Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:7105

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
30-05-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
SGR 15/7504
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking, terugvordering en invordering van ZW- en WW-uitkeringen vanwege het ontbreken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 15/7504

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 mei 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. Küçükünal),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: M. de Bluts).

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2015 (primair besluit I) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) over de periode van 19 september 2012 tot en met 20 mei 2013 en over de periode van 17 juli 2013 tot en met 28 januari 2014 ingetrokken.

Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum (primair besluit II) heeft verweerder over voornoemde periodes bedragen van respectievelijk € 8.736,30 en € 7.595,20 aan ten onrechte uitgekeerde ZW-uitkering van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 18 juni 2015 (primair besluit III) heeft verweerder bepaald dat eiser het bedrag van € 8.736,30 binnen zes weken terug diende te betalen.

Bij besluit van 8 juli 2015 (primair besluit IV) heeft verweerder bepaald dat eiser het bedrag van € 7.595,20 binnen zes weken terug diende te betalen.

Bij besluit van 31 juli 2015 (primair besluit V) heeft verweerder eisers uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) over de periode van 14 mei 2012 tot en met 13 augustus 2012 ingetrokken.

Bij afzonderlijk besluit van dezelfde datum (primair besluit VI) heeft verweerder een bedrag van € 14.412,69 aan over de periode van 29 september 2014 tot en met 5 juli 2015 ten onrechte uitgekeerde WW-uitkering van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 17 augustus 2015 (primair besluit VII) heeft verweerder primair besluit V ingetrokken en eisers WW-uitkering over de periode van 1 oktober 2014 tot en met 5 juli 2015 ingetrokken.

Bij besluit van 15 september 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers bezwaar tegen primair besluit I tot en met IV, VI en VII ongegrond verklaard. Verweerder heeft eisers bezwaar tegen primair besluit V niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 april 2016.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en vergezeld van [persoon A] , tolk. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. [zoon] (hierna: [zoon] ) is de zoon van eiser. [zoon] heeft op 28 april 2010 een eenmanszaak met handelsnamen [bedrijf A] en [bedrijf B] opgericht. Blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel was het [bedrijf A] actief in de algemene burgerlijke en utiliteitsbouw en richtte [bedrijf B] zich op de teelt van groenten en wortel- en knolgewassen. De ondernemingen hadden als bezoekadres [adres] te [plaats] . Dit was tevens het woonadres van eiser en [zoon] . Deze ondernemingen zijn met ingang van 11 november 2014 opgeheven.

1.2

In Suwinet staat over de periode van 18 juni 2012 tot en met 17 september 2012 een dienstverband tussen eiser en [zoon] geregistreerd (dienstverband I). Eiser zou als uitzendkracht bij [bedrijf A] werkzaam zijn geweest. Hij ontving over de periode van 19 september 2012 tot en met 20 mei 2013 een ZW-uitkering uit hoofde van deze werkzaamheden.

1.3

Over de periode van 1 juli 2013 tot en met 15 juli 2013 staat in Suwinet een dienstverband tussen eiser en [B.V. X] geregistreerd (dienstverband II). Eiser ontving over de periode van 17 juli 2013 tot en met 28 januari 2014 een ZW-uitkering uit hoofde van zijn werkzaamheden bij [B.V. X]

1.4

Eiser heeft op 1 april 2014 een arbeidsovereenkomst ondertekend met de strekking dat hij met ingang van die datum voor een periode van zes maanden in dienst trad als agrarisch medewerker bij [bedrijf B] (dienstverband III). Bij brief van 1 oktober 2014 heeft [zoon] aan eiser medegedeeld dat zijn contract op 1 oktober 2014 afliep en dat aan hem geen nieuw werk kon worden aangeboden. Aan eiser is met ingang van 1 oktober 2014 een WW-uitkering toegekend uit hoofde van deze werkzaamheden.

1.5

Naar aanleiding van een intern vermoeden van fraude heeft verweerder een onderzoek ingesteld naar de mogelijke aanwezigheid van gefingeerde dienstverbanden tussen eiser en de ondernemingen van zijn zoon en tussen eiser en [B.V. X] Verweerder heeft in het kader van dit onderzoek onder meer eiser, [zoon] en diverse betrokkenen bij het [bedrijf A] en [bedrijf B] en [B.V. X] verhoord. De onderzoeksresultaten zijn neergelegd in het rapport werknemersfraude van 6 mei 2015.

2.1

Verweerder heeft uit de onderzoeksbevindingen geconcludeerd dat er sprake is geweest van gefingeerde dienstverbanden, zodat eiser niet verzekerd was voor de ZW en WW. Dit heeft geleid tot de onder het kopje ‘procesverloop’ weergegeven primaire besluiten I tot en met VII. Eiser heeft tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

2.2

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen primair besluit I tot en met IV, VI en VII ongegrond verklaard. Ten aanzien van eisers gestelde dienstverbanden I en III stelt verweerder zich op het standpunt dat niet is voldaan aan de criteria voor het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Van enige gezagsverhouding tussen eiser en [zoon] is verweerder niet gebleken. [zoon] was weliswaar op papier de eigenaar van de ondernemingen, maar feitelijk had eiser de zeggenschap. Uit de onderzoeksbevindingen blijkt dat eiser de zaken regelde en aan niemand verantwoording hoefde af te leggen. Omdat geen sprake was van verzekering ingevolge de WW en ZW, had eiser uit hoofde van zijn werkzaamheden bij [bedrijf A] en [bedrijf B] geen recht op een ZW-uitkering per 19 september 2012 en had hij evenmin recht op een WW-uitkering per 1 oktober 2014.
Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat ook eisers dienstverband bij [B.V. X] gefingeerd was. Feitelijk werd eiser niet uitgeleend aan een inlener. maar betrof het een reguliere arbeidsovereenkomst. Dat betekent dat [B.V. X] in geval van ziekte gehouden was om eisers loon door te betalen, zodat eiser per 17 juli 2013 geen recht op een ZW-uitkering had.
Omdat eiser geen recht had op de aan hem verstrekte uitkeringen op grond van de ZW en WW had, heeft verweerder eisers recht op uitkering ingetrokken en het ten onrechte uitbetaalde bedrag van hem terug- en ingevorderd. Van dringende redenen om van herziening of terugvordering af te zien is volgens verweerder geen sprake.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar tegen primair besluit V niet‑ontvankelijk verklaard omdat dit besluit bij primair besluit VI is ingetrokken.

3. Eiser betoogt dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn dienstverbanden gefingeerd waren. Hij heeft tijdens het verhoor op 13 april 2015 gedetailleerde verklaringen afgelegd over de aard van zijn werkzaamheden. Verweerder heeft deze verklaringen zonder motivering of nader onderzoek buiten beschouwing gelaten. Verweerder hecht voorts ten onrechte waarde aan de tegenstrijdige verklaringen die door andere betrokkenen zijn afgelegd. Ter zitting heeft eiser hieraan toegevoegd dat hij niet aan zijn verklaringen tijdens het verhoor kan worden gehouden. Eiser heeft onvoldoende nuanceringen in zijn verklaringen aangebracht omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Er was ten onrechte geen tolk bij zijn verhoor aanwezig. Verweerder heeft daarnaast het proces-verbaal van verhoor niet correct opgesteld, want de hem onwelgevallige verklaringen die eiser heeft afgelegd zijn daarin niet opgenomen. Uit zijn verklaringen tijdens het verhoor bleek dat hij onder gezag van [zoon] werkte. [zoon] regelde de administratie en het contact met de klanten. Eiser was op de werkvloer het aanspreekpunt. [zoon] had toezicht en controle op eisers werk en gaf eiser opdrachten en aanwijzingen. Omdat [zoon] niet altijd in zijn ondernemingen aanwezig kon zijn, had hij bevoegdheden aan eiser overgedragen. De eindverantwoordelijkheid lag echter bij [zoon] .

4. Verweerder heeft ter zitting medegedeeld dat met primair besluit VII is beoogd zowel primair besluit V als primair besluit VI in te trekken en dit laatste besluit te vervangen. De rechtbank stelt vast dat deze bedoeling correspondeert met de tekst van primair besluit VII. Het voorgaande betekent naar het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit zo moet worden gelezen dat ook eisers bezwaar gericht tegen primair besluit VI niet-ontvankelijk wordt verklaard omdat dit besluit ingetrokken moet worden geacht bij primair besluit VII. Eiser heeft medegedeeld geen bezwaar te hebben tegen de aanvulling van verweerder ter zitting. Omdat niet aannemelijk is dat eiser door deze gang van zaken is benadeeld, ziet de rechtbank aanleiding het gebrek in het bestreden besluit met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren.

5. Verweerder heeft ter zitting voorts toegelicht dat het bestreden besluit zo moet worden gelezen dat primair wordt gesteld dat eiser een gefingeerd dienstverband bij [B.V. X] had. Subsidiair stelt verweerder dat feitelijk geen sprake was van een uitzendovereenkomst tussen eiser en [B.V. X] De rechtbank heeft voorts ter zitting samen met partijen vastgesteld dat het totale terugvorderingsbedrag € 30.744,19 bedraagt. Eiser heeft desgevraagd medegedeeld dat zijn beroep zich mede richt tegen de invordering van de teruggevorderde ZW- en WW-uitkeringen.

6. De intrekking en terugvordering van eisers ZW- en WW-uitkeringen zijn belastende besluiten waarbij het aan verweerder is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Indien op grond van de door verweerder gepresenteerde feiten aannemelijk is dat eiser ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de socialeverzekeringswetten heeft vervuld, dan ligt het op de weg van eiser om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken. Bij de vaststelling van feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dienstbetrekking, komt in beginsel een groot gewicht toe aan de eerste verklaringen die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd.

7. De rechtbank is van oordeel dat eiser kan worden gehouden aan hetgeen hij tijdens het verhoor op 13 april 2015 heeft verklaard. Niet is gebleken dat hij de vragen tijdens het verhoor niet kon begrijpen, of dat hij niet heeft verklaard wat hij beoogde te verklaren. De rechtbank overweegt daartoe dat eiser voorafgaand aan het verhoor heeft medegedeeld dat hij de Nederlandse taal goed verstond, sprak en begreep. Eiser heeft blijkens het gespreksverslag tijdens het verhoor niet om bijstand door een tolk verzocht of kenbaar gemaakt dat hij het besprokene niet begreep. Hij heeft het gespreksverslag nagelezen en ondertekend. Eisers verklaringen zijn voorts gedetailleerd, duidelijk en komen overeen met de verklaringen van onpartijdige derden.
Eiser heeft niet onderbouwd welke ontlastende verklaringen ten onrechte niet in het gespreksverslag zouden zijn opgenomen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de in het proces-verbaal van verhoor opgenomen verklaringen afwijken van wat eiser werkelijk heeft verklaard dan wel bedoelde te verklaren.

8.1

Tussen partijen is in geschil of sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking als bedoeld in artikel 3 van de ZW en WW tussen eiser en [bedrijf A] , [bedrijf B] en [B.V. X] Voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking moet sprake zijn van een verplichting de arbeid persoonlijk te verrichten, een verplichting tot het betalen van loon en een gezagsverhouding tussen de werknemer en de werkgever. Bij de beantwoording van de vraag of aan deze criteria wordt voldaan moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Hoge Raad van 17 februari 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BU8926) en 25 maart 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP3887).

8.2

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 2 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:707) is sprake van een gezagsverhouding indien degene die arbeid verricht aan een zeker gezag van de gestelde werkgever is onderworpen en dat laatstgenoemde bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk.

9.1

Ten aanzien van eisers gestelde dienstbetrekking I overweegt de rechtbank als volgt. Uit het rapport werknemersfraude komt naar voren dat [zoon] tijdens het verhoor op 13 april 2015 heeft verklaard dat hij als enige bevoegd was om met inleners te onderhandelen. Hij had onder meer contact met inlener [persoon B] . Eiser heeft tijdens zijn verhoor evenwel verklaard dat hij alles regelde. [zoon] zat nog op school en had geen contacten en ervaring. Hij deed slechts kleine taken die eiser hem opdroeg. Eiser heeft voorts verklaard dat [bedrijf A] op zijn initiatief werd ingeschakeld door een paprikakweker in [plaats] met als voornaam [voornaam] . Eiser heeft twee collega’s aangenomen en gaf leiding aan hen. Uit het rapport werknemersfraude blijkt dat [persoon B] , directeur van [bedrijf C] te [plaats] , heeft verklaard dat hij eiser kende. Hij wist dat [bedrijf A] op naam van eisers zoon stond, maar had nooit iets met de zoon te maken gehad.

9.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat over de periode van 18 juni 2012 tot en met 17 september 2012 geen gezagsverhouding tussen eiser en [bedrijf A] bestond. Omdat de verklaringen van eiser en [persoon B] met elkaar overeenkomen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht meer waarde mogen hechten aan voornoemde verklaringen dan aan [zoons] andersluidende verklaring. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder uit de verklaringen van eiser en [persoon B] terecht geconcludeerd dat eiser degene was met zeggenschap binnen [bedrijf A] en dat [zoon] niet of nauwelijks bij het [bedrijf A] was betrokken. Eiser heeft de onjuistheid van verweerders standpunt niet aannemelijk gemaakt. Dat [zoon] eiser opdrachten of instructies gaf of zijn werk controleerde is de rechtbank niet gebleken.

9.3

De rechtbank overweegt voorts dat [zoons] stelling dat hij de zakelijke aspecten van het [bedrijf A] regelde door geen enkel bewijsstuk wordt ondersteund. Juist bij personen met een zakelijke rol in de bedrijfsvoering – zoals eiser [zoons] werkzaamheden thans in beroep karakteriseert – kan naar het oordeel van de rechtbank worden verwacht dat die rol zich (mede) op papier manifesteert. Ter zitting heeft de rechtbank eiser uitdrukkelijk gevraagd naar het bestaan van concrete schriftelijke stukken waaruit [zoons] rol als eigenaar van het [bedrijf A] kan worden afgeleid. Eiser heeft daarop bevestigd dat dergelijke schriftelijke bewijsstukken zich niet in het dossier bevinden en medegedeeld dat hij daarover ook niet beschikt. De rechtbank is daarom van oordeel dat eiser over de periode van 18 juni 2012 tot en met 17 september 2012 geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bij [bedrijf A] vervulde.

10.1

Ten aanzien van eisers gestelde dienstbetrekking III zijn onder meer de volgende onderzoeksbevindingen in het rapport werknemersfraude opgenomen. Uit de administratie van [bedrijf B] bleek dat [zoon] ten behoeve van de auberginekweek een tuin van [B.V. Y] heeft gehuurd. [zoon] heeft tijdens het verhoor op 13 april 2015 verklaard dat eiser het enige personeelslid van [bedrijf B] was. [zoon] werd door [persoon C] – de adviseur van [bedrijf B] – geholpen met het afsluiten van de energie- en huurcontracten. [zoon] heeft daarnaast diverse malen telefonisch met teeltadviseur [persoon D] gesproken.
Uit het rapport werknemersfraude blijkt dat [persoon C] tegenover verweerder heeft verklaard dat hij [zoon] hooguit een paar keer heeft ontmoet. Eiser regelde alles als uitvoerende man en [zoon] regelde niets, aldus [persoon C] . [persoon D] heeft telefonisch aan verweerder verklaard dat hij alleen zaken met eiser deed.
Eiser heeft tijdens het verhoor op 13 april 2015 verklaard dat hij alles voor [bedrijf B] regelde op naam van [zoons] onderneming. Eiser had de leiding, hoefde aan niemand verantwoording af te leggen en regelde zelf zijn verlof. [zoon] deed de (loon)administratie en kwam soms voor of na schooltijd helpen, aldus eiser.

10.2

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit eisers verklaring dat hij niet onder gezag van [zoon] werkte. Dit wordt bevestigd door de verklaringen van [persoon C] en [persoon D] . Weliswaar heeft [zoon] een andersluidende verklaring afgelegd, maar deze verklaring is niet met stukken onderbouwd en wordt niet bevestigd door andere betrokkenen. Ook ten aanzien van dit dienstverband blijkt nergens uit dat [zoon] bevoegd was om eiser opdrachten of instructies te geven of eisers werk te controleren. De rechtbank volgt eiser voorts niet in zijn betoog dat hij slechts de uitvoerende taken in [bedrijf B] regelde en dat [zoon] de zakelijke beslissingen nam. Het enkele feit dat [zoon] de huurovereenkomst voor de tuin heeft ondertekend is daartoe onvoldoende. Eiser heeft immers verklaard dat hij alles op naam van [zoon] regelde.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een gezagsverhouding tussen eiser en [zoon] over de periode van 1 april 2014 tot en met 30 september 2014 ontbrak. Eiser vervulde over voornoemde periode geen privaatrechtelijke dienstbetrekking bij [bedrijf B] .

11. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat eisers dienstverband bij [B.V. X] gefingeerd was. Uit het rapport werknemersfraude blijkt dat eisers naam niet in de administratie van [B.V. X] voorkomt. Dat hij voor zijn gestelde werkzaamheden werd betaald, is niet gebleken. Voorts heeft eiser tegenstrijdige verklaringen over zijn werkzaamheden bij de inlener afgelegd. Tijdens het verhoor op 13 april 2015 heeft hij verklaard dat zijn taken inhielden dat hij een aantal collega’s ’s ochtends vroeg naar een bedrijf in de buurt van [plaats] bracht en hen ’s avonds terugbracht. Terwijl zijn collega’s werkten, sliep eiser of deed hij hand- en spandiensten. Blijkens de telefoonnotitie van verweerder van 18 juli 2013 en de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 27 maart 2014 heeft eiser destijds echter medegedeeld dat hij als kabel- en grondwerker werkzaam was. Ook volgens het door [B.V. X] in 2013 ingevulde formulier ten behoeve van eisers ziekteaangifte, zou hij als kabel- en grondwerker hebben gewerkt. Uit de tegenstrijdige verklaringen over zijn werkzaamheden leidt de rechtbank af dat niet aannemelijk is dat eiser ten tijde van belang voor [B.V. X] werkte. Daarbij komt dat de rechtbank niet waarschijnlijk acht dat eiser voor een achturige werkdag werd betaald, terwijl hij feitelijk maar een deel van die tijd zou hebben gewerkt. Eiser heeft geen tegenbewijs ingebracht waarmee verweerders standpunt dat sprake was van een gefingeerd dienstverband tussen eiser en [B.V. X] wordt ontzenuwd. Dat betekent dat ook ten aanzien van dit dienstverband geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

12. Gelet op het voorgaande was eiser geen werknemer, zoals bedoeld in de socialeverzekeringswetten. Dat betekent dat hij niet verzekerd was voor de ZW en WW en geen recht op uitkering had. Verweerder was daarom gehouden om eisers ZW-uitkeringen over de periodes van 19 september 2012 tot en met 20 mei 2013 en 17 juli 2013 tot en met 28 januari 2014, alsmede zijn WW-uitkering over de periode van 1 oktober 2014 tot en met 5 juli 2015 in te trekken en het ten onrechte aan hem uitgekeerde bedrag van € 30.744,19 van hem terug te vorderen. Dringende redenen op grond waarvan verweerder van intrekking of terugvordering had moeten afzien zijn gesteld noch gebleken.

13. Tegen de invordering heeft eiser geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd, zodat een beoordeling daarvan achterwege kan blijven.

14. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.A.J. Overdijk, voorzitter, en mr. D.R. van der Meer en mr. dr. M.K.G. Tjepkema, leden, in aanwezigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2016.

de griffier is verhinderd
deze uitspraak te ondertekenen

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.