Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2016:6960

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-06-2016
Datum publicatie
22-06-2016
Zaaknummer
C/09/510593 / FA RK 16-3486
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige vanuit Syrië naar Nederland. Syrië is geen partij bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag 1980 (HKOV). Het is derhalve niet mogelijk in Syrië op grond van het HKOV een verzoek in te dienen tot teruggeleiding. Evenmin is gebleken dat het Syrische rechtsstelsel – mede gelet op de oorlogssituatie in dat land – voorziet in een met het Verdrag vergelijkbare snelle (gerechtelijke) procedure. Het belang van de vader en de minderjarige bij het op korte termijn verkrijgen van een beslissing op het door hem gedane verzoek tot teruggeleiding is, gelet op hetgeen uit de stukken en ter terechtzitting naar voren is gekomen, gegeven. Het Verdrag staat er niet aan in de weg dat de Nederlandse rechter kennis neemt van het verzoek tot teruggeleiding. De rechtbank baseert haar bevoegdheid op artikel 3 Rv, nu Brussel IIbis en HKBV 1996 toepassing missen. De rechtbank besluit tot teruggeleiding, nu niet is gebleken dat er sprake is van een van de weigeringsgronden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank Den HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 16-3486

Zaaknummer: C/09/510593

Datum beschikking: 16 juni 2016 (bij vervroeging)

Internationale kinderontvoering

Beschikking op het op 9 mei 2016 ingekomen verzoek van:

[verzoeker] ,

de vader,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. A. van Toorn te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[verweerster] ,

de moeder,

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,

advocaat: mr. --.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift;

  • -

    het F9-formulier d.d. 1 juni 2016, met bijlagen, van de zijde van de vader;

  • -

    het e-mailbericht d.d. 6 juni 2016, met zeven foto’s als bijlagen, van de zijde van de vader.

Op 8 juni 2016 is de zaak ter terechtzitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank behandeld. Hierbij is verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

Blijkens het door de rechtbank geraadpleegde systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen zijn de gegevens van de moeder in onderzoek. De moeder is openbaar opgeroepen door middel van een advertentie in de Staatscourant van 19 mei 2016, nr. 26332. Hiernaast is een oproep verzonden naar het laatst bekende adres van de moeder in Leiden, Nederland. De moeder is evenwel niet verschenen.

De minderjarige is opgeroepen op het laatst bekende adres in Leiden, Nederland, alsmede openbaar opgeroepen door middel van een advertentie in de Staatscourant van 19 mei 2016, nr. 26331, teneinde in raadkamer te worden gehoord. De minderjarige is niet verschenen voor het kindgesprek.

Verzoek en verweer

De vader heeft verzocht, met toepassing van artikel 13 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet), de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te bevelen, althans te bevelen dat de terugkeer van de minderjarige vóór een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum zal plaatsvinden, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Nederland, dan wel – indien zij nalaat de minderjarige terug te brengen – de rechtbank zal bepalen op welke datum de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven, zodat de vader de minderjarige mee terug kan nemen naar Nederland, een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De moeder heeft geen verweer gevoerd.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad en met elkaar samengewoond.

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] .

- De minderjarige zoon van de moeder uit een eerdere relatie, [mj van moeder] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , behoorde ten tijde van de relatie van partijen tot het gezin.

- Partijen zijn in maart 2012 in onderling overleg een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling overeengekomen, waarbij de minderjarigen [minderjarige] en Lechendro om het weekend van vrijdag na school tot zondag omstreeks 20.00 uur alsmede tijdens de schoolvakanties bij de vader zouden verblijven.

- Op 6 mei 2015 is de moeder – voor zover het [minderjarige] betreft met toestemming van de vader – voor een korte vakantie, die tot 10 mei 2015 zou duren, met de minderjarigen vanuit Nederland naar Turkije vertrokken. Noch op 10 mei 2015 noch nadien zijn de moeder en de minderjarigen teruggekeerd naar Nederland. De moeder verblijft – blijkens informatie die het onderzoeksteam van de politie Den Haag en het openbaar ministerie voorhanden hebben – met de minderjarigen in Syrië.

- Ingevolge een aantekening in het gezagsregister van 27 januari 2010 waren partijen ten tijde van de overbrenging en achterhouding van [minderjarige] gezamenlijk met het gezag over [minderjarige] belast.

- De vader heeft zich gewend tot de Nederlandse Centrale Autoriteit (CA). De zaak is bij de CA geregistreerd onder IKO nr. [nummer] .

- Bij beschikking van deze rechtbank van 11 november 2015 is bepaald dat voortaan alleen aan de vader het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige] .

- Blijkens het uittreksel uit het systeem ingevolge de Wet basisregistratie personen hebben de vader, de moeder en de minderjarige [minderjarige] allen de Nederlandse nationaliteit.

Beoordeling

Rechtsmacht

Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het volgende gebleken. Zoals hiervoor vastgesteld zijn de moeder en beide minderjarigen na een vakantie in Turkije van

6 mei 2015 tot en met 10 mei 2015 niet teruggekeerd naar Nederland. De vader heeft vervolgens op 16 mei 2015 aangifte gedaan bij de politie wegens onttrekking van [minderjarige] aan het ouderlijk gezag. Op 21 mei 2015 heeft hij contact gezocht met de Nederlandse CA en via de Nederlandse CA een teruggeleidingsverzoek ingediend bij de CA van Turkije. De Turkse CA heeft de Nederlandse CA op 24 december 2015 geïnformeerd dat de moeder en de minderjarigen – na grondig onderzoek – niet getraceerd kunnen worden in Turkije. Het onderzoeksteam van de politie Den Haag heeft de vader voorts laten weten dat de moeder samen met de minderjarigen per vliegtuig Turkije is binnengekomen, maar dat zij de terugvlucht niet hebben genomen en officieel vanuit Turkije ook nergens de grens zijn overgestoken. De Nederlandse en de Turkse politie zijn er, door alle informatie die zij voorhanden hebben, van overtuigd dat de moeder en de minderjarigen in Syrië zijn. Uit informatie van de familie van de moeder is de moeder een Islamitisch huwelijk aangegaan met een nieuwe partner. De politie die de zaak monitort, heeft gemeld dat de nieuwe partner van de moeder een Nederlandse man is die met zijn gezin is uitgereisd naar Syrië. Op grond van het vorenstaande stelt de rechtbank vast dat de minderjarige [minderjarige] ten tijde van de indiening van het verzoek in Syrië verblijft.

De vader heeft zijn verzoek gebaseerd op het Haagse Verdrag inzake de burgerrechtelijke aspecten van internationale kinderontvoering van kinderen van 25 oktober 1980 (hierna: het Verdrag). Nederland is partij bij het Verdrag.

Syrië is geen partij bij het Verdrag. Volgens artikel 2 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering (hierna: de Uitvoeringswet) is deze wet tevens van toepassing in de gevallen van internationale ontvoering van kinderen die niet door een verdrag worden beheerst. De rechtbank ziet in het bepaalde in de artikelen 2 en 13, lid 3, van de Uitvoeringswet aanleiding de regels van het Verdrag naar analogie toe te passen.

Beoordeeld dient te worden of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van het onderhavige verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige [minderjarige] vanuit Syrië naar Nederland. Hierbij acht de rechtbank het volgende van belang.

In het Verdrag is niet geregeld welke rechterlijke autoriteit in geval van een rechtstreeks bij de rechter ingediend verzoek tot teruggeleiding bevoegd is om daarvan kennis te nemen.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat – gelet op de systematiek van het Verdrag – moet worden aangenomen dat een op het Verdrag gebaseerd verzoek tot teruggeleiding van een kind dat beweerdelijk ongeoorloofd is overgebracht vanuit de verdragsluitende staat waar het zijn gewone verblijfplaats heeft naar een andere verdragsluitende staat, of in die andere staat wordt vastgehouden, slechts kan worden ingediend bij de rechter van de staat waar het kind zich bevindt (zie HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BU2834).

In dit geval wordt de minderjarige niet vastgehouden in een verdragsluitende staat, maar in een niet-verdragsluitende staat, te weten Syrië. Het is daarom niet mogelijk om in Syrië op grond van het Verdrag een verzoek in te dienen tot teruggeleiding van de minderjarige.

Evenmin is gebleken dat het Syrische rechtsstelsel – mede gelet op de huidige oorlogssituatie in dat land – voorziet in een met het Verdrag vergelijkbare snelle (gerechtelijke) procedure tot teruggeleiding van de minderjarige.

De rechtbank is – gelet op hetgeen de vader onweersproken heeft gesteld – van oordeel dat het in het belang van de minderjarige en de vader is om op korte termijn een beslissing te verkrijgen op het door de vader gedane verzoek tot teruggeleiding.

Nu het Verdrag tot doel heeft om een zo snel mogelijk herstel van de aan de overbrenging of vasthouding voorafgaande situatie te bewerkstelligen, en dit doel niet kan worden bereikt door het voeren van een (gerechtelijke) procedure in Syrië, komt de rechtbank tot het oordeel dat het Verdrag er niet aan in de weg staat dat de Nederlandse rechter kennis neemt van het onderhavige verzoek tot teruggeleiding.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of het Nederlands recht – regels van internationaal privaatrecht inbegrepen – aanknopingspunten biedt voor het aannemen van rechtsmacht in deze zaak.

De rechtbank is van oordeel dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter om het onderhavige verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Nederland te beoordelen niet kan worden gebaseerd op het bepaalde in de artikelen 8, 10 of 20 van de Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad van 27 november 2003 betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 (hierna Brussel IIbis). Evenmin kan rechtsmacht worden aangenomen op grond van het bepaalde in de artikelen 5,7 of 11 van het Verdrag van 19 oktober 1996 (Trb. 1997, 229) inzake de bevoegdheid, het toepasselijk recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen (hierna: HKBV 1996). De materiële reikwijdte van Brussel IIbis en HKBV 1996 beperkt zich immers tot de toekenning, de uitoefening, de overdracht, de beperking of de beëindiging van de ouderlijke verantwoordelijkheid (artikel 1 lid 1 sub b Brussel IIbis en artikel 3 aanhef en sub a HKBV). De beslissing op een verzoek tot teruggeleiding is uitsluitend gericht op het doen terugkeren van de minderjarige (bij wege van ordemaatregel) en niet op een maatregel betreffende de inhoudelijke aspecten van de ouderlijke verantwoordelijkheid en valt vanwege het bijzondere karakter hiervan buiten het materiële toepassingsgebied van Brussel IIbis en het HKBV 1996.

Nu Brussel IIbis en het HKBV 1996 toepassing missen, en er ook overigens geen verdragen of verordeningen zijn die in de onderhavige zaak handvatten bieden voor het aannemen van rechtsmacht van de Nederlandse rechter, wordt de rechtsmacht van de Nederlandse rechter beheerst door de bepalingen van afdeling 1 van titel 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Gelet op het hiervoor genoemde bijzondere karakter van de verzochte uitspraak mist artikel 5 Rv – dat betrekking heeft op ouderlijke verantwoordelijkheid – toepassing. Nu de vader zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, de laatste gezamenlijke gewone verblijfplaats van partijen met de minderjarige in Nederland was en allen de Nederlandse nationaliteit hebben, is de zaak voldoende met de rechtssfeer van Nederland verbonden. Daarom is de Nederlandse rechter op grond van artikel 3 Rv bevoegd om van het onderhavige verzoek kennis te nemen. De omstandigheid dat de minderjarige ten tijde van de indiening van het verzoek (vermoedelijk) feitelijk in Syrië verblijft, leidt niet tot een ander oordeel.

Relatieve bevoegdheid

Op grond van artikel 11 van de Uitvoeringswet is de rechtbank Den Haag bevoegd kennis te nemen van alle zaken met betrekking tot de gedwongen afgifte van een internationaal ontvoerd kind aan degene wie het gezag daarover toekomt en de teruggeleiding van een zodanig kind over de Nederlandse grens.

Inhoudelijke beoordeling

Ongeoorloofde overbrenging of vasthouding in de zin van artikel 3 van het Verdrag

Er is sprake van ongeoorloofde overbrenging of ongeoorloofde vasthouding in de zin van het Verdrag wanneer de overbrenging of het niet doen terugkeren geschiedt in strijd met een gezagsrecht ingevolge het recht van de staat waarin het kind onmiddellijk voor zijn overbrenging of vasthouding zijn gewone verblijfplaats had en dit recht alleen of

gezamenlijk werd uitgeoefend op het tijdstip van het overbrengen of niet doen terugkeren, dan wel zou zijn uitgeoefend indien een zodanige gebeurtenis niet had plaatsgevonden (artikel 3 van het Verdrag).

Vaststaat dat de minderjarige onmiddellijk voor de overbrenging naar en achterhouding in Syrië haar gewone verblijfplaats in Nederland had.

Voorts staat vast dat het gezagsrecht gezamenlijk daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging, dan wel zou zijn uitgeoefend, indien de overbrenging en vasthouding niet had plaatsgevonden.

De vader heeft voorts onweersproken gesteld dat hij geen toestemming heeft gegeven aan de moeder om zich permanent met de minderjarige in Syrië te vestigen, noch heeft hij – stilzwijgend – in de achterhouding van de minderjarige in Syrië berust. De vader heeft hiertoe gesteld dat hij op woensdag 6 mei 2015 in de woning van de moeder, in het bijzijn en op verzoek van de moeder, een formulier heeft ondertekend waarmee hij de moeder toestemming heeft gegeven om [minderjarige] naar Turkije mee te nemen voor een korte vakantie. De moeder zou op zondag 10 mei 2015 terugkeren naar Nederland, maar dit is – hoewel de moeder op 10 mei 2015 via Whatsapp vertelde dat zij en beide minderjarigen inmiddels weer terug waren in Nederland – niet gebeurd. Toen de moeder hierna niets meer van zich liet horen en het de vader ook niet lukte om contact met haar te krijgen, heeft hij contact gezocht met de familie van de moeder. De familie van de moeder vertelde dat de moeder niet was teruggekeerd naar Nederland en plannen zou hebben om samen met beide minderjarigen naar Syrië te reizen. De vader heeft vervolgens aangifte gedaan bij de politie wegens onttrekking van [minderjarige] aan het ouderlijk gezag. Ook heeft hij contact gezocht met de Nederlandse CA om een teruggeleidingsverzoek in te dienen. De vader heeft hiernaast via Whatsapp aan de moeder gevraagd om terug te keren naar Nederland, maar de moeder weigert tot op heden om met de minderjarigen terug te keren. Momenteel heeft de vader zelf geen (direct) contact meer met de moeder en de minderjarigen. Hij wordt door de familie van de moeder, voor zover zij informatie krijgen, op de hoogte gehouden over hoe het met de moeder en de minderjarigen gaat. De vader maakt zich ernstig zorgen over de veiligheid en ontwikkeling van [minderjarige] .

Nu de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging naar en de vasthouding in Syrië en vast staat dat de overbrenging en de vasthouding is geschied in strijd met het gezagsrecht van de vader naar Nederlands recht, komt de rechtbank tot het oordeel dat de overbrenging naar en de vasthouding van de minderjarige in Syrië aangemerkt dient te worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag.

Onmiddellijke terugkeer in de zin van artikel 12 van het Verdrag

Ingevolge artikel 12, lid 1, van het Verdrag wordt de onmiddellijke terugkeer van een kind gelast wanneer er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging of het niet doen terugkeren van een kind en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank.

Op grond van lid 2 van artikel 12 van het Verdrag wordt de terugkeer van een kind gelast, zelfs als de termijn van één jaar is verstreken, tenzij wordt aangetoond dat het kind inmiddels is geworteld in zijn nieuwe omgeving.

Nu er minder dan één jaar is verstreken tussen de vasthouding van de minderjarige in Syrië en het tijdstip van indiening van het verzoek, komt de rechtbank niet toe aan de vraag of de minderjarige in Syrië is geworteld en dient in beginsel de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen, tenzij er sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag.

Weigeringsgronden ex artikel 13 van het Verdrag

Niet is gesteld dat er sprake zou zijn van (één van de) weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 13 van het Verdrag. De rechtbank is voorts van oordeel dat uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting evenmin is gebleken dat zich een situatie voordoet zoals genoemd in artikel 13 van het Verdrag.

Conclusie

Nu er geen sprake is van één van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 van het Verdrag, terwijl er minder dan een jaar is verstreken tussen de ongeoorloofde vasthouding van de minderjarige en de indiening van het verzoekschrift, dient naar analogie van het bepaalde in artikel 12, lid 1, van het Verdrag de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige te volgen.

Ingevolge artikel 13, lid 5, van de Uitvoeringswet schorst een eventueel hoger beroep de tenuitvoerlegging van de beschikking, tenzij de rechter in het belang van het kind op verzoek of ambtshalve anders bepaalt. De rechtbank acht het – gelet op het voorgaande – in het belang van de minderjarige dat zij zo snel mogelijk naar Nederland kan terugkeren en zal derhalve haar beslissing overeenkomstig het verzoek van de vader uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

(alleen opnemen indien kostenveroordeling is verzocht)

Beslissing

De rechtbank:

gelast de onmiddellijke terugkeer van de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

naar Nederland uiterlijk op 7 juli 2016, waarbij de moeder de minderjarige dient terug te brengen naar Nederland en beveelt, indien de moeder nalaat de minderjarige terug te brengen naar Nederland, dat de moeder de minderjarige met de benodigde geldige reisdocumenten aan de vader zal afgeven uiterlijk op 7 juli 2016, opdat de vader de minderjarige zelf mee terug kan nemen naar Nederland;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H.M. Boone, N.B. Verkleij en K.M. Braun, tevens kinderrechters, bijgestaan door mr. M. Verkerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 juni 2016.

Van deze beschikking kan -voor zover er definitief is beslist- hoger beroep worden ingesteld binnen twee weken (artikel 13 lid 7 Uitvoeringswet internationale kinderontvoering) na de dag van de uitspraak door indiening van een beroepschrift ter griffie van het Gerechtshof Den Haag. In geval van hoger beroep zal de terechtzitting bij het hof - in beginsel - plaatsvinden in de derde of vierde week na deze beslissing.