Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:7074

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-06-2016
Datum publicatie
13-09-2016
Zaaknummer
AWB - 16 _ 834
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

bodemprocedure

Wetsverwijzingen
Ziektewet 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/834

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P. Celikkal),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) (gemachtigde: mr. J.H. van Riet).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser vanaf 8 juni 2015 geen uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

Bij besluit van 19 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 3 juni 2016 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is M. Houssein als tolk verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser, voorheen werkzaam als afwasser/schoonmaker bij het [bedrijf] voor 38 uren per week, heeft zich op 2 april 2010 voor dit werk ziek gemeld met voet- en schouderklachten. Na een wachttijd van 104 weken is bij besluit van 15 februari 2012, gehandhaafd bij besluit van 19 juni 2012 aan eiser per 30 maart 2012 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) geweigerd, op de grond dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.

Eiser heeft zich laatstelijk op 8 juni 2015 ziek gemeld met schouder- en voetproblemen. Hij ontving op het moment van ziekmelden een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

2. Verweerder heeft eiser geen ZW-uitkering per 8 juni 2015 toegekend op de grond dat eiser niet ongeschikt is om zijn arbeid te verrichten.

3. Eiser voert aan dat hij niet in staat is om zijn werk te verrichten. Er is onvoldoende rekening gehouden met zijn chronische pijnklachten. Ook had het effect van de ingezette medische behandelingen afgewacht moeten worden. Voorts is ten onrechte geen kennis genomen van de visie van de behandelaars. Eiser verzoekt om een onafhankelijk medisch onderzoek. Ter onderbouwing van zijn beroep heeft eiser een brief van de huisarts van 12 januari 2016 ingediend.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

5.1.

In artikel 19, eerste lid, van de ZW is bepaald dat iemand recht heeft op ziekengeld als hij als gevolg van ziekte of gebreken niet geschikt is voor het verrichten van het eigen werk. De ongeschiktheid om te werken moet rechtstreeks het gevolg zijn van ziekte of gebreken en dat moet objectief medisch vastgesteld kunnen worden.

5.2.

Met het eigen werk wordt bedoeld: het laatste voor de ziekmelding verrichte werk. Wanneer iemand na gedurende de maximale termijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, geldt als maatstaf gangbare arbeid zoals die nader geconcretiseerd is bij de beoordeling van de aanspraak van een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) dan wel de Wet WIA van betrokkene. Bij die beoordeling is een aantal functies voor de betrokken verzekerde geschikt geacht. Onder “zijn arbeid” dient in zo’n geval te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk.

5.3.

De rechtbank stelt vast dat eiser geen bezwaar heeft gemaakt tegen de weigering hem een uitkering toe te kennen op grond van de Wet WIA. De WIA-beoordeling staat nu niet ter discussie. De uitkomsten daarvan moeten in de onderhavige procedure als vaststaand worden aangenomen. De in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies, te weten productiemedewerker industrie, medewerker tuinbouw, inpakker en machinebediende inpak/verpakkingsmachine moeten daarom als maatgevende arbeid worden aangemerkt.

5.4.

Om te kunnen bepalen of iemand geschikt of ongeschikt is voor het eigen werk, wordt die persoon medisch onderzocht door een verzekeringsarts of een bedrijfsarts in dienst van verweerder. De verzekeringsarts of bedrijfsarts adviseert verweerder over de vraag of er nog recht bestaat op een ZW-uitkering.

5.5.

In de bezwaarfase beoordeelt de verzekeringsarts bezwaar en beroep (b&b) of de bevindingen van de eerste verzekeringsarts of bedrijfsarts stand kunnen houden. Ook de verzekeringsarts b&b kijkt daarbij naar de datum van de stopzetting van de ZW-uitkering.

5.6.

De vraag waar de rechtbank een oordeel over geeft, is of het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en of het standpunt van verweerder met betrekking tot de geschiktheid voor het eigen werk per de datum in geding, juist is.

6. Eiser is op 27 juli 2015 onderzocht door de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft van dit onderzoek een rapport opgemaakt. In het rapport staat onder meer vermeld dat eiser nog steeds dezelfde klachten heeft in voeten en schouders. Bij onderzoek constateert de bedrijfsarts geen bewegingsbeperkingen. Voorts is er geen sprake van psychopathologie. De conclusie van de bedrijfsarts is dat eiser per 8 juni 2015 in staat moet worden geacht om zijn werk te verrichten.

7. Naar aanleiding van het bezwaar heeft de verzekeringsarts b&b een rapport uitgebracht. Dit is gebaseerd op dossieronderzoek, de hoorzitting op 18 januari 2016 en de verkregen medische informatie van de orthopedisch chirurg. De verzekeringsarts b&b komt ook tot de conclusie dat eiser in staat is zijn eigen werk per de datum in geding te verrichten.

8. De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek van de bedrijfsarts en de verzekeringsarts b&b op zorgvuldige wijze is uitgevoerd. Uit de rapportages van de artsen blijkt dat zij aandacht hebben besteed aan alle klachten van eiser. De bedrijfsarts heeft dossieronderzoek gedaan en eiser zowel lichamelijk als psychisch onderzocht. Ook de verzekeringsarts b&b heeft eiser lichamelijk onderzocht, heeft dossieronderzoek gedaan en hij heeft, anders dan eiser betoogt, wel informatie van de orthopedisch chirurg meegewogen in zijn beoordeling.

9. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de uitslag van het medisch onderzoek onjuist is. Eiser heeft in beroep geen medische stukken ingediend op grond waarvan tot een ander oordeel gekomen zou moeten worden. Voor het instellen van een deskundigenonderzoek - zoals door eiser is verzocht - ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding. Ook de verwijsbrief van de huisarts voor een foto maakt dit niet anders.

Voorts volgt de rechtbank eisers stelling niet dat eerst de effecten van de behandelingen afgewacht dienen te worden. Immers niet de diagnose of de klachten zijn bepalend bij de verzekeringsgeneeskundige beoordeling, maar alleen de medisch objectiveerbare beperkingen die ten aanzien van de betrokkene zijn vast te stellen. Een diagnose kan slechts behulpzaam zijn bij het vinden van de richting waarin te objectiveren beperkingen gezocht kunnen worden. Wel kan eiser in overweging nemen om zich later toegenomen arbeidsongeschikt melden.

10. Uit wat hiervoor is geschreven onder de punten 8 en 9 volgt dat de rechtbank van oordeel is dat eiser per datum van de ziekmelding, 8 juni 2015 in staat moet worden geacht om één van de onder 5.3 genoemde functies te verrichten. Verweerder heeft daarom terecht besloten eiser geen uitkering op grond van de ZW toe te kennen. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

11. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, rechter, in aanwezigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.