Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:7095

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
07-06-2016
Datum publicatie
30-06-2016
Zaaknummer
SGR 15/3717 en SGR 15/3603
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

bouw gezondheidscentrum; o.a. parkeerproblematiek; verweerder heeft in redelijkheid toepassing kunnen geven aan de afwijkingsmogelijkheid van artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de Bouwverordening

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 15/3717 en SGR 15/3603

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juni 2016 in de zaken tussen

[eiser A] en [eiser B] , te [woonplaats] (SGR 15/3603)

(gemachtigde: mr. R. Mulder),

[eiser C] , [eiser D] , [eiser E] en [eiser F], te [woonplaats] (SGR 15/3717)

(gemachtigde: mr. L. van Luipen ),

gezamenlijk te noemen: eisers

en

het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland, verweerder

(gemachtigde: G.W. de Bruijn).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [stichting X], te [plaats ] , vergunninghoudster,

(gemachtigden: ir. G. ten Hertog en mr. P.A. Kok).

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een gezondheidscentrum en het kappen van een houtopstand op het perceel plaatselijk bekend [adres] te [plaats ] .

Bij besluiten van 7 april 2015 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van omwonenden, waaronder eisers, gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij het primaire besluit in stand gelaten onder wijziging van de verleende omgevingsvergunning. Bij besluit van 16 april 2015 heeft verweerder de verleende omgevingsvergunning gewijzigd.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Vergunninghoudster heeft een zienswijze en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2016. [eiser A] is verschenen, bijgestaan door [persoon G] . Voorts waren aanwezig [eiser C] en [eiser F] , vergezeld van hun gemachtigde. Verweerder en de vergunninghoudster hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Vergunninghoudster heeft op 25 juli 2014 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Deze vergunning voorziet in de bouw van een nieuw gezondheidscentrum en het kappen van een els op het perceel plaatselijk bekend [adres] te [plaats ] (het perceel). De verleende omgevingsvergunning bevat toestemming voor de activiteiten bouwen en kappen als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, respectievelijk artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Ter zitting heeft vergunninghoudster verklaard dat met de bouw van het gezondheidscentrum is begonnen en dat deze naar verwachting in juli 2016 gereed zal zijn. Het gezondheidscentrum zal 15 behandelkamers bevatten.

2. Nu alle eisers woonachtig zijn aan de [straat] , in de directe nabijheid van het perceel waarop het bouwplan betrekking heeft, merkt de rechtbank hen als belanghebbenden bij de bestreden besluiten aan.

3.1

Ter plaatse van het bouwplan geldt het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan] ” (het bestemmingsplan). Op het betrokken perceel rust de bestemming “Maatschappelijk”. Ingevolge artikel 10.1 van de bestemmingsregels zijn de op de plankaart voor “Maatschappelijk” aangewezen gronden onder meer bestemd voor gezondheidszorg.

3.2

Ingevolge artikel 29, aanhef en onder b, van de bestemmingsregels kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van de regels voor overschrijding van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, voor zover zulks van belang is voor een technisch betere realisering van bouwwerken dan wel voor zover zulks noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein; de overschrijdingen mogen echter ten hoogste 3 meter bedragen en het bouwvlak mag met ten hoogste 10% worden vergroot.

3.3

Ingevolge artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening Midden‑Delfland 2007 (de Bouwverordening) moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort, indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

Ingevolge het vierde lid, onder b, kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte, dan wel laad- of losruimte wordt voorzien.

4. Namens [eiser A] en [eiser B] ( [eisers 1] ) is aangevoerd dat de bouw van het gezondheidscentrum, gelet op zijn commerciële oogmerk, strijd oplevert met het bestemmingsplan. Gelet hierop ziet de rechtbank zich allereerst voor de vraag gesteld of het gezondheidscentrum onder de in het vigerende bestemmingsplan gegeven bestemming “Maatschappelijk” valt. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Hiertoe wordt overwogen dat een gezondheidscentrum, gelet op het aanbod van diensten en de functie die een dergelijk centrum vervult, ongeacht het eventuele commerciële oogmerk daarvan, onder de bestemmingsomschrijving “Maatschappelijk” kan worden geschaard. Deze beroepsgrond faalt dan ook.

5.1

Tijdens de bezwaarschriftenprocedure is aan de orde gekomen dat het bouwplan, zoals vergund bij het primaire besluit, mogelijk mede is gesitueerd op een kleine strook grond van [eisers 1] . Vergunninghoudster heeft daarom verzocht om de verleende vergunning zodanig te wijzigen dat het gebouw mag worden gerealiseerd op een andere positie binnen het perceel. Het gebouw verschuift daarmee 15 centimeter in noordwestelijke richting ten opzichte van de positie die was aangegeven op de situatietekening van de verleende omgevingsvergunning. Hierdoor zou het bouwvlak behorende bij de bestemming met 7 centimeter worden overschreden. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder hiervoor ontheffing verleend met toepassing van artikel 29, aanhef en onder b, van de bestemmingsregels.

5.2

In haar reactie op de ingediende beroepschriften heeft vergunninghoudster te kennen gegeven dat het bestaande gebouw inmiddels is gesloopt en dat het nieuwe bouwplan opnieuw is ingemeten. Hierdoor werd beter zichtbaar welke gevolgen het opschuiven van het bouwplan zou hebben. Vergunninghoudster heeft daarbij vastgesteld dat het bouwplan na verschuiving binnen het bouwvlak gesitueerd blijft. Zij verwijst in dit verband naar de door haar overgelegde tekening van haar architect.

5.3

In geschil is de vraag of het gewijzigde bouwplan al dan niet binnen het bij de bestemming behorende bouwvlak is gesitueerd. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de door vergunninghoudster overgelegde tekening waaruit opgemaakt kan worden dat het gewijzigde bouwplan zich binnen het bouwvlak bevindt. Daartoe acht de rechtbank van belang dat de architect, zoals ter zitting door verweerder is toegelicht, zijn informatie aan de grootschalige basiskaart Nederland (GBKN) heeft ontleend, welke mede is gebaseerd op bronkaarten van de gemeente Midden-Delfland. De enkele stelling van eisers dat zij de tekening niet kunnen controleren, is onvoldoende om deze terzijde te schuiven.

5.4

Nu de verschuiving van de positie van het bouwplan niet tot een overschrijding van het bij de bestemming behorende bouwvlak leidt, was de binnenplanse afwijking van het bestemmingsplan achteraf gezien niet nodig geweest. De door eisers aangevoerde gronden tegen de door verweerder gebruikte bevoegdheid op grond van artikel 29, aanhef en onder b, van de bestemmingsregels treffen reeds hierom geen doel.

5.5

De rechtbank is voorts van oordeel dat de verschuiving van het bouwplan als een wijziging van ondergeschikte aard kan worden aangemerkt, gelet op de geringe omvang van de wijziging in verhouding tot het oorspronkelijke bouwplan. Het gaat niet alleen om een in afstand beperkte verplaatsing van de locatie van het bouwplan, ook blijft de uiterlijke verschijningsvorm van het gebouw ongewijzigd. Daarnaast blijft de afstand van het gebouw ten opzichte van de woningen aan de noordwest zijde van de [straat] gelijk en neemt die ten opzichte van de woningen aan de zuidoostzijde van de [straat] zelfs toe. Gelet op het voorgaande behoefde niet opnieuw de gehele vergunningprocedure te worden doorlopen en kon verweerder volstaan met een besluit tot wijziging van de eerder verleende omgevingsvergunning. De beroepsgronden van eisers op dit punt slagen dan ook niet.

6. Het betoog van eisers dat hun woon- en leefklimaat door de bouw van het gezondheidscentrum en het kappen van de els wordt aangetast en dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met hun belangen, volgt de rechtbank niet. Hiertoe overweegt de rechtbank dat het gezondheidscentrum binnen het bestemmingsplan past, zodat het in beginsel planologisch aanvaardbaar moet worden geacht. De door eisers naar voren gebrachte belangen moeten worden geacht reeds te zijn afgewogen bij de totstandkoming van het bestemmingsplan. Dit geldt ook voor de door eisers gestelde geluidsgevolgen van het bouwplan. Uit de verleende omgevingsvergunning voor het kappen van de els blijkt voorts dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, rekening heeft gehouden met de waarde van de boom voor de leefbaarheid van de omgeving.

7.1

Ten aanzien van de geluidsgevolgen hebben eisers aangevoerd dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of het bouwplan voldoet aan de geldende geluidsnormen in het Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit). In dit verband doet zich eerst de vraag voor of naast de activiteit bouwen, sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo (milieu). Indien daarvan sprake is en deze activiteiten onlosmakelijk met elkaar samenhangen, had de aanvraag om een omgevingsvergunning immers ook betrekking moeten hebben op die milieuactiviteit (artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo). Voor het antwoord op de vraag of sprake is van een vergunningplichtige milieuactiviteit is van belang of het gezondheidscentrum is aan te merken als een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer (Wm) en zo ja, om welk type inrichting het gaat (categorie A, B of C), waarbij alleen een type C-inrichting vergunningplichtig is. Een type B-inrichting is meldingplichtig. Voor een type A-inrichting geldt geen meldingsplicht.

7.2

Naar het oordeel van de rechtbank kan het gezondheidscentrum op grond van artikel 1.1, eerste, derde en vierde lid, van de Wm worden aangemerkt als een inrichting in de zin van de Wm. Niet alleen zijn de activiteiten binnen het gezondheidscentrum aan te merken als een door de mens bedrijfsmatig ondernomen bedrijvigheid, die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht, ook is één van de categorieën uit bijlage I van het Besluit omgevingsrecht (Bor) van toepassing, te weten categorie 23. Naar het oordeel van de rechtbank is het gezondheidscentrum voorts te kwalificeren als een type A‑inrichting, nu het onder de limitatief opgesomde lijst van artikel 1.2 van het Activiteitenbesluit valt.

7.3

Gelet op het voorgaande is de rechtbank met verweerder van oordeel dat bij de beoordeling van de aangevraagde omgevingsvergunning niet getoetst hoefde te worden aan (de geluidsnormen van) het Activiteitenbesluit. Er is immers geen sprake van een vergunningplichtige milieuactiviteit. Anders dan eisers betogen, hoefde verweerder in het kader van de door vergunninghoudster gedane aanvraag dan ook geen geluidsonderzoek te laten verrichten. In de onderhavige procedure komt de rechtbank daarom ook niet toe aan de beoordeling van het door vergunninghoudster verrichte geluidsonderzoek. Dit neemt niet weg dat het gezondheidscentrum, als type A-inrichting, dient te voldoen aan de algemene regels zoals opgenomen in het Activiteitenbesluit, waaronder de geluidsregels als bedoeld in Afdeling 2.8. Voor zover de daarin opgenomen normen worden overschreden, kunnen eisers zich in het kader van een handhavingsprocedure tot verweerder wenden.

8. Ten aanzien van de beroepsgrond van eisers dat het advies van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente Midden-Delfland (de commissie) om het besluit te herroepen ten onrechte niet is gevolgd, overweegt de rechtbank het volgende. Uit het advies van de commissie blijkt dat deze zich op het standpunt heeft gesteld dat verweerder het besluit dient te herroepen omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat op andere wijze dan vermeld in artikel 2.5.30, eerste lid, van de Bouwverordening in de nodige parkeerruimte kan worden voorzien. Het besluit is volgens de commissie dus in strijd met het bepaalde in artikel 2.5.30, eerste en vierde lid, van de Bouwverordening en de omgevingsvergunning had daarom op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo moeten worden geweigerd. De commissie heeft echter ook geadviseerd dat als verweerder de omgevingsvergunning niet wenst te herroepen, de plannen met betrekking tot de parkeervoorzieningen nader en deugdelijker moeten worden onderbouwd en de uitkomst daarvan in de vergunningsvoorwaarden moet worden uitgewerkt. Uit de bestreden besluiten volgt dat verweerder er – in lijn met het advies van de commissie – voor heeft gekozen het primaire besluit te handhaven onder wijziging van de verleende omgevingsvergunning. Van afwijking van het advies van de commissie is dan ook geen sprake. Het betoog van eisers slaagt reeds hierom niet.

9. Ten aanzien van de benodigde parkeergelegenheid, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan op andere wijze voorziet in voldoende parkeergelegenheid en de omgevingsvergunning verleend onder toepassing van de afwijkingsbevoegdheid zoals neergelegd in artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de Bouwverordening. De rechtbank stelt ten aanzien van deze afwijkingsbevoegdheid voorop dat verweerder beleidsvrijheid toekomt bij de beoordeling of van die bevoegdheid gebruik gemaakt kan worden. De toepassing ervan dient dan ook terughoudend te worden getoetst door de rechter. De rechtbank stelt vast dat verweerder ten aanzien van de benodigde parkeervoorzieningen heeft gekozen voor een integrale benadering van twee te realiseren bouwplannen. Naast de bouw van het gezondheidscentrum gaat het om een bouwplan dat voorziet in de realisatie van een nieuw complex met detailhandel en 16 woningen op de locatie van de voormalige basisschool [basisschool] (bouwplan [basisschool] ). Hiertoe heeft verweerder een integrale parkeerbalans voor beide locaties opgesteld. In deze parkeerbalans heeft verweerder gemotiveerd aangegeven dat en waarom is gekozen aan te sluiten bij richtlijn 317 ‘kencijfers parkeren en verkeersgeneratie’ van het kenniscentrum CROW en de daarin opgenomen minimum parkeernorm van 1,8 parkeerplaats per behandelkamer. Uit de integrale parkeerbalans blijkt verder dat verweerder de parkeervraag van het gezondheidscentrum, de detailhandel en de woningen heeft onderzocht. Met toepassing van CROW-richtlijn 182 ‘Parkeerkencijfers’ heeft verweerder vervolgens de totale parkeervraag per dagdeel berekend in verband met dubbelgebruik. Geconcludeerd wordt dat de maximale parkeervraag op werkdagmiddagen 63 parkeerplaatsen bedraagt. Het aanbod aan (te realiseren) parkeervoorzieningen bij het gezondheidscentrum en [basisschool] bedraagt respectievelijk 21 en 45 (in totaal 66) parkeerplaatsen. Hiermee wordt volgens verweerder voldaan aan de maximale parkeervraag voor beide locaties.

10. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder niet de volledige CROW-richtlijn 317 aan eisers heeft overgelegd, ondanks dat eisers daarom in de beroepsfase hebben verzocht. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers hierdoor echter niet in hun belangen geschaad. In de integrale parkeerbalans zijn de uit de CROW-richtlijn 317 opgenomen parkeernormen in voldoende mate uiteengezet. Daar komt bij dat vergunninghoudster ter zitting de toepasselijke normtabel uit genoemde richtlijn aan eisers heeft overhandigd, waarna zij bevestigd hebben reeds met die tabel bekend te zijn. Ten aanzien van de door eisers genoemde bezettingsgraden overweegt de rechtbank dat in bijlage 1 bij de integrale parkeerbalans de tabel met aanwezigheidspercentages uit CROW-richtlijn 182 is overgenomen. Eisers hebben onvoldoende onderbouwd waarom zij over de volledige CROW-richtlijnen zouden moeten beschikken. Ook is niet aannemelijk geworden dat eisers met de voor hen beschikbare gegevens onvoldoende tegen de bestreden besluiten hebben kunnen opkomen.

11. De rechtbank volgt eisers voorts niet in hun betoog dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen uitgaan van voormelde integrale parkeerbalans, omdat tijdens een gemeentelijke informatiebijeenkomst op 17 september 2014 zou zijn toegezegd dat er geen overkoepelend plan zou komen voor de twee bouwlocaties en dat er geen parkeerplaatsen zouden worden uitgeruild tussen deze locaties. Voor zover eisers hiermee een beroep beogen te doen op het vertrouwensbeginsel, slaagt dit niet. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan slechts slagen indien door of namens een tot beslissen bevoegd bestuursorgaan uitdrukkelijk, ondubbelzinnig en ongeclausuleerd schriftelijke toezeggingen zijn gedaan die gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Daarvan is de rechtbank niet gebleken.

12. De rechtbank volgt eisers evenmin in hun betoog dat verweerder niet op de integrale parkeerbalans heeft mogen afgaan, omdat deze niet door een onafhankelijke partij zou zijn opgesteld. De integrale parkeerbalans is opgesteld door een verkeersdeskundige van verweerder. Nu de verkeersdeskundige de parkeerbalans heeft opgesteld aan de hand van de normen en kencijfers uit genoemde CROW-richtlijnen en de conclusies ervan begrijpelijk en coherent zijn, heeft verweerder zich daarop mogen baseren.

13. Gezien voormelde integrale parkeerbalans, waarbij toepassing is gegeven aan de hierboven genoemde CROW-richtlijnen, is een afzonderlijk verkeersonderzoek naar het oordeel van de rechtbank niet nodig. Ook in zoverre slaagt het beroep van eisers niet.

14.1

Uit voormelde integrale parkeerbalans blijkt dat verweerder voor het bepalen van de parkeernorm aansluiting heeft gezocht bij CROW-richtlijn 317, omdat in de Nota parkeernormen Midden-Delfland 2012 (Nota parkeernormen) alleen een parkeernorm voor een huisartsenpraktijk (3 parkeerplaatsen per behandelkamer) is opgenomen die volgens verweerder niet overeenkomt met die van een gezondheidscentrum.

14.2

Het betoog van eisers dat verweerder de in de Nota parkeernormen opgenomen parkeernorm voor een huisartsenpraktijk van 3 parkeerplaatsen per behandelkamer had moeten hanteren, volgt de rechtbank niet. Blijkens paragraaf 4.2 van de Nota parkeernormen kan, indien voor een bepaalde ontwikkeling geen specifieke norm is vastgesteld, een andere passende norm worden toegepast. Nu in CROW-richtlijn 317 een specifieke parkeernorm voor een gezondheidscentrum is opgenomen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich op deze CROW-richtlijn heeft kunnen baseren.

15.1

Voor zover al van de normen uit CROW-richtlijn 317 mag worden uitgegaan, stellen eisers dat verweerder ten onrechte de minimumnorm van 1,8 parkeerplaats per behandelkamer heeft gehanteerd.

15.2

De rechtbank stelt vast dat in CROW-richtlijn 317 voor een gezondheidscentrum een parkeernorm tussen 1,8 en 2,3 parkeerplaatsen is opgenomen. Verweerder heeft ervoor gekozen om de minimale norm van 1,8 te hanteren en heeft dit gemotiveerd door te stellen dat de afstanden binnen het dorp klein zijn en dat er in de nabijheid van het gezondheidscentrum een bushalte is. Aannemelijk is dat een aantal bezoekers van het centrum met het openbaar vervoer komt. Bovendien wil verweerder het fietsgebruik stimuleren.

15.3

De rechtbank stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij de beantwoording van de vraag of wordt voorzien in voldoende parkeermogelijkheden bij een bouwplan, slechts rekening dient te worden gehouden met de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de realisering van dat bouwplan en dat een reeds bestaand tekort buiten beschouwing mag worden gelaten (zie onder meer de uitspraak van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1443). Er hoefde bij het bepalen van de parkeernorm in dit geval dan ook geen rekening te worden gehouden met het door eisers gestelde reeds aanwezige tekort aan parkeerplaatsen in de wijk. Verder heeft verweerder bij het bepalen van de norm in redelijkheid rekening kunnen houden met de aanwezigheid van openbaar vervoer in de nabijheid van het gezondheidscentrum. De omstandigheid dat de streekbus overdag slechts één keer per uur rijdt, maakt dat niet anders. Bij zijn afweging heeft verweerder voorts mogen betrekken dat de afstanden binnen het dorp [plaats ] klein zijn en dat het daarom voor een aantal bezoekers ook goed mogelijk is om op de fiets naar het gezondheidscentrum te komen. De omstandigheid dat de gemeente volgens eisers een groot buitengebied kent, maakt dat niet anders. Verweerder heeft hierover onweersproken naar voren gebracht dat het buitengebied zich kenmerkt door agrarische gebieden met weinig burgerwoningen. Gelet op het voorgaande heeft verweerder in redelijkheid een parkeernorm van 1,8 parkeerplaats per behandelkamer kunnen hanteren.

16. In de bezwaarfase is de bruikbaarheid van twee bij het gezondheidscentrum onder een kastanjeboom met vallende kastanjes gelegen parkeerplaatsen aan de orde gekomen. Ter zitting hebben verweerder en vergunninghoudster te kennen gegeven dat de kastanjeboom inmiddels is gekapt en dat deze door een ander soort boom zal worden vervangen die geen negatieve effecten op de bruikbaarheid van de parkeerplaatsen zal hebben. Eisers betwisten niet dat de kastanjeboom inmiddels is gerooid. Voor zover eisers beroepsgronden zich tegen de bruikbaarheid van genoemde twee parkeerplaatsen richten, treffen deze dan ook geen doel meer.

17.1

In geschil is voorts of het te realiseren parkeeraanbod bij [basisschool] tevens gebruikt kan worden om te voldoen aan de parkeervraag van de bezoekers van het gezondheidscentrum. Er is namelijk voor het gezondheidscentrum een parkeerbehoefte berekend van 27 parkeerplaatsen en vast staat dat op het perceel slechts wordt voorzien in 21 parkeerplaatsen. Dit betekent dat voor de resterende parkeerbehoefte van het gezondheidscentrum, te weten voor 6 parkeerplaatsen, gebruik moet kunnen worden gemaakt van de parkeerplaatsen op [basisschool] .

17.2

Ter zitting hebben partijen de situatie ter plaatse aan de hand van een tekening toegelicht. De rechtbank stelt vast dat de twee bouwprojecten direct tegenover elkaar liggen en dat de bij [basisschool] te realiseren parkeerplaatsen op een dusdanige korte afstand van het gezondheidscentrum liggen dat verweerder een integrale parkeerbalans ten behoeve van beide locaties heeft kunnen opstellen. Voor het dubbelgebruik van het aanbod aan parkeervoorzieningen heeft verweerder voorts acht kunnen slaan op de tabel met aanwezigheidspercentages uit CROW-richtlijn 182. Bij de berekening is een parkeerplaats niet tweemaal bestemd, maar is deze aan twee bouwplannen toegerekend, rekening houdend met de parkeervraag.

17.3

Uit de door verweerder overgelegde overeenkomst met de projectontwikkelaar van [basisschool] en de daaraan ten grondslag liggende randvoorwaarden blijkt dat de te realiseren parkeerplaatsen voor detailhandel openbaar toegankelijk dienen te zijn. Dit betekent dat de 20 parkeerplaatsen, gesitueerd aan zijde van de [straat] , in elk geval openbaar toegankelijk zijn en derhalve beschikbaar zijn voor medewerkers en bezoekers van het gezondheidscentrum. Gelet hierop ziet de rechtbank in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor de conclusie dat niet in voldoende mate in de parkeerbehoefte van 6 parkeerplaatsen voor het gezondheidscentrum wordt voorzien op de locatie van [basisschool] . Dat geldt temeer nu in de omgevingsvergunning als voorwaarde is opgenomen dat het gezondheidscentrum pas in gebruik mag worden genomen nadat het vereiste aantal parkeerplaatsen van 27 is gerealiseerd, waarvan 6 parkeerplaatsen op het perceel [basisschool] . De omstandigheid dat er geen garantie wordt gegeven voor het behoud van de openbaarheid van de parkeerplaatsen onder mogelijke toekomstige eigenaren van de locatie, laat het voorgaande onverlet. Met een eventuele toekomstige onzekere gebeurtenis kan immers geen rekening worden gehouden. Daarbij komt dat in de voorwaarden bij de omgevingsvergunning wel is opgenomen dat de 21 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen die gelegen zijn op het perceel van het gezondheidscentrum in stand moeten worden gehouden.

17.4

Eerst ter zitting hebben eisers aangevoerd dat verweerder bij de berekening van de parkeerbehoefte van het gezondheidscentrum van een te laag aantal parkeerplaatsen is uitgegaan, aangezien geen rekening is gehouden met het aantal benodigde algemene invalidenparkeerplaatsen. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat in dit verband de normen voor algemene invalidenparkeerplaatsen uit paragraaf 3.3 van de Nota parkeernormen zijn toegepast, waarbij in dit geval een norm geldt van 1 algemene invalidenparkeerplaats per 10 reguliere parkeerplaatsen. Anders dan eisers stellen, dient deze norm volgens verweerder niet bij die van het gezondheidscentrum te worden opgeteld, maar maakt deze daarvan deel uit. Gelet op de tekst en inhoud van paragraaf 3.3 van de Nota parkeernormen ziet de rechtbank geen aanleiding verweerder hierin niet te volgen.

17.5

Voor zover eisers vrezen voor het door verweerder reserveren van openbare parkeerplaatsen voor individuele medewerkers, bezoekers of bewoners van respectievelijk het gezondheidscentrum dan wel [basisschool] , overweegt de rechtbank dat niet aannemelijk is geworden dat verweerder voornemens is openbare parkeerplaatsen te reserveren en dat het betoog van eisers reeds daarom niet slaagt.

17.6

Ter zitting heeft verweerder ten slotte toegelicht dat [basisschool] naar verwachting pas in februari 2017 gereed zal. Dit vormt evenwel geen beletsel voor de ingebruikname van het gezondheidscentrum en de daarbij behorende parkeerbehoefte, nu de projectontwikkelaar van [basisschool] schriftelijk heeft toegezegd dat tijdens de realisatie van het bouwplan gebruik gemaakt kan worden van tijdelijke parkeerplaatsen op de locatie van [basisschool] . Hierdoor wordt voorzien in de parkeervraag van het gezondheidscentrum.

18. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder in redelijkheid toepassing heeft kunnen geven aan de afwijkingsmogelijkheid van artikel 2.5.30, vierde lid, aanhef en onder b, van de Bouwverordening.

19.1

Om parkeeroverlast gedurende de avonden, nachten en weekenden te voorkomen, heeft verweerder aan de gewijzigde omgevingsvergunning de voorwaarde verbonden dat gedurende een eventuele avond- en nachtopenstelling (18:00 uur – 7:00 uur) en een eventuele weekendopenstelling (vrijdag 18:00 uur – maandag 7:00 uur) maximaal 30% van het totaal aantal behandelkamers in gebruik mag zijn. Verweerder heeft dit percentage overgenomen uit de in CROW-richtlijn 182 weergegeven aanwezigheidspercentages. Bij een sociaal-medische functie geldt op een werkdag in de avond namelijk een maximum van 30%. Op zaterdag en zondag (en op koopavond) ligt dit percentage lager.

19.2

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het in CROW‑richtlijn 182 opgenomen gemiddelde percentage van 30% in het onderhavige geval niet reëel zou zijn. Eisers hebben hun stellingen op dit punt ook niet nader onderbouwd.

Anders dan eisers betogen, behoeft genoemde voorwaarde ook niet contractueel te zijn vastgelegd. Nu de voorwaarde is opgenomen in de omgevingsvergunning, is vergunninghoudster daaraan gehouden. Voor zover vergunninghoudster zich daar niet aan houdt, kan daartegen desgevraagd handhavend worden opgetreden.

20. De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Hammer, voorzitter, en mr. A.L. Frenkel en mr. J.E. van den Brink, leden, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.