Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:7167

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
28-06-2016
Zaaknummer
AWB 16/11595, 16/11597
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

asiel; Turkije; aanvraag kennelijk ongegrond verklaard

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van informatie die een negatieve invloed op de beslissing op eisers aanvraag had kunnen hebben. De enkele opmerking van verweerder, dat het feit dat eiser geen inzicht heeft willen geven van het daadwerkelijke doel van zijn reis naar Mexico, wat daar ook van zij, en dat dit een ander licht kan doen schijnen op de asielmotieven van eiser, is daartoe onvoldoende. Dit geldt te meer nu verweerder van meet af aan op de hoogte is geweest van het feit dat eiser eerst naar Mexico is gereisd en pas daarna in Nederland asiel heeft gevraagd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is sprake van een gebrek. Dit gebrek kan met toepassing van artikel 6:22 Awb worden gepasseerd. Hiertoe is van belang dat het oordeel van verweerder, dat de aanvraag van eiser ongegrond is, stand houdt. Eiser heeft niet gesteld, noch is dit overigens gebleken, dat hij door de ten onrechte kennelijk ongegrondverklaring van zijn aanvraag in zijn belangen is geschaad. Gelet hierop leidt het geconstateerde gebrek niet tot gegrondverklaring van het beroep.

Nu geoordeeld wordt dat sprake is van een gebrek in het bestreden besluit en eiser op dit punt een beroepsgrond heeft aangevoerd, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten in verband met de behandeling van het beroep.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 31
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16 / 11595 (beroep)

AWB 16 / 11597 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 24 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum] , van Turkse nationaliteit,

eiser, verzoeker,

hierna te noemen eiser,

(gemachtigde: mr. B.J.P.M. Ficq, advocaat te Haarlem),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mr. P.P. Zweedijk, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

  1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eiser volgt de islam, de Safi stroming. Eiser is aanhanger van de Koerdische politieke partij, de [naam partij] . Voorheen heette deze partij de Democratische Samenlevingspartij, DTP. Eiser heeft als vrijwilliger voor deze partij gewerkt in verkiezingstijden. Zo heeft eiser folders uitgedeeld, affiches opgehangen en de partijkrant verkocht op straat. Bij de laatste verkiezingen is het de [naam partij] gelukt om de kiesdrempel te halen en zij hebben nu zitting in het parlement als partij. Een maand na de parlementsverkiezingen ontving eiser thuis een brief. Daarin stond dat hij moest ophouden met het helpen van de partij en dat hij geen folders meer moest uitdelen of het partijkantoor bezoeken, omdat hij anders met zijn leven zou moeten boeten. De afzender was onbekend. Eiser heeft deze brief verscheurd. Hij denkt dat mensen die tegen de [naam partij] zijn deze brief bij hem hebben bezorgd. Nadat eiser een tweede brief kreeg, is hij bij zijn zus gaan wonen. In die tweede brief stond hetzelfde als in de eerste brief, maar er stond ook dat eiser moest oppassen en dat het slecht met hem zou aflopen. Eiser heeft ook deze brief verscheurd. Eiser heeft het contact met de [naam partij] verbroken. Eiser leefde door de dreigbrieven in angst en besloot daarom te vluchten. Eiser heeft geen aangifte gedaan van de ontvangst van de dreigbrieven, omdat dit niet serieus wordt genomen. De politie zal niets doen.

  2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de volgende relevante elementen onderscheiden:

- eisers gestelde identiteit en nationaliteit;

- eisers gestelde activiteiten voor de [naam partij] partij en

- de gestelde ontvangen dreigbrieven.

Verweerder acht de verklaringen van eiser met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit, herkomst en activiteiten voor de [naam partij] partij geloofwaardig. Verweerder acht de verklaringen van eiser met betrekking tot de ontvangen dreigbrieven niet geloofwaardig. Hiertoe heeft verweerder allereerst overwogen dat eiser deze brieven niet heeft overgelegd. Het wordt eiser aangerekend dat hij deze brieven niet heeft bewaard om hiermee zijn verklaringen te kunnen staven. Verder wordt overwogen dat eiser summier heeft verklaard met betrekking tot de brieven en zich enkel baseert op vermoedens. Zo heeft eiser niet kunnen aangeven van wie deze brieven afkomstig zijn. Verder heeft eiser niet kunnen aangeven op welke wijze deze brieven zijn bezorgd. Ook weet eiser niet aan te geven waarom juist hij dreigbrieven heeft ontvangen. Daarnaast valt niet in te zien dat eiser nog bijna een jaar in zijn land van herkomst en dicht bij zijn woonplaats heeft verbleven alvorens te vertrekken, terwijl hij verklaard heeft dat hij bang was achtervolgd en vermoord te zullen worden. Ten slotte doet het afbreuk aan de geloofwaardigheid dat eiser zich niet direct na aankomst op Schiphol tot de autoriteiten heeft gewend voor het indienen van een asielaanvraag, maar eerst is doorgereisd naar Mexico.

Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, Vw.

Verweerder heeft verder overwogen dat de aanvraag wordt afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw omdat eiser verweerder heeft misleid door relevante informatie of documenten, die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden.

3. Eiser verzoekt in beroep allereerst de zienswijze als herhaald en ingelast te beschouwen. De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit is ingegaan op de zienswijze. De enkele verwijzing in dit verband naar de zienswijze, zonder daarbij aan te geven in welk opzicht verweerders reacties daarop in het bestreden besluit tekortschiet, is onvoldoende om te spreken van een beroepsgrond waarop de rechtbank in moet gaan.

4. Eiser voert aan dat verweerder hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij de dreigbrieven niet heeft overgelegd en daarbij overwogen dat eiser op het moment van ontvangst van deze brieven zich ervan bewust had moeten zijn dat deze relevant zouden zijn voor een eventuele latere aanvraag. Eiser stelt dat het hem niet kan worden tegengeworpen dat hij de brieven niet heeft bewaard, terwijl hij op het moment van ontvangst nog niet van plan was zijn land te ontvluchten. Eiser had nog nooit gehoord van het gegeven ‘asiel vragen’. In het nader gehoor heeft eiser ook te kennen gegeven dat als hij van het belang van de brieven had geweten, hij ze bewaard zou hebben. Eiser was tot het gesprek met zijn vriend in 2016 helemaal niet op de hoogte van het feit dat het mogelijk is ergens bescherming te krijgen tegen vervolging.

4.1

Verweerder heeft zich op dit punt in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser in deze argumentatie niet wordt gevolgd. Uit zijn relaas kan niet anders worden afgeleid dan dat er een causaal verband bestaat tussen zijn vertrek uit Turkije en het feit dat hij daar een aantal dreigbrieven zou hebben ontvangen. Eiser heeft verklaard dat hij na ontvangst van de dreigbrieven in angst leefde en dat hij daarom uiteindelijk zijn land van herkomst heeft verlaten. In alle redelijkheid mag derhalve worden aangenomen dat eiser, indien hij daadwerkelijk dreigbrieven zou hebben ontvangen, zich bewust was van de relevantie van die documenten voor een eventuele latere asielaanvraag. Dat er op het moment van ontvangst van de dreigbrieven nog geen reden was om deze te bewaren kan in alle redelijkheid niet worden gevolgd. Het wordt eiser daarom onverminderd aangerekend dat hij de dreigbrieven niet heeft bewaard, maar heeft verscheurd. Van iemand die een asielverzoek indient en zich daarbij primair beroept op het feit dat hij twee dreigbrieven zou hebben ontvangen, mag worden verwacht dat hij ervoor zorgt dat deze documenten in zijn bezit blijven om hiermee zijn asielverzoek te onderbouwen.

4.2

Ter zitting heeft verweerders gemachtigde dit standpunt nader toegelicht en aangegeven dat de kern van eisers relaas is dat hij twee dreigbrieven zou hebben ontvangen, die zijn leven volledig op zijn kop zouden hebben gezet. Als de brieven een dergelijk grote impact hebben, mag verwacht worden dat deze brieven overgelegd worden.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van eiser verwacht mocht worden dat hij de twee dreigbrieven ter onderbouwing van zijn aanvraag zou overleggen. Dat eiser deze brieven niet bewaard heeft, heeft verweerder hem mogen aanrekenen. Eiser kan worden gevolgd in zijn stelling dat hij niet destijds al het belang van deze documenten voor een eventueel asielverzoek in een ander land had behoeven in te zien, maar wel kan worden verwacht dat eiser deze brieven zou hebben bewaard om daarmee een (eventueel toekomstig) verzoek om bescherming, al dan niet bij de Turkse autoriteiten, te onderbouwen.

5. Eiser voert verder aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat hij niet kenbaar heeft gemaakt wie hem bedreigd heeft en dat hij daarover geen vermoeden heeft uitgesproken. Eiser heeft wel een vermoeden geuit maar verweerder schuift dit terzijde. Reeds hierom is het besluit op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd. Daarnaast acht eiser het relevant dat hij tijdens het nader gehoor heeft opgemerkt dat de Turkse autoriteiten niet weten wie een bom tot ontploffing heeft gebracht tijdens een vergadering van de [naam partij] en de daders niet kunnen vinden en daarbij heeft opgemerkt dat dan een simpele burger dat toch ook niet kan. Juist omdat eiser niet weet wie de vijand is, is het voor hem onmogelijk om zich tegen deze anonieme vijand te beschermen. Als eiser had geweten wie het was, dan was hij zijn land niet ontvlucht. Verweerder gaat hier ten onrechte aan voorbij. Verweerder had op dit punt acht moeten slaan op de actuele landeninformatie. Immers, ook Amnesty International spreekt in haar rapport van september over gewelddadige optredens jegens -vermeende- aanhangers van de [naam partij] , Koerden en andere personen die mogelijk verwant zijn met de PKK en verzoekt de Turkse autoriteiten uitdrukkelijk onderzoek te doen naar de daders. Juist het gegeven dat de dader onbekend is en de Turkse overheid faalt in het achterhalen van daders is in Turkije onderdeel van het probleem. Eiser voert verder aan dat verweerder hem ten onrechte tegenwerpt dat hij onvoldoende pogingen zou hebben ondernomen om de herkomst van de brief te achterhalen. Eiser heeft het contact met de [naam partij] partij verbroken om verdere problemen te voorkomen. Om die reden is ook geen contact meer gezocht met andere activisten. Gelet op de inhoud van deze brieven laat deze handelswijze zich ook helemaal verklaren. Verweerder heeft dit ten onrechte niet in de beoordeling betrokken.

5.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser niet heeft kunnen aangeven van wie de dreigbrieven afkomstig zouden kunnen zijn en waarom juist hij deze zou hebben ontvangen. In alle redelijkheid mag worden aangenomen, aldus verweerder, dat iemand die twee dreigbrieven heeft ontvangen en die naar aanleiding daarvan zo bang is geworden dat hij uiteindelijk heeft besloten zijn land te verlaten, op zijn minst een vermoeden kan uitspreken over wie deze dreigbrieven heeft bezorgd en waarom deze uitgerekend bij hem zijn bezorgd. Eiser heeft hierover geen enkele opheldering kunnen verschaffen. Op de vraag of eiser enig idee heeft wie erachter zou kunnen zitten, antwoordt hij “Ik denk dat het mensen zijn die tegen onze partij zijn en macht hebben”. Eiser heeft verder aangegeven dat hij geen idee heeft wie deze brief onder zijn deur zou hebben doorgeschoven. Op de vraag waarom juist hij dreigbrieven heeft ontvangen, heeft eiser slechts geantwoord: “Ze willen gewoon niet dat de partij succesvol is. In Turkije is het niet belangrijk hoe hoog je bent in de partij.” De enkele omstandigheid dat het om een anonieme bedreiging ging, kan in alle redelijkheid niet verklaren waarom eiser in het geheel niet kan duiden door wie hij zou zijn bedreigd. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat eiser nog bijna tien maanden in Adana is gebleven. Eiser heeft daarmee ruimschoots tijd en gelegenheid gehad te achterhalen wie hem de dreigbrieven zou hebben verstuurd. Niet is gebleken dat eiser de nodige inspanningen heeft verricht om te achterhalen wie hem de dreigbrieven zou hebben verstuurd.

5.2

De rechtbank stelt voorop dat het, gelet op artikel 31, eerste lid, Vw aan eiser is om aannemelijk te maken dat hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Nu eiser stelt dat zijn vrees is gerelateerd aan de anonieme bedreigingen, die neergelegd zouden zijn in twee dreigbrieven, mag van eiser worden verwacht dat hij meer concrete informatie kan verstrekken met betrekking tot deze bedreigingen. Eiser heeft niet nader onderbouwd waarom juist hij, gelet op zijn betrekkelijk marginale functie als vrijwilliger voor de [naam partij] , bedreigingen zou hebben ontvangen. Verder heeft verweerder eiser mogen aanrekenen dat hij geen informatie heeft kunnen verschaffen met betrekking tot de (vermoedelijke) bron van de bedreigingen en dat hij, op een enkel telefoontje na, geen pogingen heeft ondernomen om de bron van de bedreigingen te achterhalen. Dat eiser wel een vermoeden zou hebben geuit, behoefde verweerder niet tot een ander oordeel te leiden, nu dit gestelde vermoeden vaag en niet nader geconcretiseerd is.

De stelling dat eiser niet kan worden verweten dat hij geen pogingen heeft ondernomen om te achterhalen wie de bedreigingen geuit zou kunnen hebben, omdat hij uit angst het contact met de partij heeft verbroken, volgt de rechtbank niet. Verwacht mag worden dat iemand die bedreigingen ontvangt die hij als zodanig ernstig inschat dat hij onderduikt en zelfs uiteindelijk het land verlaat, meer inspanningen verricht om te achterhalen van welke persoon of groep hij te vrezen zou hebben. Niet valt in te zien dat eiser niet, al dan niet rechtstreeks, meer informatie had kunnen inwinnen bij medewerkers van de [naam partij] , over bijvoorbeeld de vraag of meer mensen bedreigd waren.

6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte het relaas heeft beoordeeld tegen de achtergrond van het algemene ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken met betrekking tot Turkije van 2013. De mensenrechtensituatie is sindsdien ernstig verslechterd en dit is, gelet op werkinstructie 2014/10 relevant. Niet kan worden volgehouden dat het ambtsbericht van 2013 een actuele bron van informatie is. Eiser wijst op het jaarrapport van Amnesty International 2015/2016 en het US Department of State van 13 april 2016 op dit punt. De situatie is wezenlijk veranderd sinds het ambtsbericht van 2013. Dit is van invloed op de beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas. De Turkse autoriteiten weten in een aanzienlijk aantal gevallen van bomaanslagen niet wie achter deze aanslagen zitten. Tegen deze achtergrond laat het zich niet verklaren dat aan eiser wordt tegengeworpen dat hij niet op de hoogte is van de personen die hem bedreigd hebben. Uit de informatie van de Amerikaanse overheid blijkt dat sprake is van straffeloosheid en een zwak functionerende overheid. Tegen die achtergrond kan bezwaarlijk van eiser worden verwacht dat hij bescherming vraagt en kan krijgen van deze overheid.

6.1

De rechtbank volgt eiser niet in deze beroepsgrond. Dat de Turkse autoriteiten niet in alle gevallen weten wie achter bomaanslagen zitten, maakt niet dat daarom niet aan eiser kan worden tegengeworpen dat hij niet heeft getracht te achterhalen van welke zijde hij zou zijn bedreigd, noch dat niet van eiser verwacht kan worden dat hij complete, concrete en consistente verklaringen kan afleggen met betrekking tot de reden voor zijn gestelde vrees.

6.2

In het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat eiser niet langer wordt tegengeworpen dat hij geen bescherming heeft gevraagd van de Turkse autoriteiten. Gelet daarop zal de rechtbank dit onderdeel van de beroepsgrond niet bespreken.

7. Eiser voert aan dat hij niet vaag heeft verklaard over het tijdstip waarop hij de dreigbrieven heeft ontvangen. Hij heeft verklaard dat de eerste brief werd ontvangen een maand na de verkiezingen van 7 juni 2015 en de tweede brief twee weken daarna.

7.1

Verweerder heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat eiser vaag heeft verklaard over het moment waarop hij de twee dreigbrieven heeft ontvangen. Eiser heeft immers niet meer verklaard dan dat hij de eerste brief kreeg “een maand na de verkiezingen van 7 juni 2015” en dat hij de tweede brief ontving “15 dagen na de eerste brief”.

7.2

De rechtbank is van oordeel dat eiser in deze beroepsgrond kan worden gevolgd. Verweerder heeft dit onderdeel dan ook ten onrechte betrokken bij zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van het element ‘de gestelde ontvangen dreigbrieven’. Dit neemt echter niet weg dat verweerder, zoals hiervoor is overwogen, zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het element ‘de gestelde ontvangen dreigbrieven’ niet geloofwaardig is.

8. Eiser voert verder aan dat dat hij geen inconsistente verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de inhoud van de dreigbrieven. Eiser is heel duidelijk geweest over de inhoud van de brieven en laat geen ruimte voor suggestie.

8.1

Ter zitting heeft verweerders gemachtigde te kennen gegeven dat deze overweging uit het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd. De rechtbank zal zich daarom niet over deze beroepsgrond uitlaten.

9. Eiser voert aan dat verweerder hem niet langer tegenwerpt dat hij geen aangifte heeft gedaan bij de politie. Dat betekent dat verweerder hiermee zelf impliciet aangeeft dat het vragen van bescherming niet mogelijk is. Dit gegeven dient door de rechtbank expliciet bij de beoordeling te worden betrokken.

9.1

Nu verweerder, zoals hiervoor al onder 6.2 is overwogen, eiser niet langer tegenwerpt dat hij geen bescherming heeft gevraagd van de Turkse autoriteiten, en dit derhalve niet langer in geschil is, is er geen aanleiding voor de rechtbank zich hierover uit te laten. De rechtbank verwerpt dan ook deze beroepsgrond.

10. Eiser voert aan dat verweerder hem niet kan tegenwerpen dat hij na ontvangst van de dreigbrieven nog tien maanden in Adana, Turkije, is gebleven. Eiser was heel angstig na ontvangst van de brieven en heeft de contacten met de partij verbroken. Hij durfde niet langer in zijn eigen huis te verblijven en is vertrokken naar zijn zus, die in een ander district woont, en heeft zich daar schuilgehouden. Eiser wist niet wat er zou gebeuren als hij weer aan het openbare leven zou deelnemen. Het leven in Turkije bleek dan ook onhoudbaar. Eisers vriend wees hem op de mogelijkheid om het land te verlaten en elders asiel aan te vragen.

10.1

Verweerder stelt zich in het besluit op het standpunt dat uit de verklaringen van eiser niet valt af te leiden waarom hij pas bijna tien maanden na de gestelde ontvangst van de dreigbrieven het land heeft verlaten, terwijl die brieven volgens eiser ten grondslag liggen aan zijn vrees te worden achtervolgd en vermoord. Het feit dat hiermee een directe aanleiding voor vertrek ontbreekt, maakt eens te meer ongeloofwaardig dat eiser de dreigbrieven daadwerkelijk heeft ontvangen.

10.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval niet ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen dat hij nog tien maanden in zijn woonplaats in Turkije is gebleven. Zoals verweerders gemachtigde ter zitting heeft aangegeven, heeft eiser tot een week voor zijn vertrek deelgenomen aan het openbare leven, door in zijn eigen baan werkzaam te blijven. Hieruit blijkt niet dat eiser, zoals hij stelt, zich uit angst heeft schuilgehouden en dat zijn leven onhoudbaar was. Verweerder heeft dit terecht betrokken bij de beoordeling van eisers aanvraag.

11. Eiser voert verder aan dat verweerder de door hem overgelegde documentatie ten onrechte heeft gezien als onderbouwing dat het enkele gegeven dat iemand actief is geweest, reden zou zijn om aan te nemen dat hij om die reden te vrezen zou hebben voor vervolging. De documenten zijn echter overgelegd om de geloofwaardigheid van het relaas te onderbouwen, namelijk dat activisten van de [naam partij] om verschillende redenen problemen kunnen ondervinden van verschillende zijde.

11.1

Ter zitting heeft verweerders gemachtigde aangegeven dat activistische Koerden niet reeds enkel om die reden in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Zij dienen aannemelijk te maken dat zij gegronde reden hebben te vrezen voor vervolging, dan wel in het land van herkomst een reëel risico lopen op ernstige schade. Eiser is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij een dergelijke gegronde vrees heeft, noch dat hij bij terugkeer daadwerkelijk een reëel risico loopt.

11.2

De rechtbank is van oordeel, zoals hiervoor al is overwogen, dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij twee dreigbrieven heeft ontvangen. Met het overleggen van landeninformatie heeft eiser dit evenmin aannemelijk gemaakt. Hoewel uit deze informatie afgeleid kan worden dat iemand die actief is geweest voor de [naam partij] problemen kan ondervinden, blijkt hieruit niet dat eiser dit inderdaad is overkomen.

12. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij twee dreigbrieven heeft ontvangen en behoefde verweerder de verklaringen van eiser op dit punt dan ook niet inhoudelijk te toetsen aan de vervolgingsgronden als genoemd in het Vluchtelingenverdrag, noch hoefde verweerder deze verklaringen te betrekken bij de beoordeling of eiser in het land van herkomst een reëel risico loopt op een behandeling als verboden in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of op ernstige schade. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw.

12. Eiser voert ten slotte aan dat verweerder zijn aanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond heeft geacht. Eiser heeft verweerder niet misleid. Van misleiding kan worden gesproken als iemand opzettelijk relevante informatie heeft achtergehouden om zo de uitkomst van zijn asielprocedure positief te beïnvloeden. Het is eiser niet duidelijk welke informatie hij opzettelijk zou hebben achtergehouden, waardoor zijn asielaanvraag positief zou worden beïnvloed. Eiser merkt verder op dat in het voornemen aan hem wordt tegengeworpen dat sprake is van een kennelijk ongegronde asielaanvraag omdat eiser tegenstrijdige verklaringen zou hebben afgelegd met betrekking tot het verkregen visum. In het bestreden besluit wordt hier nog maar summier over gerept maar wordt aan eiser een nieuw argument tegengeworpen. Het enkele gegeven dat verweerder eerst in het besluit een nieuw argument tegenwerpt, maakt dat de aanvraag niet kennelijk ongegrond kan zijn. Immers, er kan eerst sprake zijn van een kennelijk ongegronde asielaanvraag, als het zonneklaar is dat de aanvraag ongegrond is.

13.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat eiser enerzijds heeft gesteld dat het nimmer zijn intentie is geweest om naar Mexico te reizen, terwijl uit andere verklaringen en feiten blijkt dat hij wel degelijk van plan was om naar dat land te reizen en daar te verblijven. Dit rechtvaardigt de conclusie dat eiser geen inzicht wil geven in het daadwerkelijke doel van zijn reis naar Mexico en dat sprake is van het achterhouden van relevante informatie of documenten als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw.

Ter zitting heeft verweerders gemachtigde deze overweging nader toegelicht en daartoe aangegeven dat het voorgaande een ander licht kan doen schijnen op de asielmotieven van eiser.

13.2

In artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw is bepaald dat een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn indien de vreemdeling verweerder heeft misleid door omtrent zijn identiteit of nationaliteit valse informatie of documenten te verstrekken of door relevante informatie of documenten die een negatieve invloed op de beslissing hadden kunnen hebben, achter te houden.

13.3

De rechtbank is van oordeel dat, afgezien van de vraag of in dit geval geoordeeld kan worden dat eiser informatie heeft achtergehouden, verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van informatie die een negatieve invloed op de beslissing op eisers aanvraag had kunnen hebben. Reeds hierom slaagt de beroepsgrond van eiser. De enkele opmerking van verweerder, dat het feit dat eiser geen inzicht heeft willen geven van het daadwerkelijke doel van zijn reis naar Mexico, wat daar ook van zij, en dat dit een ander licht kan doen schijnen op de asielmotieven van eiser, is daartoe onvoldoende. Dit geldt te meer nu verweerder van meet af aan op de hoogte is geweest van het feit dat eiser eerst naar Mexico is gereisd en pas daarna in Nederland asiel heeft gevraagd.

14. Gelet op hetgeen onder 13 is overwogen, is sprake van een gebrek. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden gepasseerd. Deze vraag moet in het onderhavige geval bevestigend worden beantwoord. Hiertoe is van belang dat het oordeel van verweerder, dat de aanvraag van eiser ongegrond is, stand houdt. Eiser heeft niet gesteld, noch is dit overigens gebleken, dat hij door de ten onrechte kennelijk ongegrondverklaring van zijn aanvraag in zijn belangen is geschaad. Gelet hierop leidt het geconstateerde gebrek niet tot gegrondverklaring van het beroep.

14. Het beroep is ongegrond.

14. Nu geoordeeld wordt dat sprake is van een gebrek in het bestreden besluit en eiser op dit punt een beroepsgrond heeft aangevoerd, ziet de rechtbank aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten in verband met de behandeling van het beroep. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 992,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

Verzoek om een voorlopige voorziening

17. Indien tegen een besluit beroep bij de rechtbank is ingesteld, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

17. Nu in de hoofdzaak wordt beslist, is aan het verzoek het belang komen te ontvallen, zodat dit reeds daarom niet voor toewijzing in aanmerking komt. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening afwijzen.

17. De voorzieningenrechter zal met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb verweerder veroordelen in de kosten die eiser heeft gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 496,- (1 punt voor de voorlopige voorziening, wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 992,- te betalen.

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 496,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. S.A. Steinhauser , rechter, tevens voorzieningenrechter in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2016.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.