Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6982

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-06-2016
Datum publicatie
28-10-2016
Zaaknummer
SGR 16/468
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2017:1150, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanwijzing monument

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 16/468

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juni 2016 in de zaak tussen

[eiser 1] , te [woonplaats 1] , en

[eiser 2] , te [woonplaats 2] , en
[eiser 3], te [woonplaats 2] , eisers

(gemachtigde: mr. D.G. Lasschuit),

en

het college van burgemeester en wethouders van Katwijk, verweerder

(gemachtigden: I.C. Hoogervorst, drs. H.J. Van Hilten).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de percelen aan de [adres 1] (het kleuterhuis) en [adres 2] (de buitenschool) aangewezen tot gemeentelijk monument (hierna: de aanwijzing).

Bij besluit van 8 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eisers gegrond verklaard, voor zover die bezwaren zien op de motivering ten aanzien van de monumentwaardigheid van de panden. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit motiveringsgebrek bij bestreden besluit is hersteld. Het primaire besluit kan in stand blijven, onder opname van de herziene redengevende omschrijvingen. Voor een vergoeding van de door eisers in bezwaar gemaakte proceskosten ziet verweerder geen aanleiding.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de locatie [adres 1] , beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 april 2016.

[persoon 1] , echtgenoot van [eiser 1] en [persoon 2] , echtgenoot van
[eiser 2] zijn verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van eisers. Namens eisers is tevens verschenen [persoon 3] , verbonden aan [bedrijf] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1 Eisers zijn de eigenaren van een kantoorpand aan de [adres 1] , waarin een notariskantoor is gevestigd.


1.2 Bij primair besluit van 14 januari 2014 heeft verweerder - voor zover hier van belang - het perceel aan de [adres 1] als gemeentelijk monument aangewezen. Aan het primaire besluit ligt een redengevende omschrijving ten grondslag.


1.3 Eisers hebben bezwaar gemaakt tegen de aanwijzing.


1.4 De Erfgoedcommissie (hierna: monumentencommissie) heeft op 10 juni 2014 een advies afgegeven. Vervolgens is het bezwaar door de commissie bezwaarschriften (hierna: commissie) behandeld op een hoorzitting van 18 juni 2014. In haar advies geeft de commissie aan dat verweerder zijn besluit nader dient te motiveren. Daarbij heeft de commissie verweerder onder meer geadviseerd de monumentencommissie te verzoeken nogmaals te reageren middels een aanvullend advies, nu niet duidelijk is of zij de in de procedure door eisers opgeworpen bezwaren in haar advies van 10 juni 2014 heeft betrokken. De monumentencommissie heeft op 17 november 2015 een aanvullend advies afgegeven. In dit advies heeft verweerder nader onderbouwd om welke redenen het pand aan de [adres 1] als monumentwaardig moet worden gekwalificeerd.


2. Bij het bestreden besluit van 8 december 2015 heeft verweerder de bezwaren gegrond verklaard, voor zover die bezwaren zien op de motivering van de monumentale waarde van het pand. Gelet op de nadere motivering, gebaseerd op het aanvullend advies van de monumentencommissie, stelt verweerder zich op het standpunt dat het primaire besluit - met vaststelling van de herziene redengevende omschrijving - in stand kan worden gelaten. Verweerder heeft geen aanleiding gezien de door eisers in bezwaar gemaakte kosten te vergoeden.


3. Eisers kunnen zich niet met het bestreden besluit verenigen. Zij stellen dat het bestreden besluit aan een motiveringsgebrek leidt, nu de herziene redengevende omschrijving die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt niet aan het besluit is gehecht en dus daarvan geen deel uitmaakt. Voorts zijn eisers van mening dat de monumentencommissie hen ten onrechte niet heeft gehoord. Om die reden had verweerder de adviezen van diezelfde monumentencommissie niet aan zijn besluit ten grondslag mogen leggen en kan het bestreden besluit ook om die reden niet in stand blijven. Eisers stellen zich voorts op het standpunt dat, nu het bezwaar van eisers heeft geleid tot een gewijzigd primair besluit - in die zin dat het interieur niet langer als gemeentelijk monument is aangewezen - eisers in aanmerking komen voor een vergoeding van de door hen in bezwaar gemaakte proceskosten. Daarnaast zijn eisers van mening dat het pand [adres 1] niet monumentwaardig is. Eisers wijzen in dit kader op de rapportages van [bedrijf] van 10 februari 2016 en 24 maart 2016. [bedrijf] komt – kort samengevat – tot de conclusie dat er te weinig monumentale waarden aanwezig zijn om een status als monument te rechtvaardigen. Daarbij stelt [bedrijf] zich onder meer op het standpunt dat verweerder geen consistent beleid voert bij het aanwijzen van gemeentelijke monumenten.


4. Bij verweerschrift van 14 maart 2016 heeft verweerder onder meer een nadere reactie gegeven op de rapportage van [bedrijf] van 10 februari 2016. Verweerder kan zich nog steeds vinden in de herziene redengevende omschrijving van het voormalig kleuterhuis en de aan dit pand toegekende monumentale waarden.


5. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Monumentenverordening Gemeente Katwijk (hierna: de Verordening) kan het college een zaak of terrein aanwijzen als gemeentelijk monument.
Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Verordening vraagt het college, voordat het over de aanwijzing een besluit neemt, advies aan de monumentencommissie. Een zaak wordt beoordeeld op de volgende criteria: architectuurhistorische waarde, cultuurhistorische waarde, zeldzaamheid, gaafheid, ensemblewaarde en stedenbouwkundige waarde
Ingevolge artikel 3, vierde lid, van de Verordening valt, indien de zaak een gebouw betreft, zowel interieur als exterieur onder de bescherming.


6. Voor zover het bestreden besluit abusievelijk zonder bijlagen is verzonden, is hierin geen grond gelegen voor de conclusie dat het bestreden besluit op ondeugdelijke wijze is gemotiveerd en daarmee voor vernietiging in aanmerking komt. In het bestreden besluit is opgenomen dat het besluit van 14 januari 2014 in stand wordt gelaten onder opname van de herziene redengevende omschrijvingen. Daaruit volgt dat verweerder heeft bedoeld dat deze bijlagen deel uitmaken van het bestreden besluit en dat de bijlagen bij wijze van kennelijke vergissing niet zijn aangehecht. Van een motiveringsgebrek is derhalve geen sprake. Voorts acht de rechtbank van belang dat verweerder de ontbrekende bijlagen, waaronder de hier in het geding aan de orde zijnde redengevende omschrijving, na vaststelling van deze omissie reeds op 14 december 2015 aan eisers (per e-mail) heeft toegezonden en dat het bestreden besluit, inclusief die bijlagen, door hem openbaar is gemaakt en gepubliceerd op de website van de gemeente Katwijk. Gelet hierop valt niet in te zien op welke wijze eisers in hun belangen zijn geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.


7. Ten aanzien van de overige gronden overweegt de rechtbank als volgt.


7.1 Verweerder heeft beoordelingsvrijheid bij het bepalen van de monumentale waarde van een object. De bestuursrechter toetst de invulling hiervan dan ook terughoudend. Uit de artikelen 3, tweede lid, en 4, eerste lid, van de Verordening volgt dat de monumentencommissie de deskundige is die het college bij de aanwijzing adviseert. De rechtbank overweegt dat voorop staat dat het college zich op het advies van een dergelijke deskundige mag baseren, tenzij dit naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college dit niet – of niet zonder meer – aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen.

7.2

Voor wat betreft de wijze van totstandkoming van de adviezen geldt het volgende. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder de adviezen niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen omdat de monumentencommissie eisers niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord. Het is juist dat de monumentencommissie geen hoorzitting heeft gehouden. Wel heeft deze commissie de bezwaren van eisers meegewogen in de advisering. Immers, voor zover al zou moeten worden aangenomen dat de monumentencommissie de bezwaren van eisers niet reeds bij haar advies van 10 juni 2014 heeft betrokken, is dit verzuim in ieder geval in een later stadium hersteld, nu zij die bezwaren kenbaar bij de totstandkoming van het aanvullend advies van 17 november 2015 heeft betrokken. Verder geldt dat de commissie bezwaarschriften op 18 juni 2014 wel een hoorzitting heeft gehouden waarop eisers hun bezwaren tegen de aanwijzing naar voren hebben kunnen brengen. Dat ook de monumentencommissie verplicht zou zijn geweest eisers omtrent de bezwaren te horen alvorens een advies uit te brengen, blijkt nergens uit. Dit betekent dat de wijze van totstandkoming van de adviezen geen gebreken (meer) vertoont die ertoe zouden moeten leiden dat verweerder de adviezen reeds om die reden terzijde had moeten leggen. De beroepsgrond slaagt dus niet.

7.3

De monumentencommissie heeft in haar adviezen van 10 juni 2014 en 17 november 2015 geconcludeerd dat deze locatie van algemeen belang is en wijst daartoe op de cultuurhistorische waarde, de architectuurhistorische waarde en de ensemblewaarde. De cultuurhistorische waarde wordt volgens de monumentencommissie ontleend aan de omstandigheid dat het kleuterhuis (in samenhang met de buitenschool) overblijfselen herbergt van een belangrijk element dat Katwijk te bieden had: gezondheidszorg die een nauwe relatie had met de gezonde buitenlucht. Het kleuterhuis was een van de eerste paviljoens van een openluchtschool die op kleuters was gericht. De architectuurhistorische waarde is voldoende aanwezig nu, ondanks de verbouwingen, het pand nog zo sterk is vormgegeven dat het vervangen van alle kozijnen en ramen en ook de aanbouwen geen afbreuk doen aan de verschijningsvorm, de herkenbaarheid en de karakteristieke zakelijke expressionistische architectuurstijl. Het is daarnaast van architectuurhistorische waarde als onderdeel uit het oeuvre van de Leidse architect B. Buurman. Voorts heeft het voormalig kleuterhuis in samenhang met de Leidse buitenschool ensemblewaarde als onderdeel van een complex dat een goed en vroeg voorbeeld was van openluchtonderwijs in Nederland, welk complex in de oorspronkelijke omgeving herkenbaar is behouden. Hoewel de commissie het betreurt dat de (tussenliggende) villa is gesloopt blijft voldoende ensemblewaarde over. In de herziene redengevende omschrijving zijn dezelfde waarden en is eenzelfde motivering vermeld.

7.4

[bedrijf] stelt in haar rapportages – samengevat weergegeven – dat gelet op de overwegend neutrale waardering van het kleuterhuis bescherming als gemeentelijk monument niet aan de orde is. Hoewel de cultuurhistorische waarde ook door [bedrijf] positief wordt gewaardeerd geldt dit niet voor de andere waarden. De architectuurhistorische waarde is neutraal, hetgeen zijn grondslag vindt in de verbouwingen van het pand in de 20e eeuw en de lage gaafheid van het pand. De achtergevel is nieuw en herbergt niets van de oude stijl. Daarnaast kennen andere panden die naar ontwerp van architect Buurman zijn gerealiseerd al een monumentenstatus, zodat het behoud van het oeuvre van de architect hiermee reeds voldoende wordt gewaarborgd. Ook de ensemblewaarde wordt als neutraal gewaardeerd, nu de oorspronkelijke opzet van dit ensemble (Leidse buitenschool/kleuterhuis) door het wegvallen van de bijbehorende tussenliggende villa en de realisatie van het daarvoor in de plaats gekomen appartementencomplex sterk wordt verstoord.

7.5

De rechtbank stelt voorop dat de adviezen van de monumentencommissie en de herziene redengevende omschrijving voldoende duidelijk maken welke monumentale waarden ten grondslag liggen aan de aanwijzing. Het enkele feit dat [bedrijf] de door de monumentencommissie vermelde waarden anders waardeert, biedt op zichzelf bezien onvoldoende grond voor het oordeel dat de adviezen van de monumentencommissie of de redengevende omschrijving naar inhoud zodanige gebreken vertonen dat verweerder deze niet – of niet zonder meer – aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen (vgl. uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 december 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY5904).

7.6

De bouwhistorische rapportages van [bedrijf] geven naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanleiding voor twijfel aan de deugdelijkheid van de adviezen van de monumentencommissie en de herziene redengevende omschrijving omtrent de monumentwaardigheid van het pand [adres 1] . Uit die rapportages volgt weliswaar dat de ensemblewaarde wordt verstoord doordat een villa is gesloopt en dat de architectuurhistorische waarde is verminderd door verbouwingen (zoals vervanging van de ramen) aan het pand, maar dit zijn aantastingen die ook door de monumentencommissie zijn onderkend en meegewogen. De monumentencommissie heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat de ensemblewaarde en ook de architectuurhistorische waarde ondanks de wijzigingen nog steeds afdoende aanwezig moeten worden geacht. Bovendien wordt de door de commissie aanwezig geachte cultuurhistorische waarde door eisers en hun deskundige niet betwist. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het pand over voldoende monumentale waarden beschikt om de aanwijzing te kunnen rechtvaardigen.

7.7

Voor de stelling dat bij de onderhavige aanwijzing tot gemeentelijk monument sprake zou zijn geweest van willekeur ziet de rechtbank geen aanwijzing in het dossier. De stelling is verder ook niet nader onderbouwd.


7.8 De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat verweerder zijn standpunt dat het aangewezen pand monumentwaardig is, heeft mogen baseren op de adviezen van de monumentencommissie en de herziene redengevende omschrijving.

8. De rechtbank overweegt tot slot dat eisers hebben verzocht verweerder te veroordelen in de proceskosten die zij in bezwaar hebben gemaakt. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Herroeping als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, vindt alleen plaats indien een ontvankelijk bezwaar heeft geleid tot intrekking of wijziging van het primaire besluit. Nu het bezwaar van eisers ertoe heeft geleid dat het primaire besluit is gewijzigd, in die zin dat uitsluitend het exterieur van het pand onder de bescherming valt van de toegewezen monumentale status, is het primaire besluit in zoverre herroepen wegens een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Dat het hier gaat om enkel een wijziging van de inhoud van de redengevende omschrijving, die de bijlage vormt bij het primaire besluit, is daarbij van geen belang. Deze bijlage maakt deel uit van het primaire besluit en de wijziging daarvan moet worden gekwalificeerd als een wijziging van het primaire besluit, nu dit leidt tot een wijziging van de rechtspositie van eisers. Gelet op het voorgaande komen de door eisers in bezwaar gemaakte kosten voor vergoeding in aanmerking. Het betoog van eisers slaagt derhalve.

10. Dit betekent dat verweerder ten onrechte niet is overgegaan tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, zodat het bestreden besluit in zoverre moet worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en bepaalt dat verweerder de desbetreffende proceskosten alsnog aan eisers dient te vergoeden.

11.
Omdat de rechtbank het beroep, voor zover eisers zich op het standpunt stellen dat er ten onrechte geen vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase heeft plaatsgevonden, gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

12. De rechtbank veroordeelt verweerder om die reden tevens in de door eisers in beroep gemaakte proceskosten. De kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.984,- (1 punt voor het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 496,- en een wegingsfactor 1). Voor een vergoeding van de kosten van de deskundige in beroep ziet de rechtbank, gelet op de reden van de gegrondverklaring, geen reden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, doch enkel voor zover daarbij geen vergoeding van de kosten in bezwaar is toegekend;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers voor zowel de bezwaar-en beroepsfase tot een bedrag van € 1.984,-;
- bepaalt dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.B.J. Leunissen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juni 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.