haar twee dochters en hun vriendin [slachtoffer 1] geworven door hun opdracht te geven om geld in te zamelen voor een niet bestaande sponsorloop. Daarnaast heeft zij hen in tenminste één geval vervoerd naar Gouda, waar de kinderen wederom geld hebben opgehaald ten behoeve van benzine, terwijl die naar eigen zeggen van verdachte niet op was. De rechtbank stelt vast dat het ophalen van geld ten behoeve van een niet bestaande sponsorloop een vorm van oplichting is, en derhalve een strafbaar feit. Uit de omstandigheid dat verdachte de kinderen doelbewust heeft aangezet tot het plegen van een strafbaar feit om er zelf bovendien (financieel) beter van te worden, volgt dat verdachte het oogmerk van uitbuiting heeft gehad. Tot slot zijn de betreffende kinderen alle drie jonger dan achttien jaar en dus minderjarig. Dit maakt dat het werven en vervoeren met het oogmerk van uitbuiting van kinderen bewezen kan worden verklaard.

Voor een bewezenverklaring van mensenhandel in de zin van artikel 273f, lid 1, sub 4 van het Wetboek van Strafrecht dient te zijn voldaan aan een tweetal elementen. Ten eerste moet worden vastgesteld dat gebruik is gemaakt van middelen in de zin van 273f, lid 1, sub 1 van het Wetboek van Strafrecht, in dit geval de vraag of verdachte misbruik heeft gemaakt van overwicht en/of misbruik van de kwetsbare positie van de kinderen en hen daardoor heeft gedwongen of bewogen tot het plegen van het strafbare feit. Ten tweede moet het (door misbruik) aanzetten tot het plegen van deze strafbare feiten aangemerkt kunnen worden als het verrichten van arbeid of een dienst.

Ook hieraan is naar het oordeel van de rechtbank voldaan. Van alle kinderen, maar zeker van kinderen in de leeftijd van twaalf tot vijftien jaar mag niet worden verwacht dat zij onder de beschreven omstandigheden in aanwezigheid van verdachte, een volwassene, vrijelijk de keuze konden maken in wat zij wel of niet willen. De alleen al vanwege de leeftijd kwetsbare positie van een kind maakt dat een volwassen begeleider van nature een positie van overwicht heeft. Wanneer die volwassene ook nog eens de moeder van die kinderen is, zoals in het geval van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , is hiervan zelfs in nog sterkere mate sprake. Voor [slachtoffer 1] heeft daarnaast te gelden dat zij verstandelijk functioneert als een achtjarige en door haar ADHD als beïnvloedbaar kind moet worden beschouwd, waardoor ook zij in een kwetsbare positie verkeert. Verdachte heeft van haar overwicht respectievelijk de kwetsbare positie van de kinderen misbruik gemaakt door hen geld te laten ophalen voor een niet bestaande sponsorloop. In deze omstandigheid hadden de kinderen redelijkerwijs geen andere keus dan deze uitbuiting te ondergaan en zich daarvoor beschikbaar te stellen. Dit geldt te meer voor de positie waarin verdachte de kinderen te Gouda heeft geplaatst, namelijk door hen in te zetten om geld op te halen voor benzine om naar huis te kunnen komen. Vanwege de inzet van deze dwangmiddelen is irrelevant of de kinderen hebben ingestemd met het ophalen van geld voor een valse sponsorloop en dat andere kinderen in de nabijheid van verdachte wel in staat waren om aan te geven dat zij hier geen deel aan wilden hebben. Verdachte moet zich als volwassene bewust zijn geweest van haar overwicht op de kinderen en daarmee heeft zij het voorwaardelijk opzet gehad om van dit overwicht misbruik te maken.

Het ophalen van geld op een dergelijke wijze is daarnaast te beschouwen als het verrichten van arbeid of een dienst. De kinderen moesten immers (een deel) van het geld dat zij ophaalden afstaan aan verdachte, zodat zij eten en benzine kon kopen.

Nu bewezen is dat verdachte de onder artikel 273f, lid 1, sub 2 en sub 4 van het Wetboek van Strafrecht genoemde feiten heeft begaan en ook aangenomen kan worden dat verdachte van die uitbuitingsvormen heeft geprofiteerd, zoals hiervoor is overwogen, is ook bewezen dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van de kinderen in de zin van artikel 273f, lid 1, sub 6 van het Wetboek van Strafrecht. Ook dit feit zal daarom bewezen worden verklaard.

3.4.2

Feit 2

Op basis van de verklaringen van [benadeelde] stelt de rechtbank vast dat er twee keer is ingebroken in zijn garagebox, waarbij onder meer een gereedschapskist en een motor zijn ontvreemd. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verdachte hierbij betrokken is geweest en - indien deze vraag bevestigend kan worden beantwoord - of zij de inbraak heeft medegepleegd. Ter beantwoording van deze vraag stelt de rechtbank het volgende voorop.

In het dossier bevinden zich diverse verklaringen die er - kort gezegd - op neer komen dat verdachte samen met onder meer haar partner op pad is geweest om een motor te bekijken, en die betrokkenheid van verdachte suggereren. [getuige 2] heeft echter als enige verklaard dat verdachte ook daadwerkelijk met de inbraken te maken heeft. De motor is niet in het bezit van verdachte aangetroffen, noch één van de andere weggenomen goederen. In het dossier bevinden zich voorts nog processen-verbaal waaruit kan worden afgeleid dat in diezelfde periode iemand een gereedschapskist die lijkt op de weggenomen kist naar de woning van verdachte heeft gebracht. Uit het dossier kan evenwel niet worden afgeleid dat dit daadwerkelijk de van [benadeelde] gestolen kist betreft. Voorts stelt de rechtbank vast dat [getuige 2] zeer tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er sterke aanwijzingen van de betrokkenheid van verdachte bij de inbraken, maar is er - ook in onderlinge samenhang bezien - onvoldoende bewijs dat verdachte deze daadwerkelijk heeft gepleegd of medegepleegd.

Dit betekent dat verdachte voor dit feit zal worden vrijgesproken.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van verdachte bewezen dat:

zij op tijdstippen in de periode van 20 december 2015 tot en met 11 januari 2016 te Alphen aan den Rijn en Leiden en Gouda anderen, genaamd

- [slachtoffer 1] [geboortedatum] en

- [slachtoffer 3] [geboortedatum] en

- [slachtoffer 2] [geboortedatum]

(telkens) heeft geworven en vervoerd en overgebracht met het oogmerk van uitbuiting van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , terwijl die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] de leeftijd van achttien jaren nog niet hadden,

en

die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] onder een van de onder artikel 273f lid 1 sub 1 genoemde omstandigheden, te weten: door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie enige handeling heeft ondernomen waarvan zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zich daardoor beschikbaar zouden stellen tot het verrichten van arbeid of diensten,

en

telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van een ander, genaamd [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , immers heeft verdachte onder andere

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] meermalen de opdracht gegeven om onder het mom van sponsorloop geld op te halen en verzamelen bij anderenom vervolgens eten te kunnen kopen en

- die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] naar Gouda vervoerd en overgebracht om onder het mom van sponsorloop geld op te halen en vervolgens met dat geld benzine te kopen.

De rechtbank heeft in de bewezenverklaring type- en taalfouten verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:

mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten een gevangenisstraf wordt opgelegd voor de duur van dertig maanden met aftrek van de tijd die reeds is doorgebracht in voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat indien en voor zover de rechtbank tot bewezenverklaring komt, aan verdachte een onvoorwaardelijk gevangenisstraf dient te worden opgelegd die gelijk is aan het reeds ondergane voorarrest, met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Verdachte heeft gedurende een periode van ruim drie weken twee van haar minderjarige tienerdochters en hun vriendinnetje ertoe aangezet om geld op te halen voor een niet bestaande sponsorloop. Hiermee zijn mede voor haar honderden euro’s opgehaald. Verdachte heeft op schaamteloze wijze haar eigen financieel gewin laten prevaleren en hiermee de integriteit van de drie kinderen aangetast. Met haar handelen heeft zij niet alleen nagelaten om de kinderen normbesef bij te brengen, maar daarnaast een zeer slecht voorbeeld gegeven en de kinderen strafbaar gedrag aangeleerd. De rechtbank neemt dit verdachte bijzonder kwalijk.

De rechtbank neemt bij het bepalen van de straf als uitgangspunt de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Mensenhandel - waartoe ook deze vorm van het inzetten van kinderen behoort - is een ernstig feit, waar relatief hoge straffen op staan. Gelet op die ernst van het feit kan dan ook niet worden volstaan met een andere straf dan vrijheidsbeneming.

Ten nadele van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte het feit heeft begaan tegen meerdere kinderen, onder wie twee van haar eigen dochters, alsmede de frequentie waarmee in een relatief korte periode geld is opgehaald.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van een Uittreksel uit de Justitiële documentatie betreffende verdachte, waaruit blijkt dat zij recentelijk niet is veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank zal dit noch ten voordele, noch ten nadele van verdachte meewegen.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan geëist door de officier van justitie, nu zij - anders dan gevorderd door de officier van justitie - verdachte zal vrijspreken voor een deel van de ten laste gelegde feiten. Daarnaast heeft zij gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Bovendien acht zij het wenselijk om aan verdachte een voorwaardelijk strafdeel op te leggen, teneinde verdachte ervan te weerhouden nogmaals kinderen op een dergelijke manier in te zetten, dan wel andere strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal een proeftijd opleggen van drie jaar, omdat de kinderen van verdachte nog langere tijd minderjarig zijn en de gezinssituatie in vele opzichten nog instabiel is.

7 De vordering van de benadeelde partij

7.1

Inleiding

[benadeelde] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding - na bijstelling ter terechtzitting - groot € 4.390,00.

7.2

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat indien en voor zover de rechtbank tot bewezenverklaring komt van het onder 2 ten laste gelegde feit, de vordering van de benadeelde partij slechts kan worden toegewezen tot een bedrag van € 259,00 en dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering wegens een onevenredige belasting van het strafgeding.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien verdachte van het ten laste gelegde feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met haar verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde feit heeft begaan op de wijze zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard, en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 (VIJFTIEN) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de haar opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door

mr. D.A.C. Koster, voorzitter,

mr. J.E.M.G. van Wezel, rechter,

mr. S.M. Krans, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M.R. Ekkart en M.T. Planken, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 juni 2016.

M.T. Planken is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 De rechtbank heeft in eindnoten de bewijsmiddelen opgenomen, op basis waarvan zij tot bewezenverklaring komt. Wanneer daarin wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en), van de politie eenheid Den Haag.

2 Proces-verbaal van bevindingen, nr. PL1500-2016011199-22, d.d. 4 maart 2016, voor zover inhoudende: “(…) Door aangeefster [Naam 1] (…) aangifte gedaan van bedreiging. [Naam 1] liep op de Witte de Withstraat toen zij werd aangesproken door twee meisjes die haar zeiden dat zij collecteerden voor een sponsorloop en voor de kankerbestrijding. (…) In het kader van het onderzoek naar deze bedreiging zijn er via diverse sociale en lokale media getuigenoproepen verspreid waarin onder andere werd vermeld dat er door twee meisjes onder valse voorwendselen in Alphen aan den Rijn geld is opgehaald voor een sponsorloop. (…) Door mij is globaal vastgelegd welke reacties zijn binnen gekomen bij de politie Alphen aan den Rijn. 1. Stadhoudersplein 57 in december 2015: 2 meisjes (…) in januari 2016: 1 meisje 2. (…) Bestevaer 22 zondag 20 december 2015 (…) 1 meisje (…) ongeveer 13 à 14 jaar (…) 3. (…) Emmalaan 13 Donderdag 24 december 2015 (…) 1 meisje (…) 12 à 12 jaar (…) 4. Serenadestraat 21 Rond de kerst van 2015: 1 meisje met lang haar, 1 meisje met een pet (…) 5. Emmalaan 35B Zondag 27 december 2015 (…) twee meisjes (…) ronde de 15 jaar oud 6. Javastraat 17 Eind december 2015 (…) meisje van 13 (…) 7. De Smethstraat 23 Eind december 2015 (…) 2 meisjes (…) 8. Onbekend adres December 2015 (…) herkende het meisje als [slachtoffer 1] 9. De Ruiterstraat 15 Begin januari 2016 jong meisje en jong jongetje (…) 10. (…) Groenewerk 18 Dinsdag 5 januari 2016 (…) 1 meisje (…) tussen de 11 en 13 jaar oud (…) 11. (…) Surinamestraat 6 Zaterdag 9 januari 2016 (…) [slachtoffer 1] (…) 12. Stadhoudersplein 69 7 januari 2016 2 meisjes aan de deur (…) 13. Van Eegenstraat 19 10 januari 2016 2 jonge kinderen aan de deur, meisje van 13 (…) 14. Pieter Floriszstraat 61 Maandag 11 januari (…) 2 meisjes (…) 12 à 13 jaar oud (…)” , als vermeld op pagina’s 181-183

3 Proces-verbaal van bevindingen, nr. PL1500-2016012852-2, d.d. 13 januari 2015, voor zover inhoudende: “(…) Ik vroeg aan de medewerkster van het Groene Hart Leerpark of zij in de nabije toekomst een sponsorloop op gaan zetten dan wel dat in het recente verleden gedaan hebben. Ik hoorde de medewerkster zeggen dat zij hier vorige week ook over gebeld was, dit was niet vanuit de politie, maar die vrouw had ook die vraag. Ik hoorde de medewerkster zeggen dat ze absoluut niet een sponsorloop hadden gehad dan wel binnenkort hadden. (…) Ik vroeg aan de medewerkster van de Parkschool of zij in de nabije toekomst een sponsorloop op gaan zetten dan wel dat in het recente verleden gedaan hebben. Ik hoorde de medewerkster zeggen dat dit niet het geval kan zijn omdat zij hier namelijk niets over had gehoord. (…)” , als vermeld op p. 185.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , onderzoek Bultkrokodil / DHRCC16002, nr. 8, d.d. 23 maart 2016, voor zover inhoudende: “(…) Op 23 maart 2016 (…) werd (…) verhoord de getuige (…) [slachtoffer 1] (…) [slachtoffer 1] [geboortedatum] . (…) De getuige verklaarde: (…) [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hadden samen met [verdachte] bedacht om een sponsorloop te houden. Een nep sponsorloop. Daar hadden we veel geld mee opgehaald en dit moesten we allemaal bij [verdachte] inleveren. (…) [verdachte] is zelf ook mee geweest (…) Sponsorloop hebben [slachtoffer 3] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] bedacht en toen zijn we dat gaan doen. (…) begonnen tot 2016 nieuwjaar. (…) We deden die sponsorlopen hier in Alphen en in Leiden Lange Schans 1 keer. (…) Al het geld ging ook elke dag naar [verdachte] . Ook van de sponsorlopen en wij kregen hier niets van. (…) [verdachte] zei dagelijks van: “Ga maar lekker een sponsorloop doen.”” , als vermeld op p. 30-34 van het vervolg proces-verbaal onderzoek Bultkrokodil.

5 Proces-verbaal van bevindingen, nr. P:1500-2016011199-12, d.d. 13 januari 2016, voor zover inhoudende: “(…) Zij verklaarde mij ongevraagd het volgend: Zij had een gesprek gehad met haar dochter [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] vertelde haar dat zij in opdracht van [verdachte] geld ging halen langs de duren onder het mom van een sponsorloop. (…) [Naam 2] vertelde mij dat [verdachte] aan haar had toegegeven inderdaad de kinderen in te zetten om geld op te halen langs de deuren. Ze moest namelijk toch ergens haar geld vandaan halen om te eten (…)” , als vermeld op p. 190-191. Proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 2] , nr. PL1500-2016011199-17, d.d. 21 januari 2016, voor zover inhoudende: “(…) Nadat ik van [slachtoffer 1] alles had gehoord ben ik naar [verdachte] gegaan. Ik heb haar geconfronteerd met het verhaal. In eerste instantie ontkende zij. (…) Toen confronteerde ik haar met het verhaal dat de kinderen in Gouda moesten lopen omdat zij geen benzine had. Toen gaf ze toe dat het een noodsituatie was (…) [verdachte] heeft gebruik gemaakt van mijn kind. (…) Zij gebruikt kinderen die makkelijk beïnvloedbaar zijn. [slachtoffer 1] heeft ADHD (…)” , als vermeld op p. 194.

6 Proces-verbaal van bevindingen van een gesprek met [Naam 2] , nr. PL1500-2016066403-7, d.d. 7 maart 2016, voor zover inhoudende: “(…) Zij verklaarde dat haar dochter [slachtoffer 1] 12 jaar is maar verstandelijk het vermogen heeft van een 8 jarig kind. (…)” , als vermeld op p. 349.

7 Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] , onderzoek Bultkrokodil / DHRCC16002, nr. 15, d.d. 18 april 2016, voor zover inhoudende: “De kinderen, vooral [slachtoffer 3] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 3] ) met vriendjes, gingen dan langs de deuren en deden net of ze een sponsorloop van school hadden. Ze haalden dan zo geld op. De sponsorloop bestond natuurlijk niet. (…) We zouden inderdaad naar Beekse Bergen gaan, maar er werd verkeerd gereden en we zijn er dus nooit aangekomen. Ik ben op een gegeven moment in slaap gevallen en toen ik wakker werd, dat was in Gouda, zaten de kinderen niet meer in de bus. De kleinste meid zat wel in de bus en nog een jongen, volgens mij heet hij [naam 3] . Ik heb in de verte wel iets gehoord dat [verdachte] zei dat ze nu wel een sponsorloop mochten doen omdat er geld nodig was, de benzine was namelijk op (…)” , als vermeld op p. 44 van het vervolg proces-verbaal.

8 Proces-verbaal van verhoor getuige [Naam 4] , onderzoek Bultkrokodil / DHRCC16002, nr. 4, d.d. 17 maart 2016, voor zover inhoudende: “(…) Wij wilden wat leuks gaan doen en wilde naar de Beekse Bergen gaan (…). [verdachte] had gehoord dat wij wat leuks wilde gaan doen en toen hebben we gewoon een dag afgesproken om dat te doen. Ik was die dag samen met haar 4 kinderen (…) [slachtoffer 1] . [verdachte] was er ook bij (…) Ik werd wakker en dat bleek in Gouda te zijn. [verdachte] zei dat we zonder benzine zaten en zij zei dat we geld nodig hadden. Zij zei dat we een beetje geld moesten verdienen omdat we daarna verder konden gaan. We moesten langs d deuren gaan en zeggen dat we bezig waren met een sponsorloop. (…) Die meiden hebben dat gedaan. Zij hebben in een auto een soort formulier gemaakt. (…) [verdachte] vertelde dat de benzine op was en daarna zei ze als wij hier vanavond nog weg wilden dan moeten jullie een beetje geld regelen. (…) Ik wist dat zij dat wel vaker deden. Ik bedoel dat de kinderen van [verdachte] dat vaker deden en dat zij dus vaker een soort sponsorloop deden om aan geld te komen. Ik weet dat het geld soms naar [verdachte] ging en verder weet ik het niet zo (…)” , als vermeld op de derde, vierde en vijfde pagina.

9 Proces-verbaal van bevindingen, d.d. 21 maart 2016, nr. PL1500-2015281969-15, voor zover inhoudende: “(…) In verband met de zorgen die er zijn over de kinderen van [verdachte] werd(…) informatie geraagd bij de scholen en de personen waar de kinderen verblijven. Het betreft in deze informatie over de kinderen (….) [slachtoffer 2] (…), [geboortedatum] (…) [slachtoffer 3] (,…), [geboortedatum] (…)”, als vermeld op de eerste pagina.